Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW8825

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-06-2012
Datum publicatie
20-06-2012
Zaaknummer
201204933/2/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 juli 2011 heeft de staatssecretaris geweigerd [wederpartij] een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) te verlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201204933/2/A3.

Datum uitspraak: 14 juni 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verzoeker,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 mei 2012 in zaak

nr. 11/5021 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te Spijkenisse,

en

de staatssecretaris.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 juli 2011 heeft de staatssecretaris geweigerd [wederpartij] een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) te verlenen.

Bij besluit van 11 oktober 2011 heeft de staatssecretaris het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 mei 2012, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 11 oktober 2011 vernietigd, het besluit van 15 juli 2011 herroepen, de VOG aan [wederpartij] verleend, onder de gehoudenheid van de staatssecretaris om binnen vijf werkdagen na verzending van de uitspraak daaraan uitvoering te geven, en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 mei 2012, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 4 juni 2012.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 mei 2012, heeft de staatssecretaris de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 7 juni 2012, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. R. Faasse, werkzaam bij het ministerie, en [wederpartij], bijgestaan door mr. D. Duijvelshoff, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het verzoek strekt ertoe dat bij wijze van voorlopige voorziening wordt bepaald dat de staatssecretaris in afwachting van de uitspraak in hoger beroep geen uitvoering hoeft te geven aan de aangevallen uitspraak.

2.3. Volgens de aangevallen uitspraak dient de staatssecretaris gevolg te geven aan het besluit om [wederpartij] een VOG te verlenen. Gelet op hetgeen de staatssecretaris ter motivering van het hoger beroep heeft aangevoerd en op het verhandelde ter zitting, is voorshands echter niet buiten twijfel dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep onverkort in stand zal blijven. Om deze reden ziet de voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie geen gevolg hoeft te geven aan de in hoger beroep bestreden uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 mei 2012 in zaak nr. 11/5021, totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. de Vries, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. De Vries

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2012

582-730.