Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW8201

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-06-2012
Datum publicatie
13-06-2012
Zaaknummer
201011218/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 oktober 2010, kenmerk 6232, hebben provinciale staten de luchthavenregeling voor de luchthaven Graafstroom, gevestigd aan de Kweldamweg 6 te Molenaarsgraaf, gemeente Graafstroom, (hierna: de luchthavenregeling), vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201011218/1/R1.

Datum uitspraak: 13 juni 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Hardinxveld-Giessendam,

en

provinciale staten van Zuid-Holland,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 oktober 2010, kenmerk 6232, hebben provinciale staten de luchthavenregeling voor de luchthaven Graafstroom, gevestigd aan de Kweldamweg 6 te Molenaarsgraaf, gemeente Graafstroom, (hierna: de luchthavenregeling), vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 november 2010, beroep ingesteld.

Provinciale staten hebben een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 februari 2012, waar provinciale staten, vertegenwoordigd door mr. S. Eekhout en C.J.A. Boogerd MSc, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De luchthavenregeling betreft de luchthaven gelegen aan de Kweldamweg 6 te Molenaarsgraaf, gemeente Graafstroom, bestaande uit een grasbaan met afmetingen van ongeveer 50 m bij 600 m, onderdeel uitmakend van een weiland. De luchthaven is reeds in gebruik op grond van een door de minister van Verkeer en Waterstaat (thans: de minister van Infrastructuur en Milieu) op 19 oktober 2009 verleende ontheffing ingevolge artikel 14 van de Luchtvaartwet.

2.2. [appellant] kan zich er niet mee verenigen dat op grond van de luchthavenregeling uitsluitend in de periode tussen 1 juni en 1 maart van het daaropvolgende jaar mag worden gevlogen. De omstandigheid dat de luchthaven is gelegen in een weidevogelgebied hoeft volgens hem geen reden te zijn om beperkingen op te leggen ten aanzien van het gebruik van het luchthaventerrein. In dit verband wijst hij er op dat de geluidbelasting van schermvliegtuigen in het niet valt bij de geluidbelasting veroorzaakt door verkeer dat gebruik maakt van de naastgelegen provinciale weg en landbouwverkeer ten behoeve van de nabij gelegen landbouwbedrijven. Voorts wijst [appellant] er op dat het opstijgen en hoogte maken altijd plaats vindt binnen de contouren van de start- en landingsbaan, waardoor het uitgesloten is dat de gebruiker laag over andere velden vliegt en daarbij eventueel broedende weidevogels verjaagt. Ook wordt alleen gevlogen vanaf pas gemaaid gras, zodat is uitgesloten dat er een broedende weidevogel op de baan zelf aanwezig is, aldus [appellant].

2.2.1. Provinciale staten hebben zich op het standpunt gesteld dat de luchthaven is gelegen in een belangrijk weidevogelgebied, dat is aangewezen in de Provinciale Structuurvisie van Zuid-Holland, vastgesteld op 2 juli 2010. Volgens provinciale staten is het onwenselijk dat in belangrijke weidevogelgebieden activiteiten worden verricht die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de weidevogelstand. Het broedseizoen ligt voor de meeste soorten tussen 1 maart en 1 juni. In die periode zijn vogels het meest kwetsbaar voor verstoring. Door in de luchthavenregeling een beperking op te nemen in de vorm van een start- en landingsverbod in de periode van 1 maart tot 1 juni, wordt volgens provinciale staten recht gedaan aan het provinciale beleid inzake de bescherming van belangrijke weidevogelgebieden en wordt het bovendien niet onmogelijk gemaakt de luchthaven in de overige maanden van het jaar te gebruiken.

2.2.2. Ingevolge artikel XV van de Wijzigingswet Wet luchtvaart (Regelgeving burgerluchthavens en militaire luchthavens) wordt, voor zover thans van belang, binnen een jaar na inwerkingtreding van artikel I, onderdeel K, van deze wet een luchthavenregeling als bedoeld in artikel 8.64, eerste lid, van de Wet luchtvaart vastgesteld voor burgerluchthavens die een ontheffing hebben gekregen op grond van artikel 14 van de Luchtvaartwet.

2.2.3. Ingevolge artikel 8.64, tweede lid, van de Wet luchtvaart bevat een luchthavenregeling regels omtrent het luchthavenluchtverkeer voor zover die regels noodzakelijk zijn met het oog op de geluidbelasting vanwege het luchthavenluchtverkeer. Een luchthavenregeling kan tevens grenswaarden die noodzakelijk zijn met het oog op het externe-veiligheidsrisico of de geluidbelasting en regels die noodzakelijk zijn met het oog op het externe-veiligheidsrisico bevatten.

2.2.4. Ingevolge artikel 5, aanhef en onder 1, van de luchthavenregeling mag, onverminderd de bepalingen uit de Luchtvaartwet en Regelgeving, de luchthaven uitsluitend worden gebruikt voor gemotoriseerd schermvliegen door de exploitant en door gastgebruik in de periode tussen 1 juni en 1 maart van het daaropvolgende jaar.

2.2.5. Onderdeel 1 van artikel 5 van de luchthavenregeling is opgenomen naar aanleiding van een bij provinciale staten ingediende zienswijze door een deelnemer aan agrarisch natuurbeheer. In reactie op deze zienswijze hebben provinciale staten aangegeven dat gelet op de ligging van de luchthaven in een - in de provinciale structuurvisie als zodanig aangeduid - belangrijk weidevogelgebied is besloten met het oog op het zoveel mogelijk beperken van hinder tijdens de broedperiode te bepalen dat tussen 1 maart en 1 juni van de luchthaven geen gebruik mag worden gemaakt.

2.3. Uit het vorenstaande volgt dat de enkele ligging van de luchthaven in het weidevogelgebied ten grondslag ligt aan het opnemen van onderdeel 1 in artikel 5 van de luchthavenregeling. Uit het bestreden besluit noch uit andere stukken blijkt echter dat provinciale staten in de belangenafweging hebben betrokken dat de luchthaven naast een provinciale weg en nabij enkele landbouwbedrijven ligt. Of het gebruik van het luchthavengebied door schermvliegtuigen derhalve leidt tot een geluidbelasting die is te onderscheiden van de reeds bestaande geluidbelasting in de omgeving en zo ja, of die geluidbelasting een verstoring van broedvogels tot gevolg heeft, hebben provinciale staten niet onderzocht. In dit kader is van belang dat de ligging naast de provinciale weg en de nabijheid van landbouwbedrijven voor de minister van Verkeer en Waterstaat in zijn beslissing op bezwaar van 5 juli 1995 doorslaggevend waren voor het ongegrond verklaren van de bezwaren tegen het toegestane gebruik van de luchthaven in het broedseizoen. Voorts blijkt uit het bestreden besluit, de Provinciale Structuurvisie noch uit andere stukken dat provinciale staten hebben onderzocht of de luchthaven en de omgeving daarvan daadwerkelijk worden gebruikt door broedvogels dan wel geschikt zijn voor broedvogels. [appellant] heeft er in dit verband op gewezen dat op de luchthaven geen vogels broeden omdat er hoge bomen staan waarin regelmatig roofvogels zitten.

2.4. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover het betreft artikel 5, onder 1, van de luchthavenregeling is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

2.5. Niet is gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van provinciale staten van Zuid-Holland van 13 oktober 2010, kenmerk 6232, voor zover het betreft de vaststelling van artikel 5, onder 1, van de luchthavenregeling voor de luchthaven Graafstroom, gevestigd aan de Kweldamweg 6 te Molenaarsgraaf;

III. gelast dat provinciale staten van Zuid-Holland het door [appellant] voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoeden.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.P. van Kooten-Vroegindeweij, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Van Kooten-Vroegindeweij

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2012

490-559.