Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW8835

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-06-2012
Datum publicatie
20-06-2012
Zaaknummer
201109408/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gewijzigde vaststelling twee vergoedingen voor twee toevoegingen voor rechtsbijstand en verrekening met proceskostenvergoedingen, toegekend in de procedures waarvoor de toevoegingen waren verstrekt.

De Rb. heeft terecht geoordeeld dat de bevoegdheid tot het gewijzigd vaststellen van een eerder toegekende vergoeding niet is beperkt tot het geval waarin de daarbij van belang zijnde feiten en omstandigheden zich hebben voorgedaan ten tijde van de oorspronkelijke vaststelling. Volgens het door de raad gehanteerde beleid, vastgelegd in het Handboek Vergoedingen 2000 (tweede druk, januari 2006), kan het bestuur, "indien binnen vijf jaar nadat de vergoeding is vastgesteld blijkt dat de vergoeding te hoog is geweest, de vaststelling met terugwerkende kracht wijzigen of intrekken. Voorwaarde voor het uitoefenen van deze bevoegdheid is dat het bureau op het moment dat de vergoeding werd vastgesteld redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn van feiten of omstandigheden die van invloed zouden zijn geweest op de vaststelling. […] De regeling heeft betrekking op de situatie dat het bureau de vergoeding op een te hoog bedrag heeft vastgesteld, omdat deze vaststelling is geschied op basis van onjuiste of onvolledige informatie". Deze passage uit het Handboek is overgenomen uit de nota van toelichting (nota van toelichting, blz. 37; Stb. 1999, 580) bij art. 30 van het Bvr 2000. Niet valt dan ook in te zien dat de feiten of omstandigheden zich reeds moeten hebben voorgedaan. Zulks volgt evenmin uit de tekst van art. 30 van het Bvr 2000.

Zoals ter zitting is komen vast te staan, hanteert de raad als vaste gedragslijn dat per instantie de vergoeding voor de op basis van de toevoeging verleende rechtsbijstand wordt vastgesteld. Daarbij wordt niet betrokken of er mogelijk beroep of hoger beroep zal worden ingesteld. Dit houdt verband met de wens van rechtsbijstandverleners om niet op vergoeding te hoeven wachten tot een procedure alle instanties heeft doorlopen. De Afdeling acht deze vaste gedragslijn niet onredelijk. Of appellant de raad heeft geïnformeerd en of deze informatie volledig was, is derhalve niet relevant, nu de informatie ten aanzien van het hoger beroep niet had geleid tot een ander besluit.

Ongegrond hoger beroep.

Wetsverwijzingen
Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 30
Wet op de rechtsbijstand 37
Wet op de rechtsbijstand 37
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201109408/1/A2.

Datum uitspraak: 20 juni 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Eindhoven,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 11 juli 2011 in zaak nr. 10/1143 in het geding tussen:

[appellant]

en

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (voorheen: de raad voor rechtsbijstand 's-Hertogenbosch; hierna: de raad).

1. Procesverloop

Bij besluiten van 24 februari 2009 heeft de raad de vergoedingen voor twee toevoegingen voor rechtsbijstand, verleend door [appellant], vastgesteld.

Bij besluiten van 17 december 2009 heeft de raad de vastgestelde vergoedingen gewijzigd, en verrekend met proceskostenvergoedingen, toegekend in de procedures waarvoor de toevoegingen waren verstrekt.

Bij besluit van 2 maart 2010 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 juli 2011, verzonden op 18 juli 2011, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 augustus 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 26 september 2011.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 mei 2012, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. K. Achefai en mr. C.W. Wijnstra, beiden werkzaam bij de raad, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 37, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: Wrb), zoals deze luidde ten tijde van belang, verstrekt de raad aan een rechtsbijstandverlener een subsidie, genoemd vergoeding, voor de door hem op basis van een toevoeging verleende rechtsbijstand.

Ingevolge het vijfde lid, aanhef en onder e, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden vastgesteld met betrekking tot de vaststelling van de vergoeding.

Ingevolge artikel 30 van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (hierna: het Bvr 2000), zoals dat luidde ten tijde van belang, kan de raad, indien na de vaststelling van de vergoeding feiten of omstandigheden bekend worden waarvan de raad redelijkerwijs niet bij de vaststelling op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de vergoeding lager zou zijn vastgesteld, dan wel indien de vaststelling onjuist was en de rechtsbijstandverlener dit wist of behoorde te weten, de vaststelling met terugwerkende kracht wijzigen of intrekken, tenzij vijf jaren zijn verstreken sedert de dag van de vaststelling.

2.2. [appellant] heeft op basis van een tweetal toevoegingen rechtsbijstand verleend. De rechtsbijstand had betrekking op de beroepen die hij namens zijn [cliënt], heeft ingesteld tegen een tweetal besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven. De daarop betrekking hebbende vergoedingen zijn vastgesteld bij besluiten van 24 februari 2009.

Bij uitspraken van 25 november 2009 (zaak nrs. 200901825/1/H2 en 200901821/1/H2) heeft de Afdeling de hoger beroepen gegrond verklaard, de uitspraken van de rechtbank 's-Hertogenbosch vernietigd, en de beroepen gegrond verklaard. De Afdeling heeft in beide zaken het college veroordeeld tot vergoeding van de bij [cliënt] opgekomen proceskosten in verband met de behandeling van zowel het beroep als het hoger beroep.

2.3. Bij besluiten van 17 december 2009, gehandhaafd bij besluit van 2 maart 2010, heeft de raad de reeds vastgestelde vergoedingen voor de door [appellant] op basis van een toevoeging verleende rechtsbijstand, gewijzigd, op de grond dat er sprake is van feiten waarvan hij redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn bij de vaststelling, en op grond waarvan de vergoeding lager zou zijn vastgesteld.

De rechtbank heeft het daartegen gerichte beroep ongegrond verklaard bij uitspraak van 11 juli 2011, omdat [appellant] de raad onvolledig heeft geïnformeerd en deze onvolledige informatie de basis is geweest voor de onjuiste vaststelling.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat artikel 30 van het Bvr 2000 niet ziet op een situatie als het onderhavige geval. Volgens deze bepaling moet het gaan om feiten of omstandigheden die ten tijde van de vaststelling reeds plaats hebben gevonden, aldus [appellant]. Omdat de in de uitspraken van de Afdeling vervatte proceskostenveroordelingen van 25 november 2009 dateren, ruim na de vaststellingen van 24 februari 2009, is hieraan niet voldaan, en ontbeert de raad de bevoegdheid om de proceskostenveroordelingen te verrekenen met de vergoedingen van de toevoegingen, zo betoogt hij.

In dat verband voert hij tevens aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij de raad onvolledig heeft geïnformeerd en dat, zelfs wanneer de informatie onvolledig wordt geacht, dit geen invloed zou mogen hebben op de vaststelling.

2.4.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de bevoegdheid tot het gewijzigd vaststellen van een eerder toegekende vergoeding niet is beperkt tot het geval waarin de daarbij van belang zijnde feiten en omstandigheden zich hebben voorgedaan ten tijde van de oorspronkelijke vaststelling. Volgens het door de raad gehanteerde beleid, vastgelegd in het Handboek Vergoedingen 2000 (tweede druk, januari 2006), kan het bestuur, "indien binnen vijf jaar nadat de vergoeding is vastgesteld blijkt dat de vergoeding te hoog is geweest, de vaststelling met terugwerkende kracht wijzigen of intrekken. Voorwaarde voor het uitoefenen van deze bevoegdheid is dat het bureau op het moment dat de vergoeding werd vastgesteld redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn van feiten of omstandigheden die van invloed zouden zijn geweest op de vaststelling. […] De regeling heeft betrekking op de situatie dat het bureau de vergoeding op een te hoog bedrag heeft vastgesteld, omdat deze vaststelling is geschied op basis van onjuiste of onvolledige informatie". Deze passage uit het Handboek is overgenomen uit de nota van toelichting (nota van toelichting, blz. 37; Stb. 1999, 580) bij artikel 30 van het Bvr 2000. Niet valt dan ook in te zien dat de feiten of omstandigheden zich reeds moeten hebben voorgedaan. Zulks volgt evenmin uit de tekst van artikel 30 van het Bvr 2000.

2.4.2. Zoals ter zitting is komen vast te staan, hanteert de raad als vaste gedragslijn dat per instantie de vergoeding voor de op basis van de toevoeging verleende rechtsbijstand wordt vastgesteld. Daarbij wordt niet betrokken of er mogelijk beroep of hoger beroep zal worden ingesteld. Dit houdt verband met de wens van rechtsbijstandverleners om niet op vergoeding te hoeven wachten tot een procedure alle instanties heeft doorlopen. De Afdeling acht deze vaste gedragslijn niet onredelijk. Of [appellant] de raad heeft geïnformeerd en of deze informatie volledig was, is derhalve niet relevant, nu de informatie ten aanzien van het hoger beroep niet had geleid tot een ander besluit.

Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D. Roemers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van staat.

w.g. Roemers w.g. Van Meurs-Heuvel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2012

47-729.