Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW8613

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-06-2012
Datum publicatie
18-06-2012
Zaaknummer
201204991/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nu de door de minister ter zitting bij de Rb. gegeven toelichting evenwel nieuwe bewaringsgronden behelst die niet in het besluit tot oplegging van de bewaring zijn vermeld en niet zijn te relateren aan de twee aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden, heeft de Rb. deze toelichting ten onrechte betrokken bij haar beoordeling of de gronden van bewaring voldoende dragend zijn. Niet in geschil is dat de vreemdeling wordt verdacht van het plegen van winkeldiefstal. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 12 april 2012 in zaak nr. 201200612/1/V3, www.raadvanstate.nl) komt aan deze grond geen betekenis toe, ook niet in samenhang met de andere aan de bewaring ten grondslag gelegde grond, nu het strafbare feit niet is gerelateerd aan de terugkeer of uitzetting en daarom geen aanleiding geeft om aan te nemen dat er een risico bestaat dat de vreemdeling zich zal onttrekken aan het toezicht, terwijl van bijkomende aanwijzingen voor het bestaan van dit risico niet is gebleken. De Rb. heeft derhalve niet onderkend dat de verdenking van het plegen van een misdrijf niet aan de maatregel ten grondslag kon worden gelegd.

Gelet op het voorgaande rust de maatregel van bewaring slechts nog op het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats. Nu ingevolge artikel 5.1b, tweede lid, van het Vb 2000 niet aan de voorwaarden voor inbewaringstelling, bedoeld in artikel 5.1a, eerste lid, wordt voldaan indien slechts één van de feiten en omstandigheden, bedoeld in het eerste lid, van toepassing is, heeft de Rb. reeds hierom ten onrechte overwogen dat de minister heeft kunnen concluderen dat een risico bestaat dat de vreemdeling zich zal onttrekken aan het toezicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201204991/1/V3.

Datum uitspraak: 12 juni 2012

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

(de vreemdeling),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 10 mei 2012 in zaak nr. 12/13914 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2012 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 10 mei 2012, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 16 mei 2012, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Voor zover de vreemdeling in de eerste en tweede grief betoogt dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak niet heeft onderkend dat hij zich in zijn vrije termijn bevond, kan dit niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de

Vw 2000), met dat oordeel volstaan.

2.2. In de eerste en tweede grief klaagt de vreemdeling voorts, samengevat weergegeven, dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak ten onrechte heeft overwogen dat hem kan worden tegengeworpen dat hij Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen en zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen als bedoeld in hoofdstuk 4 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) heeft gehouden, waardoor hij zich aan het toezicht heeft onttrokken.

Onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van

21 maart 2011 in zaak nr. 201100555/1/V3, van 14 juni 2011 in zaak nr. 201103121/1/V3 en van 5 augustus 2011 in zaak nr. 201101860/1/V3 (alle www.raadvanstate.nl) klaagt de vreemdeling tevens dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats en het verdacht zijn van een misdrijf zonder een nadere, op hem toegespitste motivering niet aan de maatregel ten grondslag konden worden gelegd. Uit de verdenking van het plegen van een winkeldiefstal kan niet geconcludeerd worden dat hij de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert, aldus de vreemdeling.

2.2.1. In de maatregel van bewaring is aangegeven dat de maatregel wordt gevorderd door het belang van de openbare orde omdat er een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken. Daaraan is ten grondslag gelegd dat de vreemdeling:

- geen vaste woon- of verblijfplaats heeft, en

- verdacht is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.

De minister heeft ter zitting van de rechtbank toegelicht dat de vreemdeling Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen en zich niet heeft aangemeld.

2.2.2. Bij de beoordeling van de gronden van de bewaring dient te worden uitgegaan van de omstandigheden die in het besluit tot oplegging van de bewaring zijn vermeld, maar dit doet er niet aan af dat de minister, ter zitting van de rechtbank dan wel anderszins, kan toelichten waarom de in de maatregel vermelde gronden hem aanleiding hebben gegeven de vreemdeling in bewaring te stellen. Deze toelichting dient vervolgens te worden betrokken bij de beoordeling of, voor zover thans van belang, er een risico bestaat dat de betrokken vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken.

Nu de door de minister ter zitting bij de rechtbank gegeven toelichting evenwel nieuwe bewaringsgronden behelst die niet in het besluit tot oplegging van de bewaring zijn vermeld en niet zijn te relateren aan de twee aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden, heeft de rechtbank deze toelichting ten onrechte betrokken bij haar beoordeling of de gronden van bewaring voldoende dragend zijn.

2.2.3. Niet in geschil is dat de vreemdeling wordt verdacht van het plegen van winkeldiefstal. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 12 april 2012 in zaak nr. 201200612/1/V3, www.raadvanstate.nl) komt aan deze grond geen betekenis toe, ook niet in samenhang met de andere aan de bewaring ten grondslag gelegde grond, nu het strafbare feit niet is gerelateerd aan de terugkeer of uitzetting en daarom geen aanleiding geeft om aan te nemen dat er een risico bestaat dat de vreemdeling zich zal onttrekken aan het toezicht, terwijl van bijkomende aanwijzingen voor het bestaan van dit risico niet is gebleken.

De rechtbank heeft derhalve niet onderkend dat de verdenking van het plegen van een misdrijf niet aan de maatregel ten grondslag kon worden gelegd.

2.2.4. Gelet op het voorgaande rust de maatregel van bewaring slechts nog op het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats. Nu ingevolge artikel 5.1b, tweede lid, van het Vb 2000 niet aan de voorwaarden voor inbewaringstelling, bedoeld in artikel 5.1a, eerste lid, wordt voldaan indien slechts één van de feiten en omstandigheden, bedoeld in het eerste lid, van toepassing is, heeft de rechtbank reeds hierom ten onrechte overwogen dat de minister heeft kunnen concluderen dat een risico bestaat dat de vreemdeling zich zal onttrekken aan het toezicht.

De grieven slagen in zoverre. De maatregel is van aanvang af onrechtmatig.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen voor het overige is aangevoerd behoeft geen verdere bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen de maatregel van 24 april 2012 alsnog gegrond verklaren. Nu de vrijheidsontnemende maatregel reeds is opgeheven, kan een daartoe strekkend bevel achterwege blijven. Aan de vreemdeling wordt met toepassing van artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000 na te melden vergoeding toegekend over de periode van 24 april 2012 tot 7 mei 2012, de dag waarop de vrijheidsontnemende maatregel is opgeheven.

2.4. De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 10 mei 2012 in zaak nr. 12/13914;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 815,00 (zegge: achthonderdvijftien euro), ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de secretaris van de Raad van State;

V. veroordeelt de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.311,00 (zegge: dertienhonderdelf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient aan de secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 56.99.94.977) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. M.A.A. Mondt Schouten, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin

voorzitter w.g. Van Dokkum

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2012

480-699.

Verzonden: 12 juni 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser