Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW8829

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-06-2012
Datum publicatie
20-06-2012
Zaaknummer
201106320/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 maart 2010 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlem aan [appellante] vergunning verleend voor het houden van een aantal themamarkten in 2010 op het schelpenpad aan de Dreef. Tevens heeft het college [appellante] bij dat besluit een tijdelijke gebruiksvergunning verleend voor het houden van die markten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201106320/1/A3.

Datum uitspraak: 20 juni 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Haarlem,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 26 april 2011 in zaak nr. 10/5361 in het geding tussen:

[appellante]

en

de burgemeester van Haarlem.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 maart 2010 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlem aan [appellante] vergunning verleend voor het houden van een aantal themamarkten in 2010 op het schelpenpad aan de Dreef. Tevens heeft het college [appellante] bij dat besluit een tijdelijke gebruiksvergunning verleend voor het houden van die markten.

Bij ongedateerd besluit, verzonden op 26 augustus 2010 (hierna: het besluit van 26 augustus 2010), heeft de burgemeester, voor zover thans van belang, het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 april 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard voor zover bij dat besluit het bezwaar gericht tegen de gebruiksvergunning ongegrond is verklaard, dat besluit in zoverre vernietigd, en het beroep ongegrond verklaard voor zover bij dat besluit het bezwaar gericht tegen de vergunning voor het houden van themamarkten in 2010 ongegrond is verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 juni 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 9 juni 2011.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 juni 2012, waar [appellante] is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 152, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening van Haarlem (hierna: de Apv) is het verboden zonder vergunning van de burgemeester:

a. in of op een voor het publiek beperkt of onbeperkt toegankelijk gebouw of plaats een markt te organiseren of toe te laten, waar ter plaatse aanwezige goederen worden verhandeld;

b. toe te laten, te bevorderen of er gelegenheid toe te geven, dat in een dergelijk gebouw of plaats met een kraam, een tafel of soortgelijk middel standplaats wordt of is ingenomen om goederen aan publiek aan te bieden, te verkopen of te verstrekken.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Brandbeveiligingsverordening (hierna: de Bbv) is het verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het college van burgemeester en wethouders een inrichting in gebruik te hebben of te houden, waarin meer dan vijftig personen tegelijk aanwezig zullen zijn.

Ingevolge artikel 87 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: het RVV 1990), gelezen in verbinding met artikel 10, voor zover thans van belang, kan door het bevoegd gezag ontheffing worden verleend van het voorschrift dat andere bestuurders dan die genoemd in de artikelen 5 tot en met 8 de rijbaan gebruiken en hun voertuig niet mogen parkeren op het trottoir, het voetpad, het fietspad, het fiets/bromfietspad of het ruiterpad.

Ingevolge artikel 1, onder h, van het RVV 1990, gelezen in verbinding met artikel 18, eerste lid, onder d, van de Wegenverkeerswet 1994, is het college van burgemeester en wethouders het bevoegd gezag voor zover het verkeer betreft op andere wegen dan wegen onder beheer van het Rijk, een provincie of een waterschap.

2.2. [appellante] organiseert jaarlijks een aantal markten met het thema "Antiek" en "Huis en Tuin" op het schelpenpad aan de Dreef. Bij het besluit van 18 maart 2010 heeft het college haar voor het jaar 2010 daartoe een themamarktvergunning verleend, als bedoeld in artikel 152 van de Apv, en een gebruiksvergunning, als bedoeld in artikel 3 van de Bbv. Voorschrift 23 van de themamarktvergunning luidt: "Auto's van deelnemers aan de themamarkt mogen alleen in de lengterichting achter de kraam geparkeerd worden (max. 1 auto per kraam) en dienen te zijn voorzien van een ontheffing ex. artikel 87 RVV." Tevens is in dat besluit vermeld dat [appellante] de reeds door haar ingediende aanvraag om een ontheffing dient aan te vullen, omdat zij niet per kenteken een ontheffing heeft aangevraagd. Zonder deze aanvulling kan de aanvraag niet in behandeling worden genomen, aldus het college.

Bij het besluit van 26 augustus 2010 heeft de burgemeester het bezwaar van [appellante] dat er geen aanleiding is haar een gebruiksvergunning te verlenen en daarvoor leges in rekening te brengen ongegrond verklaard. Tevens heeft hij de aanbeveling uit het advies van de commissie beroep- en bezwaarschriften van 15 juli 2010 overgenomen om te bezien of één ontheffing kan worden verleend op grond van artikel 87 van het RVV 1990 voor alle themamarkten en voor alle auto's en bestelbussen die op deze markten worden geplaatst. Bij brief van 27 januari 2011 heeft het Afdelingshoofd Omgevingsvergunning aan [appellante] medegedeeld dat artikel 87 van het RVV 1990 niet toestaat dat één ontheffing voor twee of meer voertuigen wordt verleend en dat er geen mogelijkheden bestaan van die bepaling af te wijken. Bij brief van 31 januari 2011 heeft de burgemeester [appellante] bericht zich bij de inhoud van de brief van 27 januari 2011 aan te sluiten.

2.3. De rechtbank heeft overwogen dat ten onrechte de burgemeester heeft beslist op het bezwaar tegen de verlening van de gebruiksvergunning, aangezien het college daartoe het bevoegde orgaan is. Zij heeft het besluit van 26 augustus 2010 daarom in zoverre vernietigd en overwogen dat het college alsnog op dat bezwaar moet beslissen.

De rechtbank heeft verder overwogen dat ten onrechte het college heeft beslist op de aanvraag om een themamarktvergunning, aangezien de burgemeester daartoe het bevoegde orgaan is. Aangezien de burgemeester het besluit van 26 augustus 2010 heeft genomen, acht de rechtbank dat bevoegdheidsgebrek in bezwaar hersteld.

De rechtbank heeft voorts overwogen dat het college bij het besluit van 18 maart 2010 geen besluit heeft genomen op de aanvraag van [appellante] om een ontheffing als bedoeld in artikel 87 van het RVV 1990. Aangezien de burgemeester daarvoor niet het bevoegde orgaan is, kan volgens de rechtbank evenmin worden geoordeeld dat bij het besluit van 26 augustus 2010 een dergelijke ontheffing is verleend of geweigerd. De rechtbank heeft de gronden van [appellante] die verband houden met de ontheffing daarom niet inhoudelijk beoordeeld.

2.4. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat uit het besluit van 26 augustus 2010 blijkt dat het college heeft ingestemd met het advies van de commissie beroep- en bezwaarschriften, zodat dat besluit kan worden geacht mede te zijn genomen door het college.

Zij betoogt voorts dat de rechtbank eveneens heeft miskend dat in het besluit van 18 maart 2010 is gesteld dat een ontheffing per kenteken moet worden aangevraagd, welk standpunt is gehandhaafd in de correspondentie volgend op het besluit van 26 augustus 2010. Volgens [appellante] is dat standpunt zodanig verweven met de themamarktvergunning, dat haar bezwaren daartegen in deze procedure aan de orde dienen te kunnen komen.

2.4.1. Het besluit van 26 augustus 2010 is alleen ondertekend door de burgemeester. In dat besluit heeft hij, voor zover thans van belang, het volgende vermeld: "Aangezien niet het college van burgemeester en wethouders maar ik het bevoegde bestuursorgaan ben, is het bezwaarschrift aan mij doorgezonden." en "Mijn besluit is gebaseerd op het bijgaande advies van de Kamer uit de commissie beroep- en bezwaarschriften van 15 juli 2010. Met dit advies en de overwegingen die daaraan ten grondslag liggen, stemt het college in." Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat deze laatste zin, die gelet op de rest van het besluit zeer wel een verschrijving zou kunnen zijn, geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het besluit van 26 augustus 2010 mede is genomen door het college. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de burgemeester dit oordeel van de rechtbank heeft onderschreven.

2.4.2. De Afdeling is eveneens met de rechtbank van oordeel dat de ter toetsing voorliggende besluitvorming geen betrekking heeft op de verlening van een ontheffing als bedoeld in artikel 87 van het RVV 1990. De rechtbank heeft in dat verband terecht overwogen dat voorschrift 23 van de themamarktvergunning niet meer bepaalt dan dat bestuurders van voertuigen over een dergelijke ontheffing dienen te beschikken indien zij hun voertuigen ter plaatse willen parkeren. Dit voorschrift vloeit voort uit het ter plaatse geldende parkeerverbod en geldt ook indien er geen themamarkt wordt gehouden. Het voorschrift staat in zoverre los van de vergunningverlening. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat het college, gelet op de bewoordingen van het besluit van 18 maart 2010, bij dat besluit nog geen beslissing heeft genomen op de door [appellante] ingediende aanvraag om een ontheffing. De burgemeester heeft bij het besluit van 26 augustus 2010 evenmin een dergelijke beslissing genomen, daargelaten dat hij daartoe ook niet bevoegd is.

De mededeling van het college in het besluit van 18 maart 2010 dat artikel 87 van het RVV 1990 meebrengt dat per kenteken een ontheffing dient te worden aangevraagd, betreft een oordeel over de uitleg van die bepaling en heeft als zodanig geen rechtsgevolg. Een dergelijk oordeel is in beginsel geen besluit waartegen rechtsmiddelen kunnen worden aangewend. Dit is slechts anders indien het doen van een aanvraag om een ontheffing voor [appellante] onevenredig bezwarend zou zijn. Naar het oordeel van de Afdeling is dat niet het geval. Het achterhalen van de kentekens van de marktkooplieden om de aanvraag aan te vullen, hetgeen enige tijd en moeite vergt, kan niet als onevenredig bezwarend worden aangemerkt. Gelet hierop kan [appellante] haar bezwaren tegen de uitleg van artikel 87 van het RVV 1990 naar voren brengen in een eventueel op een beslissing op haar aanvraag volgende bezwaarprocedure.

2.4.3. Gezien het voorgaande, falen de betogen.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. D. Roemers en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.G. Biharie, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Biharie

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2012

611.