Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW8603

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-06-2012
Datum publicatie
18-06-2012
Zaaknummer
201108164/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In verweer heeft de vreemdeling zich op het standpunt gesteld dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is, omdat de senior procesvertegenwoordiger die het hogerberoepschrift heeft ondertekend, niet bevoegd was om namens de minister hoger beroep in te stellen. Volgens hem was het hoofd van de Immigratie- en Naturalisatiedienst

(hierna: de IND), dat de senior procesvertegenwoordiger heeft gemachtigd om hoger beroep in te stellen, daartoe niet bevoegd, nu in artikel 3, tweede lid, van de Mandaatregeling Ministerie van Veiligheid en Justitie 2011 (Stcrt. 2011, 22850) is bepaald dat ondermandaat, waarmee het verlenen van machtigingen is gelijkgesteld, steeds één hiërarchisch niveau kan worden doorgegeven. Het hoofd van de IND had niet de senior procesvertegenwoordiger, maar de hiërarchisch hoger geplaatste directeur Procesvertegenwoordiging dienen te machtigen om hoger beroep in te stellen. De directeur had vervolgens de senior procesvertegenwoordiger daartoe kunnen machtigen, aldus de vreemdeling.

Op 10 oktober 2010 is de Algemene ondermandaatregeling van het hoofd IND 2010 (Stcrt. 2010, 15171) in werking getreden. Het hoofd van de IND heeft bij artikel 3, gelezen in verbinding met artikel 1, eerste lid, van deze regeling en de daarbij behorende lijst van onder hem ressorterende functionarissen, voor zover thans van belang, senior procesvertegenwoordigers van de Directie Procesvertegenwoordiging gemachtigd om rechtsmiddelen aan te wenden.

Op 14 oktober 2010 heeft een departementale herindeling plaatsgevonden als gevolg waarvan de aangelegenheden op het terrein van vreemdelingenzaken, met inbegrip van de IND, van het Ministerie van Justitie zijn overgegaan naar het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: BZK). De minister voor Immigratie en Asiel is belast met het beleid ten aanzien van vreemdelingenzaken betreffende immigratie en asiel en de uitvoering daarvan.

Ingevolge artikel 1 van de Tijdelijke regeling mandaat, volmacht en machtiging Immigratie en Asiel (Stcrt. 2010, 16591; hierna: de Tijdelijke regeling), voor zover thans van belang, worden mandaten, ondermandaten, volmachten en machtigingen die op 13 oktober 2010 van kracht waren ten behoeve van functionarissen van het Ministerie van Justitie aangemerkt als mandaten, ondermandaten, volmachten en machtigingen die zijn verleend door de minister van BZK dan wel de minister voor Immigratie en Asiel aan:

[…];

i. de hoofddirecteur van de IND;

[…];

k. de functionarissen aan wie door of namens de hoofddirecteur van de IND ondermandaat, volmacht of machtiging is verleend;

[…].

De Afdeling is van oordeel dat, gelet op laatstgenoemde bepaling, de door het hoofd van de IND aan de senior procesvertegenwoordiger verleende machtiging om hoger beroep in te stellen kan worden aangemerkt als rechtstreeks verleend door de minister, zodat de senior procesvertegenwoordiger reeds daarom bevoegd was om hoger beroep in te stellen. Anders dan de vreemdeling betoogt, bestaat geen grond voor het oordeel dat de Tijdelijke regeling niet van toepassing zou zijn op dergelijke machtigingen. Uit de bewoordingen van die regeling blijkt dat de minister heeft beoogd alle ondermandaten, volmachten en machtigingen, die vóór of op 13 oktober 2010 waren verleend door het hoofd van de IND, tot de zijne te maken. Gezien het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat de senior procesvertegenwoordiger die namens de minister het hogerberoepschrift heeft ingediend, daartoe niet bevoegd zou zijn. Daarom zal tot een inhoudelijke behandeling van het hoger beroep worden overgegaan.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2012/370 met annotatie van mr. W. van Bennekom
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201108164/1/V1.

Datum uitspraak: 11 juni 2012

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie en Asiel,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 29 juni 2011 in zaak nr. 09/21586 in het geding tussen:

(de vreemdeling)

en

de minister.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 mei 2009 heeft de staatssecretaris van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 29 juni 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister, thans: de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 27 juli 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Onder de minister wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2.2. In verweer heeft de vreemdeling zich op het standpunt gesteld dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is, omdat de senior procesvertegenwoordiger die het hogerberoepschrift heeft ondertekend, niet bevoegd was om namens de minister hoger beroep in te stellen. Volgens hem was het hoofd van de Immigratie- en Naturalisatiedienst

(hierna: de IND), dat de senior procesvertegenwoordiger heeft gemachtigd om hoger beroep in te stellen, daartoe niet bevoegd, nu in artikel 3, tweede lid, van de Mandaatregeling Ministerie van Veiligheid en Justitie 2011 (Stcrt. 2011, 22850) is bepaald dat ondermandaat, waarmee het verlenen van machtigingen is gelijkgesteld, steeds één hiërarchisch niveau kan worden doorgegeven. Het hoofd van de IND had niet de senior procesvertegenwoordiger, maar de hiërarchisch hoger geplaatste directeur Procesvertegenwoordiging dienen te machtigen om hoger beroep in te stellen. De directeur had vervolgens de senior procesvertegenwoordiger daartoe kunnen machtigen, aldus de vreemdeling.

2.2.1. Op 10 oktober 2010 is de Algemene ondermandaatregeling van het hoofd IND 2010 (Stcrt. 2010, 15171) in werking getreden. Het hoofd van de IND heeft bij artikel 3, gelezen in verbinding met artikel 1, eerste lid, van deze regeling en de daarbij behorende lijst van onder hem ressorterende functionarissen, voor zover thans van belang, senior procesvertegenwoordigers van de Directie Procesvertegenwoordiging gemachtigd om rechtsmiddelen aan te wenden.

Op 14 oktober 2010 heeft een departementale herindeling plaatsgevonden als gevolg waarvan de aangelegenheden op het terrein van vreemdelingenzaken, met inbegrip van de IND, van het Ministerie van Justitie zijn overgegaan naar het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: BZK). De minister voor Immigratie en Asiel is belast met het beleid ten aanzien van vreemdelingenzaken betreffende immigratie en asiel en de uitvoering daarvan.

Ingevolge artikel 1 van de Tijdelijke regeling mandaat, volmacht en machtiging Immigratie en Asiel (Stcrt. 2010, 16591; hierna: de Tijdelijke regeling), voor zover thans van belang, worden mandaten, ondermandaten, volmachten en machtigingen die op 13 oktober 2010 van kracht waren ten behoeve van functionarissen van het Ministerie van Justitie aangemerkt als mandaten, ondermandaten, volmachten en machtigingen die zijn verleend door de minister van BZK dan wel de minister voor Immigratie en Asiel aan:

[…];

i. de hoofddirecteur van de IND;

[…];

k. de functionarissen aan wie door of namens de hoofddirecteur van de IND ondermandaat, volmacht of machtiging is verleend;

[…].

De Afdeling is van oordeel dat, gelet op laatstgenoemde bepaling, de door het hoofd van de IND aan de senior procesvertegenwoordiger verleende machtiging om hoger beroep in te stellen kan worden aangemerkt als rechtstreeks verleend door de minister, zodat de senior procesvertegenwoordiger reeds daarom bevoegd was om hoger beroep in te stellen. Anders dan de vreemdeling betoogt, bestaat geen grond voor het oordeel dat de Tijdelijke regeling niet van toepassing zou zijn op dergelijke machtigingen. Uit de bewoordingen van die regeling blijkt dat de minister heeft beoogd alle ondermandaten, volmachten en machtigingen, die vóór of op 13 oktober 2010 waren verleend door het hoofd van de IND, tot de zijne te maken.

Gezien het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat de senior procesvertegenwoordiger die namens de minister het hogerberoepschrift heeft ingediend, daartoe niet bevoegd zou zijn. Daarom zal tot een inhoudelijke behandeling van het hoger beroep worden overgegaan.

2.3. In de grieven, in onderlinge samenhang bezien, klaagt de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het relaas van de vreemdeling positieve overtuigingskracht mist en derhalve ongeloofwaardig is. De minister betoogt daartoe dat de rechtbank, door haar eigen oordeel over de geloofwaardigheid van de verklaringen op dit punt in de plaats te stellen van dat van de minister, ten onrechte niet terughoudend heeft getoetst. Gelet op alle vage, summiere en bevreemdingwekkende verklaringen van de vreemdeling en met inachtneming van het toetsingskader van de positieve overtuigingskracht, heeft hij in redelijkheid het gehele asielrelaas ongeloofwaardig kunnen achten, aldus de minister.

2.3.1. De rechtbank heeft overwogen dat de minister artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) in redelijkheid aan de vreemdeling heeft kunnen tegenwerpen. Nu de vreemdeling geen hoger beroep heeft ingesteld, moet van de juistheid van die overweging worden uitgegaan.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 4 februari 2010 in zaak nr. 200904160/1/V3; www.raadvanstate.nl), zal voor de minister, indien hij een vreemdeling één van de omstandigheden, bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder a tot en met f, van de Vw 2000, heeft tegengeworpen, volgens paragraaf C14/3.4 (thans: C14/2.4) van de Vreemdelingencirculaire 2000 van de verklaringen van die vreemdeling positieve overtuigingskracht moeten uitgaan om de daarin gestelde feiten alsnog geloofwaardig te achten.

Zoals de Afdeling eveneens eerder heeft overwogen (uitspraak van 9 januari 2008 in zaak nr. 200706294/1; www.raadvanstate.nl) behoort de beoordeling van de geloofwaardigheid van de door een vreemdeling in zijn asielrelaas naar voren gebrachte feiten tot de verantwoordelijkheid van de minister en kan die beoordeling slechts terughoudend worden getoetst. De maatstaf voor die toetsing is niet het eigen oordeel van de rechter over de geloofwaardigheid van dat relaas, maar de vraag of grond bestaat voor het oordeel dat de minister, gelet op de motivering neergelegd in voornemen en besluit, bezien in het licht van de verslagen van de gehouden gehoren, de daarop aangebrachte correcties en aanvullingen en het gestelde in de zienswijze, niet in redelijkheid tot zijn oordeel over de geloofwaardigheid van dat relaas heeft kunnen komen.

2.3.2. In het besluit van 29 juni 2011 en het daarin ingelaste voornemen daartoe heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat, voor zover thans van belang, het asielrelaas positieve overtuigingskracht mist en derhalve niet geloofwaardig is. Hieraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat, voor zover thans van belang, het bevreemdend is dat de vreemdeling desgevraagd niet weet op welke dag zijn problemen zijn begonnen, te weten de dag waarop (naam) de spullen in de winkel van zijn vader achterliet, terwijl hij meer triviale informatie als de bestelling van (naam) wel precies kan noemen. Voorts zijn de verklaringen van de vreemdeling over de door zijn vader ontvangen dreigbrieven volgens de minister vaag, summier en niet aannemelijk. Zo heeft de vreemdeling verklaard dat hij de brieven nooit heeft gezien, dat hij niet bekend is met de inhoud van de brieven en dat hij niet weet van wie de brieven afkomstig zijn. De verklaringen van de vreemdeling over de beschieting van zijn vader heeft de minister evenzeer vaag, summier en niet aannemelijk geacht, omdat de vreemdeling niet zeker weet dat (naam) achter deze beschieting zit en dat hij niet precies weet wanneer deze beschieting heeft plaatsgevonden, terwijl deze gestelde beschieting voor hem de aanleiding is geweest om zijn land van herkomst te verlaten.

2.3.3. De rechtbank heeft overwogen dat, samengevat weergegeven en voor zover thans van belang, de minister zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het relaas van de vreemdeling positieve overtuigingskracht mist en derhalve ongeloofwaardig is. Daartoe heeft zij in aanmerking genomen dat de vreemdeling weliswaar niet de exacte datum waarop (naam) de spullen in de winkel achterliet kan noemen, maar dat hij deze datum met een kleine marge van enkele dagen heeft gegeven en op dit punt consistent heeft verklaard. Voorts heeft de rechtbank in dit verband van belang geacht dat de vreemdeling zijn kennis over de ontvangen dreigbrieven slechts van horen zeggen heeft, zodat de minister de vreemdeling niet in redelijkheid heeft kunnen tegenwerpen dat hij niet precies kan verklaren over de inhoud van de dreigbrieven, door wie ze zijn geschreven en hoe ze eruit zien. Verder heeft de rechtbank van belang geacht dat de vreemdeling weliswaar de vraag op welke datum zijn vader is beschoten, niet kan beantwoorden, doch dat hij consistent heeft verklaard dat de beschieting drie dagen na de ontvangst van de tweede dreigbrief plaatsvond en hij duidelijk heeft verklaard over het tijdstip en de plaats waar de beschieting heeft plaatsgevonden. Dat de vreemdeling niet weet wie zijn vader heeft neergeschoten kan de minister naar het oordeel van de rechtbank de vreemdeling in redelijkheid niet tegenwerpen. Het is aannemelijk dat de schutter(s) zich niet aan de vreemdeling of zijn familie bekend heeft/hebben gemaakt, aldus de rechtbank.

2.3.4. Door zich niet te beperken tot de toets of de door de minister in het besluit gegeven motivering diens standpunt kan dragen, maar die motivering onvoldoende te achten omdat naar haar oordeel de door de vreemdeling afgelegde verklaringen ook op andere wijze kunnen worden beoordeeld, heeft de rechtbank haar eigen oordeel over de geloofwaardigheid van het asielrelaas in de plaats gesteld van dat van de minister en in zoverre de rechterlijke toetsing niet met de vereiste terughoudendheid verricht. Gegeven voormeld toetsingskader en gezien de hiervoor onder 2.3.2. weergegeven motivering, bestaat geen grond voor het oordeel dat de minister zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het asielrelaas de vereiste positieve overtuigingskracht mist en daarom ongeloofwaardig is.

De grieven slagen.

2.4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Over het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 19 mei 2009 wordt overwogen dat, voor zover met het vorenoverwogene niet op de bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden is beslist, aan deze gronden niet wordt toegekomen. De rechtbank heeft over deze gronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen de vreemdeling in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van nauwe verwevenheid tussen het oordeel over deze gronden dan wel onderdelen van voormeld besluit waarop ze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze gronden vallen thans dientengevolge buiten het geschil.

2.5. Het inleidend beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 29 juni 2011 in zaak nr. 09/21586;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. D. Roemers en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Oudeboon van Rooij, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk

voorzitter w.g. Oudeboon-van Rooij

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2012

487.

Verzonden: 11 juni 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser