Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW8822

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-06-2012
Datum publicatie
20-06-2012
Zaaknummer
201109999/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 januari 2010 heeft het college geweigerd aan [appellant] een reguliere bouwvergunning eerste fase te verlenen en een projectbesluit te nemen voor het verbouwen en renoveren van de woning op het perceel [locatie 1] te Hoek (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201109999/1/A1.

Datum uitspraak: 20 juni 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Hoek, gemeente Terneuzen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 4 augustus 2011 in zaak nr. 10/727 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Terneuzen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 januari 2010 heeft het college geweigerd aan [appellant] een reguliere bouwvergunning eerste fase te verlenen en een projectbesluit te nemen voor het verbouwen en renoveren van de woning op het perceel [locatie 1] te Hoek (hierna: het perceel).

Bij besluit van 21 juli 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 augustus 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 september 2011, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 mei 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. A.B. Verhage, en het college, vertegenwoordigd door N.E.M. van Hurck, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in het renoveren en vernieuwen van een vervallen woning op het perceel. Het perceel is sinds 1977 bij [appellant] in gebruik voor het agrarische bedrijf dat hij uitoefent op het perceel [locatie 2] te Hoek, waar hij ook zijn bedrijfswoning heeft.

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Westerschelde Oeververbinding, 1e wijzigings- c.q. uitwerkingsplan"(hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Agrarisch gebied, klasse a (Aa)" met de aanduiding "cultuurmonument".

Ingevolge artikel 14, lid A, van de planvoorschriften zijn de betreffende gronden bestemd voor agrarische bedrijfsvoering van agrarische bedrijven, met de daarbij behorende agrarische bedrijfsgebouwen, kassen, agrarische bedrijfswoningen, andere bouwwerken en open erven.

Ingevolge het bepaalde in lid B, onder a, van dit artikel dient alle bebouwing behorende tot een agrarisch bedrijf, kassen en ondergeschikte bedrijfsbebouwing zoals schuilhokjes en melkstallen uitgezonderd, te worden geconcentreerd op een bouwperceel van maximaal 1 ha.

Ingevolge het bepaalde in lid B, onder b, mag bij ieder agrarisch bedrijf niet meer dan één agrarische bedrijfswoning worden gebouwd, voor zover niet reeds een woning aanwezig is.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de bouwvergunning op oneigenlijke gronden is geweigerd omdat het gaat om het verbouwen en renoveren van een bestaande woning. Het bouwplan betreft volgens [appellant] geen tweede bedrijfswoning, maar een bestaande situatie waarbij twee agrarische bouwvlakken met elk een eigen bestaande bedrijfswoning tot een en dezelfde agrarische bedrijfsvoering behoren. [appellant] stelt tevens dat de rechtbank ten onrechte uitgaat van een persoonsgebonden bestemming waarbij alleen sprake is van een bedrijfswoning zolang de eigenaar elders geen andere bedrijfswoningen heeft.

2.3.1. Ter zitting is komen vast te staan dat met het bouwplan is beoogd de woning in gebruik te nemen als bedrijfswoning. Anders dan [appellant] stelt, is de rechtbank in haar uitspraak niet uitgegaan van een persoonsgebonden bestemming. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het college bij de toetsing van het bouwplan aan artikel 14 van de planvoorschriften terecht tot de conclusie is gekomen dat met het bouwplan een tweede bedrijfswoning ontstaat, gelet op het feit dat het perceel onderdeel uitmaakt van het agrarisch bedrijf, gevestigd op het perceel [locatie 2], alwaar reeds een bedrijfswoning staat, die door [appellant] wordt bewoond. Van voortzetting van een bestaande situatie is geen sprake, aangezien met het renoveren en vernieuwen van de vervallen woning een tweede bedrijfswoning bij het agrarisch bedrijf van [appellant] ontstaat, en niet een eerste bedrijfswoning ten behoeve van een zelfstandig agrarisch bedrijf gevestigd op het onderhavige perceel. Het bouwplan is derhalve in strijd met artikel 14, lid B, onder b, van de planvoorschriften dat bepaalt dat slechts één bedrijfswoning per agrarisch bedrijf is toestaan. Of al dan niet sprake is van een bestaande woning, is bij de uitleg van voormelde bepaling in zoverre niet van belang.

Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college het bouwplan terecht in strijd heeft geacht met het bestemmingsplan. Het betoog faalt.

2.4. [appellant]betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte meer gewicht heeft toegekend aan het financiële argument van het college dat in geval van een toekomstige havenontwikkeling de aankoop van de woning na renovatie duurder wordt. Bovendien is bedoelde ontwikkeling niet opgenomen in formele ruimtelijke structuurvisies, aldus [appellant]. Hij stelt tevens dat moet worden uitgegaan van het meest doelmatige gebruik als woning, en dat er geen dwingende redenen zijn om daar in dit geval van af te wijken.

2.4.1. Het besluit om al dan niet een projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10 van de Wet ruimtelijke ordening te nemen behoort tot de bevoegdheid van de raad, waarbij de raad beleidsvrijheid heeft en de rechter de besluitvorming terughoudend moet toetsen, dat wil zeggen zich moet beperken tot de vraag of de gemeenteraad in redelijkheid tot zijn besluit op het verzoek om een projectbesluit heeft kunnen komen.

In dit geval heeft de raad de bevoegdheid tot het nemen van een projectbesluit gedelegeerd aan het college.

2.4.2. Het college heeft in redelijkheid kunnen besluiten vast te houden aan het uitgangspunt van het bestemmingsplan, dat per agrarisch bedrijf één bedrijfswoning is toegestaan. Bij zijn weigering medewerking te verlenen aan het bouwplan heeft het college voorts in aanmerking kunnen nemen dat [appellant] de noodzaak voor een tweede bedrijfswoning niet heeft aangetoond. De overige argumenten, met betrekking tot toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van het perceel, kunnen gelet hierop verder buiten bespreking blijven. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, worden geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in redelijkheid heeft kunnen weigeren ten behoeve van het bouwplan een projectbesluit te nemen. Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Spoel w.g. Van Dorst

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2012

357-702.