Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW8195

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-06-2012
Datum publicatie
13-06-2012
Zaaknummer
201110301/1/V6
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 augustus 2010 heeft de minister van Justitie het verzoek van [appellante] om haar het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201110301/1/V6.

Datum uitspraak: 13 juni 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Zwolle,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 1 september 2011 in zaak nr. 11/983 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de minister).

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 augustus 2010 heeft de minister van Justitie het verzoek van [appellante] om haar het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 4 april 2011 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 1 september 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 september 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 april 2012, waar [appellante], bijgestaan door mr. C.F. Roza, advocaat te Zwolle, en de minister, vertegenwoordigd door mr. G.M.H. Hoogvliet, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In de overwegingen wordt onder de minister tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2.2. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) wordt, met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk 4 van deze wet, aan vreemdelingen die daarom verzoeken het Nederlanderschap verleend.

Ingevolge artikel 23 kunnen bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur nadere regelen worden gesteld ter uitvoering van de RWN.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, aanhef en e, van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap, voor zover thans van belang, verstrekt de verzoeker met betrekking tot zichzelf bij de indiening van het naturalisatieverzoek, voor zoveel mogelijk, gegevens met betrekking tot zijn nationaliteit of nationaliteiten.

Ingevolge het vijfde lid, voor zover thans van belang, kan de autoriteit die het naturalisatieverzoek in ontvangst neemt, alsook de minister, verlangen dat de verzoeker de juistheid van de verstrekte gegevens bewijst door middel van zonodig gelegaliseerde en eventueel inhoudelijk geverifieerde documenten.

Volgens de toelichting op artikel 7 van de RWN in de Handleiding voor de toepassing van de RWN 2003 (hierna: de Handleiding), voor zover thans van belang, dient een verzoeker buitenlandse akten van de burgerlijke stand, waaronder een buitenlandse geboorteakte over te leggen.

In de Handleiding is voorts vermeld dat van de voorwaarde van het overleggen van gelegaliseerde uit het buitenland afkomstige documenten kan worden vrijgesteld de persoon die wegens bewijsnood niet in staat is dergelijke documenten over te leggen en dat, indien geen sprake is van bewijsnood, geen vrijstelling wordt verleend. Bewijsnood zal zich volgens de Handleiding met name voordoen in het geval dat registers van de burgerlijke stand in het land waar de documenten vandaan moeten komen niet bestaan dan wel onvolledig zijn, alsmede wanneer in het land in kwestie geen stukken kunnen worden verkregen vanwege de op dat moment bestaande politieke situatie.

2.3. Niet in geschil is dat [appellante] is geboren in Syrië, zij op achtjarige leeftijd naar Armenië is verhuisd en de Armeense nationaliteit heeft. Evenmin is in geschil dat [appellante] geen buitenlandse gelegaliseerde geboorteakte heeft overgelegd bij haar verzoek tot verlening van het Nederlanderschap.

2.4. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat [appellante] niet heeft aangetoond dat sprake is van bewijsnood omdat zij niet met documenten heeft gestaafd dat van haar niet verwacht kan worden naar Syrië af te reizen om een gelegaliseerde geboorteakte te verkrijgen en dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om de behandeling van het beroep aan te houden teneinde af te wachten of het [appellante] zal lukken alsnog een geboorteakte te verkrijgen. [appellante] voert hiertoe aan dat de rechtbank ten onrechte in het door haar in beroep gedane bewijsaanbod om op 11 juli 2011 naar Armenië te reizen om te proberen aldaar via een gerechtelijke procedure een geboorteakte te verkrijgen, geen aanleiding heeft gezien de behandeling van het beroep aan te houden en zij wijst erop dat het haar ook gelukt is om in Armenië een geboorteakte te verkrijgen. [appellante] stelt dat zij belang had bij de aanhouding van het beroep om te voorkomen dat zij, wanneer zij alsnog een gelegaliseerde geboorteakte kan overleggen, opnieuw een verzoek tot verlening van het Nederlanderschap zou hoeven indienen en de daarbij behorende kosten zou moeten maken.

Voorts stelt [appellante] dat reeds voor april 2011 een negatief reisadvies van het ministerie van Buitenlandse Zaken gold voor reizen naar Syrië en dat, nu voormeld reisadvies van algemene bekendheid is, zij niet met documenten hoefde te bewijzen dat van haar niet mocht worden verlangd naar Syrië te reizen.

2.4.1. Uit de Handleiding volgt dat het aan een verzoeker is om bij het indienen van het verzoek de benodigde documenten over te leggen, waaronder een gelegaliseerde geboorteakte. [appellante] is bij indiening van haar verzoek van 16 december 2009 in de gelegenheid gesteld een gelegaliseerde geboorteakte over te leggen. De minister heeft [appellante] voorts bij herhaling in de gelegenheid gesteld om bewijsstukken over te leggen waaruit blijkt dat zij al het mogelijke heeft gedaan om in het bezit van het gevraagde document te komen. Dat [appellante] bij brief van 4 juli 2011 te kennen heeft gegeven dat zij naar Armenië zal reizen om te pogen aldaar een gelegaliseerde geboorteakte te verkrijgen, maakt niet dat de rechtbank gehouden was de behandeling van het beroep aan te houden. Het had op de weg van [appellante] gelegen om op een eerder moment, toen de minister haar daartoe in de gelegenheid stelde, te kennen te geven dat zij voornemens was om met dat doel naar Armenië te reizen. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij niet eerder naar Armenië had kunnen reizen om dit document te verkrijgen. Het betoog dat de rechtbank de behandeling van het beroep met het oog daarop had dienen aan te houden, slaagt derhalve niet. Dat [appellante] in Armenië alsnog een geboorteakte heeft weten te bemachtigen, leidt niet tot een ander oordeel, nu, daargelaten dat het aan de minister is om te beoordelen of [appellante] met de op 30 augustus 2011 ingestuurde documenten alsnog aan haar bewijslast heeft voldaan, zij reeds bij haar verzoek tot verlening van het Nederlanderschap de daarvoor benodigde documenten had dienen over te leggen.

Het betoog omtrent de huidige situatie in Syrië leidt evenmin tot het beoogde resultaat, reeds omdat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat van haar niet kon worden gevergd reeds voor 16 december 2009, het moment van indiening van haar verzoek tot naturalisatie, naar Syrië te reizen om de gevraagde documenten te verkrijgen. De stelling van [appellante] dat zij niet naar Syrië kan reizen omdat zij de taal niet spreekt en het veel geld kost, leidt, daargelaten dat zij dit niet heeft gestaafd, niet tot een ander oordeel, omdat de minister daarin geen grond heeft hoeven zien om haar in de voldoening van de op haar rustende verplichting tegemoet te komen. Derhalve heeft de rechtbank terecht overwogen dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt in bewijsnood te verkeren omtrent het overleggen van een gelegaliseerde geboorteakte.

Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Groeneweg

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2012

32-692.