Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW8824

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-06-2012
Datum publicatie
20-06-2012
Zaaknummer
201200403/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 november 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Didam, Lockhorststraat/Rozenstraat" (hierna: het plan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201200403/1/R2.

Datum uitspraak: 20 juni 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, wonend te Arnhem onderscheidenlijk te Didam, gemeente Montferland,

en

de raad van de gemeente Montferland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 november 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Didam, Lockhorststraat/Rozenstraat" (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 januari 2012, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 mei 2012, waar [appellant] en anderen, van wie [gemachtigde] in persoon en bijgestaan door drs. J.H.J.M. Sträter, en de raad, vertegenwoordigd door W. van Beek MSc, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

Het plan

2.1. Het plan maakt de realisatie mogelijk van twintig zorgappartementen en zes patiobungalows. Het plangebied ligt aan de rand van het centrum van Didam en is gelegen in een woonomgeving. Het plangebied wordt aan de oostzijde begrensd door de Rozenstraat, aan de zuidzijde door de Hoofdstraat, aan de westzijde door de Lockhorststraat en aan de noordzijde door het fiets- en voetpad dat tussen de naastgelegen woningen van [appellant] en anderen en een deel van het naastgelegen park is gelegen.

Structuurvisie

2.2. [appellant] en anderen betogen dat het plan niet voldoet aan het in de "Structuurvisie en Beeldkwaliteitplan Didam" (hierna: de structuurvisie) neergelegde beleid dat de architectuur van de zorgappartementen aansluit bij de Rozenstraat. [appellant] en anderen betogen voorts dat in de bestektekening van 28 mei 2010 niet wordt voldaan aan het in de structuurvisie neergelegde beleid dat er een geleidelijke overgang naar de naastgelegen woningen plaatsvindt. Zij voeren in dat verband aan dat de achtergevel van de zorgappartementen 6,5 m hoog is en dat deze zeer dicht op de erfgrens ligt. Ook voeren zij aan dat er vanuit het zorgappartementencomplex direct zicht is op de bestaande bungalows en tuinen, omdat er in de achtergevel drie ramen en een balkon aan de zijkant zijn voorzien.

2.2.1. Voor de herontwikkeling van de zuidzijde van het Lockhorstpark geldt volgens pagina 27 van de structuurvisie dat de nieuwe bebouwing wat betreft architectuur aansluit bij de bestaande bebouwing aan de Rozenstraat en voorts dat de overgang naar de bestaande naastgelegen bebouwing geleidelijk plaatsvindt, bijvoorbeeld door middel van geleding.

2.2.2. De Afdeling stelt voorop dat het de raad vrijstaat om bij het vaststellen van een bestemmingsplan te kiezen voor een invulling van een perceel die afwijkt van die van het voorgaande bestemmingsplan. Daarbij dient onder meer een toets aan het relevante gemeentelijke beleid, zoals neergelegd in de structuurvisie plaats te vinden. Voor zover de beoogde ontwikkeling daarmee in strijd is, betekent dat niet dat de voorziene ontwikkeling reeds om die reden niet mogelijk gemaakt kan worden. Een afwijking van het beleid dient voldoende te zijn gemotiveerd.

2.2.3. In de onderhavige procedure ligt alleen de vaststelling van het bestemmingsplan voor. Het beroep van [appellant] en anderen voor zover gericht tegen de architectuur van de nog te realiseren zorgappartementen kan daarom niet in deze procedure aan de orde komen.

2.2.4. De aanwezige bebouwing aan de Lockhorststraat en de Hoofdstraat is uitgevoerd in één bouwlaag met kap of twee bouwlagen met kap. Er is sprake van een ruimtelijk verantwoorde inpassing van de zorgappartementen, omdat de hoogte van de zorgappartementen beperkt zal blijven tot twee bovengrondse bouwlagen en het uitzicht van de zorgappartementen op de aangrenzende patiobungalows deels wordt belemmerd door begroeiing en bomen, aldus de raad.

De raad heeft er voorts op gewezen dat voor de herontwikkeling van de zuidzijde van het Lockhorstpark volgens pagina 27 van de structuurvisie in verband met de aanwezige woningen ter plaatse van de Rozenstraat een maximale bouwhoogte geldt van 2,5 bouwlaag zonder kap, waarvan een halve laag bestemd is voor verdiept parkeren. De raad heeft ter zitting toegelicht dat de twee bouwlagen noodzakelijk zijn in verband met de benodigde ruimte voor de zorgfunctie van de appartementen.

Voorts heeft de raad ten aanzien van het feit dat de patiobungalows ter plaatse van [locatie 1] en [locatie 2] op kortere afstand van de te realiseren zorgappartementen zijn gelegen dan de woningen aan de Lockhorststraat en de Rozenstraat toegelicht, dat het om stedenbouwkundige redenen niet mogelijk is om de zorgappartementen meer in het zuidelijke deel van het plangebied te situeren in verband met de gewenste wadi's en de zogenoemde 'kiss and ride-zone'.

Gelet op het voorgaande geeft hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in het plan voorziene bebouwing is afgestemd op de omgeving en dat de structuurvisie niet in de weg staat aan de bouwhoogte en locatie van de zorgappartementen zoals het plan die mogelijk maakt.

Bomenkap

2.3. [appellant] en anderen stellen dat tien bomen langs het voetpad tussen de te realiseren zorgappartementen en de woningen van [appellant] en anderen zullen worden gekapt, nu de woonbestemming is toegekend tot aan het voetpad. [appellant] en anderen betogen dat hierdoor een deel van de groenbestemming en de historische lijn naar het centrum zullen verdwijnen.

2.3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat onvermijdelijk is dat voor het plan enkele bomen zullen worden gekapt. Er is naar de raad stelt echter zorgvuldig naar het bomenbestand gekeken en geïnventariseerd welke bomen behoudenswaardig zijn. Voor een aantal bomen bestaat volgens de raad geen aanleiding voor kap. Ook zijn naar de raad stelt enkele afspraken gemaakt met de direct omwonenden van het plangebied ten aanzien van het kappen van bomen, welke afspraken zijn vastgelegd in een bijlage bij het zienswijzenverslag. De raad merkt op dat er een aparte procedure zal worden gevolgd in het kader van de benodigde kapvergunningen. De raad stelt zich op het standpunt dat de historische lijn naar het centrum gehandhaafd blijft en door het opruimen van het terrein en de nieuwe inrichting zelfs een nieuwe impuls krijgt.

2.3.2. Uit bijlage 1 bij de plantoelichting en het verhandelde ter zitting is gebleken dat voor de uitvoering van het plan ten minste vier bomen langs het voetpad dienen te worden gekapt. [appellant] en anderen hebben evenwel niet aannemelijk gemaakt dat de raad aan het belang dat met de in het plan voorziene ontwikkelingen wordt gediend, in redelijkheid geen overwegende betekenis heeft kunnen toekennen tegenover het belang deze bomen te behouden. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad onweersproken heeft gesteld dat de betreffende bomen niet behoudeniswaardig zijn en dat voorts uit bijlage 1 bij de plantoelichting en het verhandelde ter zitting is gebleken dat langs het voetpad in een groene inrichting zal worden voorzien. Voorts bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de historische lijn naar het centrum zal verdwijnen.

Vrij uitzicht

2.4. [appellant] en anderen stellen dat door de in het plan voorziene ontwikkelingen het vrije uitzicht ter plaatse van [locatie 1] en [locatie 2] zal komen te vervallen.

2.4.1. Ten aanzien van het verlies aan uitzicht overweegt de Afdeling dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en planvoorschriften voor gronden vaststellen. [appellant] en anderen kunnen derhalve geen aanspraak maken op een blijvend vrij uitzicht.

De afstand tussen de woningen van [appellant] en anderen ter plaatse van [locatie 1] en [locatie 2] en de zorgappartementen bedraagt onderscheidenlijk ongeveer 9 en 14 meter. De bij deze woningen behorende tuinen zijn op ongeveer 7 meter afstand van de te realiseren zorgappartementen gelegen. De maximaal toegestane bouwhoogte voor de zorgappartementen bedraagt 7,3 meter.

In aanmerking genomen dat [appellant] en anderen vanuit de woningen ter plaatse van [locatie 1] en [locatie 2] een betrekkelijk vrij uitzicht genieten, kan naar het oordeel van de Afdeling niet worden ontkend dat als gevolg van het plan een verlies aan uitzicht voor hen zal optreden.

De raad heeft dit verlies aan uitzicht ten gevolge van het bestreden plandeel niet onevenredig nadelig behoeven te achten voor [appellant] en anderen. Hierbij heeft de raad van belang kunnen achten dat het plangebied, zoals ook uit pagina 25 van de structuurvisie blijkt, een inbreidingslocatie is in een stedelijke omgeving. In een dergelijke omgeving heeft de raad het mogelijk maken van bebouwing tot een maximale hoogte van 7,3 meter op een afstand van ongeveer 7 meter van de erfgrens van de woningen [locatie 1] en [locatie 2] niet onredelijk hoeven achten. Voorts heeft de raad hierbij van belang kunnen achten dat de bestaande woningen in de nabije omgeving reeds een maximale bouwhoogte hebben van 3 tot 10 meter en dat tussen de voorziene bebouwing en de woningen van [appellant] en anderen een groenhaag met enkele bomen is gelegen.

Foto

2.5. [appellant] en anderen stellen dat de foto op pagina 15 van de plantoelichting geen reëel beeld geeft van de bestaande situatie en dat de foto is genomen aan de andere kant van het park en niet aan de kant van de Rozenstraat/Lockhorststraat.

2.5.1. In het zienswijzenverslag merkt de raad hierover op dat de foto is overgenomen uit de structuurvisie. De raad stelt dat de foto niet de intentie heeft om de situatie op de hoek van Rozenstraat/Lockhorststraat weer te geven, maar een beeld geeft van de huidige situatie in het Lockhorstpark.

2.5.2. Gelet op hetgeen de raad heeft aangevoerd en nu ook uit het onderschrift bij de foto blijkt dat deze een beeld geeft van de huidige situatie in het Lockhorstpark, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan in zoverre heeft vastgesteld op basis van een onjuiste voorstelling van de feitelijke situatie ter plaatse.

Zienswijze

2.6. Voor zover [appellant] en anderen zich in hun beroepschrift en ter zitting hebben beperkt tot de enkele stelling dat de raad in de besluitvorming van het plan geen rekening heeft gehouden met de door hen ingediende zienswijze, overweegt de Afdeling dat zij dit niet nader hebben onderbouwd. Nu de raad deze zienswijze gemotiveerd heeft weerlegd, ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad er onvoldoende blijk van heeft gegeven dat hij de belangen van [appellant] en anderen en de overige omstandigheden van dit geval bij het bestreden besluit heeft betrokken.

2.7. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Plambeck

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2012

159-743.