Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW8834

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-06-2012
Datum publicatie
20-06-2012
Zaaknummer
201109344/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om toevoeging voor rechtsbijstand op de grond dat de kosten verbonden aan de rechtsbijstand niet in een redelijke verhouding staan tot het belang van de zaak. De aanvraag om toevoeging voor rechtsbijstand ziet op "verweer opzegging lidmaatschap van de vereniging". Uit de bijlage bij de aanvraag blijkt dat het lidmaatschap van appellant van een shantykoor is opgezegd door het bestuur van dat koor, en dat appellant dat wenst aan te vechten. Uit de aanvraag blijkt niet dat de rechtsbijstand op meer ziet dan de opzegging van het lidmaatschap. Ook uit het bezwaarschrift blijkt niet dat er in de te voeren procedure meer aan de orde zal worden gesteld dan de opzegging van het lidmaatschap. Het daarmee gepaard gaande belang is immaterieel, en hangt direct samen met de invulling van vrijetijdsbesteding.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 18 juni 2008 in zaaknr. 200708091/1, LJN: BD4486), en zoals blijkt uit de daar aangehaalde totstandkomingsgeschiedenis (Kamerstukken II, 1992-1993, 22 609, nrs. 6 en 11, blz. 11 en 4) bij art. 12, lid 2, aanhef en onder b, van de Wrb, komt de raad bij het verlenen van toevoeging ter behartiging van immateriële belangen een ruime discretionaire bevoegdheid toe en wordt toevoeging in die gevallen, te meer wanneer het geschil voortvloeit uit de invulling van vrijetijdsbesteding, slechts bij uitzondering verleend. Van uitzonderlijke omstandigheden is in het geval van appellant niet gebleken. De Rb. heeft daarom met juistheid overwogen dat de raad in redelijkheid heeft kunnen komen tot een afwijzing van de aanvraag om een toevoeging.

Wetsverwijzingen
Wet op de rechtsbijstand 12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201109344/1/A2.

Datum uitspraak: 20 juni 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant]], wonend te Sas van Gent, gemeente Terneuzen,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 13 juli 2011 in zaak nr. 11/1531 in het geding tussen:

[appellant]

en

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (voorheen: de raad voor de rechtsbijstand 's-Gravenhage, hierna: de raad).

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 juli 2010 heeft de raad de aanvraag om toevoeging voor rechtsbijstand aan [appellant] afgewezen.

Bij besluit van 27 december 2010 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 juli 2011, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 augustus 2011, hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 mei 2012, waar [appellant], in persoon, en de raad, vertegenwoordigd door mr. K. Achefai, werkzaam bij de raad, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: Wrb) wordt rechtsbijstand niet verleend indien de aan de te verlenen rechtsbijstand verbonden kosten niet in redelijke verhouding staan tot het belang van de zaak.

2.2. Bij besluit van 20 juli 2010, gehandhaafd bij besluit van 27 december 2010, heeft de raad de aanvraag om toevoeging voor rechtsbijstand aan [appellant] afgewezen, op de grond dat de kosten verbonden aan de rechtsbijstand niet in een redelijke verhouding staan tot het belang van de zaak. Dit standpunt is door de rechtbank in haar uitspraak van 13 juli 2011 gevolgd.

2.3. [appellant] betoogt dat zijn belang dermate groot is, dat alsnog een toevoeging had moeten worden verleend. Daarnaast betoogt hij dat "boeven die wel schuldig zijn, een advocaat krijgen", en dat, nu hij "persoonlijk nergens schuldig aan is" ook om die reden een toevoeging verleend had moeten worden.

2.4. De aanvraag om toevoeging voor rechtsbijstand ziet op "verweer opzegging lidmaatschap van de vereniging". Uit de bijlage bij de aanvraag blijkt dat het lidmaatschap van [appellant] van shantykoor "De Dekzwabbers" is opgezegd door het bestuur van dat koor, en dat [appellant] dat wenst aan te vechten. Uit de aanvraag blijkt niet dat de rechtsbijstand op meer ziet dan de opzegging van het lidmaatschap. Ook uit het bezwaarschrift blijkt niet dat er in de te voeren procedure meer aan de orde zal worden gesteld dan de opzegging van het lidmaatschap. Het daarmee gepaard gaande belang is immaterieel, en hangt direct samen met de invulling van vrijetijdsbesteding.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 18 juni 2008 in zaaknr. 200708091/1), en zoals blijkt uit de daar aangehaalde totstandkomingsgeschiedenis (Kamerstukken II, 1992-1993, 22 609, nrs. 6 en 11, blz. 11 en 4) bij artikel 12, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wrb, komt de raad bij het verlenen van toevoeging ter behartiging van immateriële belangen een ruime discretionaire bevoegdheid toe en wordt toevoeging in die gevallen, te meer wanneer het geschil voortvloeit uit de invulling van vrijetijdsbesteding, slechts bij uitzondering verleend. Van uitzonderlijke omstandigheden is in het geval van [appellant] niet gebleken. De rechtbank heeft daarom met juistheid overwogen dat de raad in redelijkheid heeft kunnen komen tot een afwijzing van de aanvraag om een toevoeging.

Voor zover [appellant] betoogt dat aan anderen wel een toevoeging wordt verleend, kan dit betoog niet tot het door hem gewenste resultaat leiden, nu de door hem aangeduide gevallen niet gelijk zijn aan het zijne. De regels voor toevoeging voor rechtsbijstand in het strafrecht, zijn andere dan de regels voor toevoeging voor rechtsbijstand in het civiel recht.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D. Roemers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van staat.

w.g. Roemers w.g. Van Meurs-Heuvel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2012

47-729.