Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW8204

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-06-2012
Datum publicatie
13-06-2012
Zaaknummer
201111197/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbenden in deze zaak zijn appellant sub 1 en appellant sub 2 als aanvragers om nadeelcompensatie. De Rb. is bij de aangevallen uitspraak terecht tot de slotsom gekomen dat de door appellant sub 3, appellant sub 2 en appellant sub 4 gemaakte bezwaren niet-ontvankelijk dienden te worden verklaard aangezien zij geen aanvragers waren noch anderszins als belanghebbende bij de besluiten op de aanvragen om nadeelcompensatie waren aan te merken. Dat appellant sub 3 en appellant sub 2, zoals ter zitting is betoogd, beiden in persoon beschikken over de visrechten waarvan appellant sub 1 en appellant sub 2 gebruik maken, maakt niet dat hun belang rechtstreeks bij die besluiten was betrokken.

Aan appellant sub 1 is nadeelcompensatie toegekend op grond van de Regeling Nadeelcompensatie Rijkswaterstaat 1991 in verband met verminderde vangstopbrengsten door de aanleg van een slibdepot, bodemsanering, aanleg van natuurgebieden en dijkversterking op plaatsen waar door appellant sub 1 gevist wordt. De minister heeft zijn besluiten doen steunen op adviezen van de krachtens die Regeling ingestelde schadebeoordelingscommissie. Appellant sub 1 betwist de hoogte van die compensatie. Hij betoogt dat de Rb. ten onrechte onder verwijzing naar ABRS, 30 11 1998, H01970409/Q01 (LJN: ZF3683) heeft overwogen dat de minister van de juistheid van de adviezen van de schadecommissie mocht uitgaan. Hij voert aan dat het oordeel in die uitspraak over de daarin adviserende schadecommissie, inhoudende dat die is samengesteld uit deskundigen, dat inzichten van deskundigen in een geval als dit zijn gebaseerd op kennis en ervaring en dat een nadere onderbouwing van die inzichten niet in alle gevallen kan worden verlangd, niet één op één op ieder willekeurig geval kan worden toegepast. Volgens appellant sub 1 behelst die uitspraak geen algemene lijn in de jurisprudentie. De opvatting van appellant sub 1 dat de door de Rb. aangehaalde uitspraak van de Afdeling geen algemene lijn in de rechtspraak weergeeft, is onjuist. Uit de in die uitspraak gebruikte bewoordingen "in een geval als dit" volgt dat hetgeen de Afdeling daar heeft overwogen gelding heeft in alle gevallen als het geval waarover zij in de aangehaalde uitspraak heeft beslist. Aangezien de thans aan de orde zijnde zaak net als de genoemde uitspraak een verzoek om nadeelcompensatie betreft waarin een commissie van onafhankelijke deskundigen heeft geadviseerd, heeft de Rb. de aan de orde zijnde advisering terecht in het licht van die overweging van de Afdeling beoordeeld. Dat van een bestendige lijn kan worden gesproken valt af te leiden uit bijvoorbeeld ABRS, 07 11 2007, 200702978/1 (LJN: BB7294) en ABRS, 30 06 2010, 200907840/1/H2 (LJN: BM9640), waarin in vergelijkbare zaken in gelijke zin is overwogen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201111197/1/A2.

Datum uitspraak: 13 juni 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant sub 1] en [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], allen gevestigd dan wel wonende te Genemuiden, gemeente Zwartewaterland,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 12 september 2011 in zaak nr. 10/974 in het geding tussen:

[appellant sub 2], [appellant sub 2], [appellant sub 4], [appellant sub 1].

en

de minister van Verkeer en Waterstaat.

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 oktober 2005 heeft de minister aan [appellant sub 1] nadeelcompensatie toegekend tot een bedrag van € 44.582,23 wegens sanering van het Ketelmeer (oostelijk gedeelte) en € 100.637,49 wegens de natuurontwikkeling IJsselmonding.

Bij besluit van dezelfde datum heeft de minister aan [appellant sub 2] (hierna: [appellant sub 2]) nadeelcompensatie toegekend tot een bedrag van € 45.070,62 wegens sanering van het Ketelmeer, € 67.252,53 wegens de natuurontwikkeling IJsselmonding en € 5.423,45 wegens dijkversterking.

Bij besluit van 29 april 2010 heeft de minister, naar aanleiding van het respectievelijk door [appellant sub 1] en [appellant sub 3] en door [appellant sub 2] en [appellant sub 4] daartegen gemaakte bezwaar, de besluiten van 31 oktober 2005 gewijzigd in dier voege dat aan [appellant sub 1] € 254.527,08 en aan [appellant sub 2] € 212.014,68 wordt toegekend.

Bij uitspraak van 12 september 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het besluit van 29 april 2010 vernietigd, voor zover daarbij de bezwaren van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 4] ontvankelijk zijn verklaard en die bezwaren alsnog niet-ontvankelijk verklaard, alsmede de tegen het besluit van 29 april 2010 door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 oktober 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 21 november 2011.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 april 2012, waar [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 3] en [appellant sub 4], vertegenwoordigd door mr. S. Maakal, advocaat te Heerenveen, bijgestaan door [gemachtigde], en de minister, vertegenwoordigd door mr. A.C. Rop, advocaat te Den Haag, bijgestaan door mr. J.W. Oosting.

2. Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1. Belanghebbenden in deze zaak zijn [appellant sub 1] en [appellant sub 2] als aanvragers om nadeelcompensatie. De rechtbank is bij de aangevallen uitspraak terecht tot de slotsom gekomen dat de door [appellant sub 3], [appellant sub 2] en [appellant sub 4] gemaakte bezwaren niet-ontvankelijk dienden te worden verklaard aangezien zij geen aanvragers waren noch anderszins als belanghebbende bij de besluiten op de aanvragen om nadeelcompensatie waren aan te merken. Dat [appellant sub 3] en [appellant sub 2], zoals ter zitting is betoogd, beiden in persoon beschikken over de visrechten waarvan [appellant sub 1] en [appellant sub 2] gebruik maken, maakt niet dat hun belang rechtstreeks bij die besluiten was betrokken. Het hoger beroep van [appellant sub 3], [appellant sub 2] en [appellant sub 4] is ongegrond.

2.2. [appellant sub 4] en [appellant sub 3] hebben bezwaar gemaakt noch beroep ingesteld in deze procedure. Niet is gebleken dat hun dat niet valt te verwijten. Het bepaalde in artikel 6:13, gelezen in samenhang met artikel 6:24, van de Algemene wet bestuursrecht staat eraan in de weg dat het hoger beroep van genoemden kan worden ontvangen. Het dient niet-ontvankelijk te worden verklaard.

2.3. [appellant sub 2] heeft hoger beroep ingesteld, beweerdelijk als rechtsopvolger van [appellant sub 2]. Zij heeft onder verwijzing naar uittreksels uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel aangevoerd dat [appellant sub 2] sinds 1 januari 2002 niet meer als zodanig bestaat en dat de naam per die datum in [appellant sub 2] is veranderd. Die stelling wordt evenwel niet door de uittreksels gestaafd. Daaruit blijkt dat [appellant sub 2] weliswaar per 1 januari 2002 is beëindigd, maar niet dat dat een naamswijziging in [appellant sub 2] betrof. Die onderneming bestond al sinds 30 maart 1988. Dat de activiteiten van [appellant sub 2] zijn overgenomen kan ook niet worden afgeleid uit de beschrijving van de activiteiten van [appellant sub 2], te weten "Commissionairs en makelaars in effecten, beleggingsadviseurs e.d. Beheren van vermogen". Ook aan de ontvankelijkheid van het hoger beroep van [appellant sub 2] staat het bepaalde in artikel 6:13, gelezen in samenhang met artikel 6:24, van de Algemene wet bestuursrecht in de weg. Het dient evenzeer niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Inhoudelijk

2.4. Aan [appellant sub 1] is nadeelcompensatie toegekend op grond van de Regeling Nadeelcompensatie Rijkswaterstaat 1991 in verband met verminderde vangstopbrengsten door de aanleg van het slibdepot IJsseloog in het Ketelmeer, het saneren van een deel van de bodem van het Ketelmeer, de aanleg van de natuurgebieden Vossemeer en IJsselmonding en dijkversterking op plaatsen waar door [appellant sub 1] gevist wordt. De minister heeft zijn besluiten doen steunen op adviezen van de krachtens die Regeling ingestelde schadebeoordelingscommissie (hierna: de schadecommissie) van 21 september 2004, 5 oktober 2005, 8 mei 2007 en 25 september 2009. [appellant sub 1] betwist de hoogte van die compensatie.

2.5. [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank ten onrechte onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 30 november 1998 in zaak nr. H01.97.0409/Q01 (AB 1999, 90) heeft overwogen dat de minister van de juistheid van de adviezen van de schadecommissie mocht uitgaan. Zij voert aan dat het oordeel in die uitspraak over de daarin adviserende schadecommissie, inhoudende dat die is samengesteld uit deskundigen, dat inzichten van deskundigen in een geval als dit zijn gebaseerd op kennis en ervaring en dat een nadere onderbouwing van die inzichten niet in alle gevallen kan worden verlangd, niet één op éen op ieder willekeurig geval kan worden toegepast. Volgens [appellant sub 1] behelst die uitspraak geen algemene lijn in de jurisprudentie.

2.5.1. De opvatting van [appellant sub 1] dat de door de rechtbank aangehaalde uitspraak van de Afdeling geen algemene lijn in de rechtspraak weergeeft, is onjuist. Uit de in die uitspraak gebruikte bewoordingen "in een geval als dit" volgt dat hetgeen de Afdeling daar heeft overwogen gelding heeft in alle gevallen als het geval waarover zij in de aangehaalde uitspraak heeft beslist. Aangezien de thans aan de orde zijnde zaak net als de genoemde uitspraak een verzoek om nadeelcompensatie betreft waarin een commissie van onafhankelijke deskundigen heeft geadviseerd, heeft de rechtbank de aan de orde zijnde advisering terecht in het licht van die overweging van de Afdeling beoordeeld. Dat van een bestendige lijn kan worden gesproken valt af te leiden uit bijvoorbeeld haar uitspraken van 7 november 2007 in zaak nr. 200702978/1 en van 30 juni 2010 in zaak nr. 200907840/1/H2, waarin in vergelijkbare zaken in gelijke zin is overwogen. Het betoog faalt.

2.6. [appellant sub 1] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat de adviezen in hoge mate stoelen op de kennis en ervaring van de tot de commissie behorende deskundige visserijbioloog M. Grimm en dat diens bevindingen geenszins concludent zijn. Zij voert daarbij aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat haar eerder daarover in de brief van 30 december 2009 ingenomen standpunten voldoende zijn weerlegd in het verweerschrift van de minister.

2.6.1. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de minister in het verweerschrift in beroep op alle door [appellant sub 1] in de brief van 30 december 2009, die een reactie inhield op het laatste advies van de schadecommissie van 25 september 2009, ingenomen standpunten is ingegaan. Weliswaar kan [appellant sub 1] worden toegegeven dat het de minister had gepast die reactie in zijn besluit op bezwaar neer te leggen, maar de rechtbank heeft daarin geen aanleiding hoeven zien om tot vernietiging van dat besluit over te gaan. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat uit dat besluit blijkt dat de minister de genoemde brief had ontvangen en dat besluit vervolgens aan de hand van alle adviezen en de reacties daarop van [appellant sub 1] heeft genomen. Voorts constateert de Afdeling met de rechtbank dat [appellant sub 1] in beroep niet inhoudelijk is ingegaan op de reactie van de minister in het verweerschrift. Niet valt in te zien dat [appellant sub 1] doordat zij eerst in het verweerschrift een reactie op haar brief heeft kunnen lezen, in haar processuele belangen is geschaad.

2.6.2. De adviezen van de schadecommissie zijn verder uitvoerig, zorgvuldig en begrijpelijk gemotiveerd. Dat daarbij aandacht is uitgegaan naar de reacties van [appellant sub 1] in de diverse stadia van de advisering valt af leiden uit de omstandigheid dat de schadecommissie haar adviezen naar aanleiding van opmerkingen van [appellant sub 1] meerdere keren in haar voordeel heeft bijgesteld. Ten onrechte is dat volgens [appellant sub 1], zoals hij desgevraagd ter zitting heeft toegelicht, niet gebeurd op het punt van de aanname van de schadecommissie dat wat betreft de brasemvangst met een opbrengstverlies van 24 kg/ha moet worden gerekend. Zij wijst erop dat zij steeds van mening is geweest dat met een opbrengstverlies van 50 kg/ha zou moeten worden gerekend en stelt dat in het laatste advies van de schadecommissie uit 2009 van nieuwe gegevens is uitgegaan en dat die cijfers leiden tot ten minste een opbrengstverlies van 44 kg/ha.

Dit standpunt volgt de Afdeling niet. De schadecommissie was aan de hand van de voordien beschikbare gegevens uitgegaan van een aanwezige hoeveelheid van 80 kg/ha waarvan 30% duurzaam kan worden gevangen. Dat komt neer op een opbrengstverlies van 24 kg/ha. De nieuwe cijfers hebben betrekking op de hoeveelheid aanwezige brasem die uit nader onderzoek naar de visstand van de Noordelijke Randmeren uit 2004 en 2008 eerst in 2009 bij de commissie is gebleken. Deze gegevens houden verband met de aangetroffen fosfaatconcentraties en de intrek van brasem uit naastliggende wateren. Daaruit is de schadecommissie gebleken dat die hoeveelheid minder is dan de 80 kg/ha die de commissie eerder had aangenomen, zij het dat daarbinnen een groter aandeel brasem groter dan 40 cm is aangetroffen dan de commissie eerder aannam. Deze cijfers konden er niet toe leiden dat van een hogere hoeveelheid dan de eerder aangenomen 80 kg/ha dient te worden uitgegaan.

[appellant sub 1] heeft in zijn brief van 30 december 2009 een berekening neergelegd die uitkomt op een opbrengstverlies van 50 kg/ha, uitgaande van een hoeveelheid brasem van 125 kg/ha, waarvan 40% kan worden geoogst. Deze is om hetgeen in het voorgaande staat niet gevolgd. De rekensom van [appellant sub 1] die uitkomt op een opbrengstverlies van 44 kg/ha gaat uit van de door de schadecommissie in het advies uit 2009 vermelde vangstverwachting van pootbrasem in de periode tot 2008. De vermelde vangstverwachting is, zoals de minister in zijn verweerschrift voor de rechtbank in reactie op dit onderdeel uit de brief van [appellant sub 1] van 30 december 2009 heeft vermeld, gebaseerd op de vangsten die [appellant sub 1] heeft gedaan voor aanvang van de werkzaamheden en maakt inzichtelijk dat een dalende opbrengst al is ingezet voordat de werkzaamheden begonnen. Deze heeft de schadecommissie er niet toe gebracht van een hoger opbrengstverlies dan reeds was berekend uit te gaan. Dat zou, zoals de commissie in het advies uit 2009 nogmaals heeft geconcludeerd, de negatieve trend in de opbrengst miskennen. De minister heeft dit standpunt van de als deskundig aan te merken schadecommissie in zijn verweerschrift voor de rechtbank mogen volgen. Dit temeer nu [appellant sub 1] tegenover het advies van die commissie slechts haar eigen visie naar voren heeft gebracht en daarvoor geen eigen deskundige heeft geraadpleegd. Weliswaar heeft de minister ter zitting erkend dat er op dit specifieke terrein in Nederland weinig deskundigen zijn, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat het, zoals [appellant sub 1] heeft gesteld, feitelijk onmogelijk was een onafhankelijke deskundige bereid te vinden haar te adviseren. Dat M. Grimm zich binnen de schadecommissie in het bijzonder met de specifiek de visvangst betreffende aspecten heeft bezig gehouden valt te billijken. Grimm geldt als visserijbioloog als specifiek deskundige, hetgeen door [appellant sub 1] niet wordt betwist.

2.6.3. Nu uit het voorgaande volgt dat de minister van de juistheid van de ingewonnen adviezen mocht uitgaan heeft de rechtbank - anders dan [appellant sub 1] in hoger beroep in dit verband heeft aangevoerd - terecht overwogen dat er geen aanleiding is om het verzoek van [appellant sub 1] om een deskundige te benoemen in te willigen.

2.6.4. Het betoog faalt.

2.7. Aangezien de in haar brief van 30 december 2009 neergelegde opvatting dat zou moeten worden uitgegaan van een vangstverlies van 44 kg/ha, zoals [appellant sub 1] ter zitting heeft erkend, het enige argument in die brief is dat zij niet eerder aan de minister dan wel de schadecommissie had kenbaar gemaakt heeft de rechtbank verder met juistheid overwogen dat het gestelde in de brief grotendeels een herhaling is van hetgeen reeds eerder in de procedure naar voren is gebracht. Voorts kan er niet aan worden voorbijgegaan dat in het verweerschrift voor de rechtbank puntsgewijs is ingegaan op alle argumenten die [appellant sub 1] in haar genoemde brief heeft aangevoerd en dat [appellant sub 1] de weerlegging van haar argumenten in dat verweerschrift bij de rechtbank en ook nu in hoger beroep niet op onderdelen gemotiveerd heeft betwist. De Afdeling ziet, gelet daarbij op hetgeen hiervoor onder 2.6.1. en 2.6.2 is overwogen, dan ook geen aanleiding om de aangevallen uitspraak te vernietigen op de grond dat daarin onvoldoende is gemotiveerd waarom de in de brief van [appellant sub 1] van 30 december 2009 geformuleerde klachten geen doel treffen. Het betoog van [appellant sub 1] dienaangaande faalt derhalve.

2.8. Het betoog van [appellant sub 1] dat de rechtbank heeft miskend dat zij telkenmale heeft gewezen op feiten die niet (meer) juist zijn zonder dat dit enig concreet resultaat heeft opgeleverd en zonder dat is gemotiveerd waarom op bedoelde punten geen aanpassing van de toegekende schadebedragen heeft plaatsgevonden, faalt evenzeer. Zoals hiervoor onder 2.6.1., eerste alinea, is overwogen heeft de schadecommissie haar bevindingen een aantal malen aangepast naar aanleiding van bezwaren van [appellant sub 1]. Ook wat betreft het in hoger beroep uitdrukkelijk aan de orde gestelde tijdelijke zanddepot is dat gebeurd. De minister heeft in reactie op het verwijt dat dat depot nog steeds aanwezig is terwijl daarvoor geen compensatie meer wordt geboden, gewezen op de mogelijkheid een nieuw verzoek om nadeelcompensatie in te dienen.

2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep van [appellant sub 4], [appellant sub 3] en [appellant sub 2] niet-ontvankelijk;

II. bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. T.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. A. Hammerstein, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Van Meurs-Heuvel

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2012

47.A. Hoekman & Zn B.V. en Bekendam-Beheer B.V.