Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW8590

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-06-2012
Datum publicatie
18-06-2012
Zaaknummer
201100852/1/V1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De vreemdeling heeft er in beroep op gewezen dat haar kind minderjarig is en de Nederlandse nationaliteit bezit. De vreemdeling heeft voorts in beroep betoogd dat – samengevat weergegeven – haar kind niet in staat is zich zonder haar te handhaven en derhalve zijn verblijfsrechten, al dan niet tijdelijk, moet prijsgeven bij vertrek naar Ghana. De aangevallen uitspraak geeft evenwel geen blijk van toetsing van het besluit van 23 maart 2010 aan artikel 20 van het VWEU.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201100852/1/V1.

Datum uitspraak: 11 juni 2012

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

(de vreemdeling),

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 21 december 2010 in zaak nr. 10/14663 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister voor Immigratie en Asiel (hierna: de minister).

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 november 2009 heeft de staatssecretaris van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 23 maart 2010 heeft de minister van Justitie het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 21 december 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 18 januari 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister voor Immigratie en Asiel, thans: de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Onder minister wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2.2. De besluiten van 4 november 2009 en 23 maart 2010 zien op een verblijfvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met het uitoefenen van gezinsleven conform artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) bij (naam kind), geboren op (datum).

2.3. In de grieven, in onderlinge samenhang gelezen en samengevat weergegeven, klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat artikel 8 van het EVRM geen recht geeft op vrije domiciliekeuze en dat niet is gebleken van objectieve belemmeringen op grond waarvan van haar kind niet kan worden gevraagd haar te volgen naar haar land van herkomst, te weten Ghana. Daartoe voert de vreemdeling aan dat zij geen beroep heeft gedaan op het recht op vrije domiciliekeuze en het derhalve geen omstandigheid is die bij de belangenafweging dient te worden betrokken. De vreemdeling betoogt dat vrije domiciliekeuze in dit geval bovendien niet aan de orde is, nu haar minderjarig kind (naam kind) van rechtswege de Nederlandse nationaliteit heeft. Voorts heeft de rechtbank volgens de vreemdeling niet, dan wel onvoldoende, meegewogen dat haar kind minderjarig is, is geworteld in de Nederlandse samenleving, niet de Ghanese nationaliteit bezit en afhankelijk is van haar verzorging en opvoeding.

2.4. In het licht van de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) van 8 maart 2011, C-34/09, Ruiz Zambrano (hierna: het arrest Ruiz Zambrano) en van 15 november 2011, C-256/11, Dereci e.a. (hierna: het arrest Dereci) begrijpt de Afdeling de grieven aldus dat de vreemdeling met de door haar ingeroepen feiten en omstandigheden een beroep doet op artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU).

2.4.1. Ingevolge artikel 8:69, eerste lid, van de Awb doet de rechtbank uitspraak op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting.

Ingevolge het tweede lid vult de rechtbank ambtshalve de rechtsgronden aan. Ingevolge artikel 20, eerste lid, van het VWEU wordt een burgerschap van de Unie ingesteld. Burger van de Unie is een ieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit. Het burgerschap van de Unie komt naast het nationale burgerschap doch komt niet in de plaats daarvan. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, genieten de burgers van de Unie de rechten en hebben zij de plichten die bij de Verdragen zijn bepaald en hebben zij, onder andere, het recht zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14, worden afgewezen, indien de desbetreffende vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) die overeenkomt met het verblijfsdoel, waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd (hierna: het mvv-vereiste). Ingevolge artikel 17, eerste lid, aanhef en onder g, wordt de aanvraag niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv, indien het betreft een vreemdeling die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie. Ingevolge artikel 3.71, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 wordt de aanvraag afgewezen, indien de desbetreffende vreemdeling niet over een geldige mvv beschikt. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder l, is van het mvv-vereiste vrijgesteld een vreemdeling van wie uitzetting in strijd met artikel 8 van het EVRM zou zijn.

2.4.2. De vreemdeling heeft er in beroep op gewezen dat haar kind minderjarig is en de Nederlandse nationaliteit bezit. De vreemdeling heeft voorts in beroep betoogd dat – samengevat weergegeven – haar kind niet in staat is zich zonder haar te handhaven en derhalve zijn verblijfsrechten, al dan niet tijdelijk, moet prijsgeven bij vertrek naar Ghana. De aangevallen uitspraak geeft evenwel geen blijk van toetsing van het besluit van 23 maart 2010 aan artikel 20 van het VWEU.

2.5. Het hoger beroep is reeds gelet hierop kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 23 maart 2010 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, in zoverre daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

2.6. Gelet op hetgeen in 2.4.2 is overwogen, dient te worden getoetst of de minister bij zijn beoordeling vervat in het besluit van 23 maart 2010 artikel 20 van het VWEU in acht heeft genomen.

2.6.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 7 maart 2012 in zaak nr. 201108763/1/V2; www.raadvanstate.nl) is uit de overwegingen van het Hof in het arrest Dereci, waarin een nadere uitleg wordt gegeven van het arrest Ruiz Zambrano, af te leiden dat bij de beantwoording van de vraag of een burger van de Unie die gezinsleven uitoefent met een burger van een derde land, zijn uit artikel 20 van het VWEU voortvloeiende recht om op het grondgebied van de Unie te verblijven wordt ontzegd, slechts beperkte betekenis toekomt aan het recht op bescherming van het gezinsleven. Zoals volgt uit punt 68 en 69 van het arrest Dereci, wordt dit recht niet als zodanig door artikel 20 van het VWEU beschermd, maar door andere internationaal-, Unie , en nationaalrechtelijke regelingen en bepalingen, zoals artikel 8 van het EVRM, artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, Unierechtelijke verblijfsrichtlijnen en artikel 15 van de Vw 2000.

Bij de beantwoording van genoemde vraag is onder meer de wens van gezinsleden om als gezin in Nederland of in de Unie te verblijven dus eveneens van beperkt belang. De situatie dat de burger van de Unie zijn recht om op het grondgebied van de Unie te verblijven wordt ontzegd, doet zich slechts voor als de burger van de Unie zodanig afhankelijk is van de burger van een derde land, dat hij als gevolg van de besluitvorming van de minister geen andere keus heeft dan met de burger van het derde land buiten de Unie te verblijven.

2.6.2. De beantwoording van de vraag of de burger van het derde land aannemelijk heeft gemaakt dat zich deze situatie voordoet, vergt een beoordeling door de minister van de, gelet op artikel 4:2 van de Awb, door de burger van het derde land in de bestuurlijke fase aan te voeren, feiten en omstandigheden van het geval. De uitkomst van die beoordeling kan door de rechter zonder terughoudendheid worden getoetst.

2.6.3. Niet in geschil is dat het kind van de vreemdeling minderjarig is en de Nederlandse nationaliteit heeft en derhalve de status van burger van de Unie bezit, zodat het zich, ook ten opzichte van Nederland, op de bij die status behorende rechten kan beroepen. Nu de minister voorts bij zijn beoordeling vervat in het besluit van 23 maart 2010 onweersproken heeft gelaten dat de vreemdeling tijdens de hoorzitting van 17 februari 2010 heeft verklaard dat zij niet weet waar de biologische vader van haar kind verblijft – zodat niet duidelijk is of hij ten tijde van belang in een lidstaat van de Europese Unie verbleef – en dat er geen contact is tussen haar kind en zijn vader, alsmede dat zij heeft verklaard dat zij alleen voor haar kind zorgt en dat geen omgangsregeling is getroffen tussen haar kind en zijn vader, moet het ervoor worden gehouden dat het kind volledig te haren laste kwam. Gelet op het voorgaande heeft de minister in het besluit van 23 maart 2010 niet deugdelijk gemotiveerd waarom in dit geval het mvv vereiste aan de vreemdeling kan worden tegengeworpen.

2.7. Het beroep is reeds hierom gegrond. Hetgeen in beroep over artikel 8 van het EVRM en de artikelen 3 en 27, derde lid, van het Verdrag inzake de rechten van het kind is aangevoerd, behoeft thans geen bespreking. Het besluit komt wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking.

2.8. De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 21 december 2010 in zaak nr. 10/14663;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de minister van Justitie van 23 maart 2010, kenmerk 0502-03-0349;

V. veroordeelt de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.311,00 (zegge: dertienhonderdelf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel aan de vreemdeling het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 374,00 (zegge: driehonderdvierenzeventig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter w.g. Groeneweg

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2012

32-695.

Verzonden: 11 juni 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser