Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW8841

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-06-2012
Datum publicatie
20-06-2012
Zaaknummer
201108903/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 juni 2011, nummer 97808, heeft de raad het bestemmingsplan "Groene Kruisweg-metrobaan" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201108903/1/R4.

Datum uitspraak: 20 juni 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B], wonend te Poortugaal, gemeente Albrandswaard,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Albrandswaard,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2011, nummer 97808, heeft de raad het bestemmingsplan "Groene Kruisweg-metrobaan" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 augustus 2011, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 juni 2012, waar [appellanten], en de raad, vertegenwoordigd door C.A. de Klerk-Verbeek, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in een nieuwe juridisch-planologische regeling voor het grondgebied van de gemeente dat tussen de metrolijn en de Groene Kruisweg ligt. Aan het plangebied zijn acht verschillende wijzigingsbevoegdheden toegekend.

2.2. [appellanten] kunnen zich niet verenigen met wijzigingsbevoegdheid 6, waarmee wijziging van de bestaande functies naar bedrijven en kantoren mogelijk wordt gemaakt. Zij betogen dat onzeker is of en wanneer de wijzigingsbevoegdheid zal worden toegepast, nu de wijzigingsbevoegdheid alleen zal worden ingezet voor individuele percelen en alleen indien zich een geïnteresseerde projectontwikkelaar aandient. Voorts is geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd voor de omwonenden van deze nieuw te ontwikkelen percelen. Deze omstandigheden hebben ook nadelige gevolgen voor de verkoopbaarheid van de woningen in het gebied, aldus [appellanten].

2.3. De raad beoogt met dit plan een kader te bieden voor de gewenste ontwikkelingen in het plangebied. Voor een aantasting van het woon- en leefklimaat van de huidige bewoners van het plangebied behoeft volgens de raad gelet op de wijzigingsvoorwaarden niet te worden gevreesd. Verder stelt de raad dat het plan geen invloed heeft op de verkoopbaarheid van de woonpercelen in het plangebied.

2.4. Voor zover [appellanten] beogen aan te voeren dat wijzigingsbevoegdheid 6 onvoldoende objectief is begrensd, overweegt de Afdeling als volgt.

Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, onder a, van de Wet ruimtelijke ordening, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders met inachtneming van de bij het plan te geven regels het plan kan wijzigen binnen de bij het plan te bepalen grenzen. Mede gelet op de rechtszekerheid van belanghebbenden dient in een wijzigingsbevoegdheid in voldoende mate te worden bepaald in welke gevallen en op welke wijze hiervan gebruik mag worden gemaakt. Een wijzigingsbevoegdheid dient derhalve door voldoende objectieve normen te worden begrensd. De vraag of een wijzigingsbevoegdheid door voldoende objectieve normen wordt begrensd, hangt af van de omstandigheden van het geval. Hierbij kan onder meer belang worden gehecht aan de aard van de wijziging, de omvang van het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid ziet en de aanleiding voor het opnemen van deze wijzigingsbevoegdheid.

2.5. In artikel 29, lid 29.2, aanhef en onder f, van de planregels, is bepaald dat het college van burgemeester en wethouders, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6, eerste lid, onder a, van de Wet ruimtelijke ordening, bevoegd is tot het wijzigen van de bestemming van de gronden ter plaatse van de aanduiding 'Wro-zone-wijzigingsgebied-6' in de bestemmingen "Bedrijf", "Groen", "Tuin", "Verkeer- en verblijfsgebied" en "Water" ten behoeve van een herontwikkeling naar bedrijvigheid en/of kantoren, mits:

1. vooraf een bouwplan met inrichtingsplan is voorgelegd waaruit blijkt dat sprake is van bedrijven in een groene omgeving;

2. het bouwplan past in een gebiedsvisie voor de omgeving Kruisdijk-Oost met een aantoonbare versterking van het groene karakter gezien vanuit de Groene Kruisweg;

3. de totale uitbreiding aan grondoppervlak en/of het brutovloeroppervlak van de gebouwen in het gehele wijzigingsgebied niet meer mag bedragen dan 5.000 m2 ;

4. zelfstandige kantoren zijn niet toegestaan;

5. het aanbod aan bedrijven regionaal is afgestemd, zoals moet blijken uit een positief advies van het Regionaal Economisch Overleg;

6. de bouwhoogte van gebouwen niet meer bedraagt dan 12 m;

7. bedrijven tot en met milieucategorie 4 mogen worden toegestaan mits ten opzichte van bestaande woningen voldoende afstand wordt gehouden waarbij toepassing wordt gegeven aan de publicatie 'bedrijven en milieuzonering, VNG 2009';

8. toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in lid 29.3;

9. een gefaseerde toepassing van de wijzigingsbevoegdheid is toegestaan.

In lid 29.3 staat dat alvorens toepassing te geven aan het bepaalde in lid 29.2 dient te worden voldaan aan de onderzoeksverplichting op de volgende onderdelen (zie plantoelichting voor nadere beschrijving): a. luchtkwaliteit; b. voldoende parkeergelegenheid; c. mobiliteitstoets; d. bodemkwaliteit; e. watertoets; f. archeologie; g. externe veiligheid, inclusief QRA voor de afweging van het groepsrisico; h. ecologie, toetsing flora- en faunawet; i. economische uitvoerbaarheid en kostenverhaal.

2.6. Volgens de plantoelichting kent het plangebied een versnipperd ruimtelijk beeld, een zwakke functionele structuur en diverse belemmeringen en ruimtelijke barrières. Om een versterking van de ruimtelijke kwaliteit te bereiken, heeft de raad nieuwe ontwikkelingen in het plangebied bij wijzigingsbevoegdheid mogelijk gemaakt, waaronder de ontwikkeling van bedrijven en kantoren.

In artikel 29, lid 29.2, van de planregels zijn negen voorwaarden opgenomen waaronder toepassing kan worden gegeven aan wijzigingsbevoegdheid 6. Op grond van deze voorwaarden is duidelijk in welke gevallen en op welke wijze gebruik kan worden gemaakt van deze wijzigingsbevoegdheid. Daarnaast waarborgt lid 29.3 dat ten aanzien van de daar genoemde aspecten onderzoeken worden verricht, alvorens toepassing aan de wijzigingsbevoegdheid wordt gegeven. Onder deze omstandigheden bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat wijzigingsbevoegdheid 6 onvoldoende objectief is begrensd.

2.7. Naar ter zitting door de raad is toegelicht, bestaan er bij een aantal ondernemers concrete wensen om percelen binnen wijzigingsgebied zes te herontwikkelen naar bedrijfsgebouwen of kantoren. Voor de door [appellanten] geuite verwachting dat er geen belangstelling zal zijn voor uitvoering van de mogelijkheden tot herontwikkeling binnen dit wijzigingsgebied, bestaat dan ook geen aanleiding.

2.8. Voor zover door middel van wijzigingsbevoegdheid 6 milieubelastende bedrijven mogelijk worden gemaakt, geldt onder meer als voorwaarde dat gelet op de publicatie "Bedrijven en Milieuzonering, VNG 2009" voldoende afstand wordt gehouden tot bestaande woningen. Daarnaast stelt artikel 29, lid 29.3, van de planregels als voorwaarde dat de daar genoemde onderzoeken worden verricht alvorens toepassing aan de wijzigingsbevoegdheid kan worden gegeven. Onder deze omstandigheden heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat is gewaarborgd dat door toepassing van de wijzigingsbevoegdheid geen onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van de bewoners zal plaatsvinden.

2.9. Mede gelet op het voorgaande is niet aannemelijk gemaakt dat de in het plan voorziene wijzigingsbevoegdheid 6 een dusdanig negatieve invloed heeft op de verkoopbaarheid van de woningen in het plangebied, dat hieraan een doorslaggevend gewicht had moeten worden toegekend.

2.10. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is ongegrond.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.A.A. Mondt-Schouten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Binnema, ambtenaar van staat.

w.g. Mondt-Schouten w.g. Binnema

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2012

589.