Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW8189

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-06-2012
Datum publicatie
13-06-2012
Zaaknummer
201108820/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 juni 2011, nr. 18a, heeft de raad het bestemmingsplan "Oude Bakelseweg 26" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201108820/1/R3.

Datum uitspraak: 13 juni 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Deurne,

2. [appellant sub 2], wonend te Deurne,

en

de raad van de gemeente Deurne,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 juni 2011, nr. 18a, heeft de raad het bestemmingsplan "Oude Bakelseweg 26" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2], respectievelijk bij faxbericht, bij de Raad van State ingekomen op 12 augustus 2011, en bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 augustus 2011, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 april 2012, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. B. Smit, [appellant sub 2] en de raad, vertegenwoordigd door ing. J.H. de Greef en H. Sonnemans, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in twee vrijstaande woningen aan de Kerkeindseweg en de Oude Bakelseweg. Tevens maakt het plan de splitsing van een monumentale boerderij aan de Oude Bakelseweg 26 in twee burgerwoningen mogelijk.

2.2. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de raad het plan, voor zover het betreft de voorziene twee nieuwe woningen, ten onrechte heeft vastgesteld.

[appellant sub 1] voert daartoe aan dat het plan ten onrechte niet is getoetst aan artikel 2.2 van de provinciale Verordening Ruimte Noord-Brabant 2011 (hierna: de Verordening), waarmee het plan volgens hem in strijd is.

2.2.1. Op 1 maart 2011 is de Verordening in werking getreden.

Ingevolge artikel 2.2, eerste lid, bevat de toelichting bij een bestemmingsplan, dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied, een verantwoording van de wijze waarop financieel, juridisch en feitelijk is verzekerd dat de realisering van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied waarop de ontwikkeling haar werking heeft of van het gebied waarvan de gemeente de voorgenomen ontwikkeling in de hoofdlijnen heeft beschreven.

Ingevolge artikel 11.1, eerste lid, stelt een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel of agrarisch gebied, met inbegrip van een landbouwontwikkelingsgebied of een vestigingsgebied glastuinbouw, regels ter voorkoming van:

a. nieuwbouw van één of meer woningen

b. zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen, recreatiewoningen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen.

Ingevolge artikel 11.4, eerste lid, kan in afwijking van artikel 11.1, eerste lid, een bestemmingsplan dat is gelegen in een bebouwingsconcentratie binnen een zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling of binnen een gebied integratie stad-land, voorzien in de nieuwbouw van één of meer woningen waarbij geen sprake behoeft te zijn van het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, mits de toelichting daaromtrent een verantwoording bevat.

Het tweede lid bepaalt dat uit de verantwoording, bedoeld in het eerste lid, blijkt dat:

a. het bestemmingsplan de nodige voorwaarden bevat om een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woningen te verzekeren, onverlet artikel 2.2 in verband met de kwaliteitsverbetering van het landschap;

b. er geen sprake is van een aanzet voor een stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in hoofdstuk 3;

c. geen inbreuk wordt gedaan aan de toepassing van de regeling bedoeld in artikel 11.2.

Ingevolge artikel 14.4, tweede lid, is artikel 2.2 niet van toepassing op een bestemmingsplan voor een ruimtelijke ontwikkeling, anders dan een stedelijke ontwikkeling, dat is vastgesteld voor 1 juli 2011.

Ingevolge artikel 14.4, derde lid, kan in afwijking van artikel 11.4, eerste lid, een bestemmingsplan dat voor 1 juli 2011 is vastgesteld en gelegen binnen de groenblauwe mantel of binnen agrarisch gebied, niet zijnde een landbouwontwikkelingsgebied of een vestigingsgebied glastuinbouw, voorzien in de bouw van één of meer woningen mits de toelichting daaromtrent een verantwoording bevat, als bedoeld in artikel 11.4, tweede lid.

2.2.2. Vast staat dat het plan voor 1 juli 2011 is vastgesteld en dat het niet voorziet in een stedelijke ontwikkeling. Gelet daarop is ingevolge artikel 14.4, tweede lid, van de Verordening artikel 2.2 van de Verordening niet van toepassing op het voorliggende plan.

Bij de vaststelling van het plan heeft de raad gebruik gemaakt van de overgangsregeling die is opgenomen in artikel 14.4, derde lid, van de Verordening. Gezien de expliciete uitsluiting van de toepassing van artikel 2.2 van de Verordening in artikel 14.4, tweede lid, en het gegeven dat het hier toegepaste artikel 14.4, derde lid, betrekking heeft op bestemmingsplannen waarvoor die uitsluiting is voorzien, is de Afdeling van oordeel dat een redelijke uitleg van de regeling met zich brengt dat met de verwijzing naar de verantwoording als bedoeld in artikel 11.4, tweede lid, anders dan [appellant sub 1] betoogt, niet is beoogd artikel 2.2 alsnog van toepassing te doen zijn op plannen als bedoeld in artikel 14.4, tweede lid. Gelet hierop heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat aan artikel 2.2 van de Verordening niet behoefde te worden getoetst. Het betoog faalt.

2.3. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] voeren voorts aan dat het plan in strijd is met de provinciale Beleidsnota Buitengebied in Ontwikkeling (hierna: de Beleidsnota) en de in dat kader vastgestelde gemeentelijke Gebiedsvisie bebouwingsconcentraties uit 2007 (hierna: de Gebiedsvisie). [appellant sub 1] voert daartoe aan dat ten onrechte woningen mogelijk worden gemaakt, nu geen sprake is van hergebruik of sloop van voormalige agrarische bebouwing. In de Beleidsnota staat bovendien dat terughoudend dient te worden omgegaan met het toevoegen van nieuwe burgerwoningen aan het buitengebied, aldus [appellant sub 1] en [appellant sub 2]. Volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 2] stelt de raad zich ten onrechte op het standpunt dat de Kerkeindseweg onderdeel is van het bebouwingslint aan de Oude Bakelseweg, waardoor ter plaatse volgens de Gebiedsvisie woningen zouden zijn toegestaan. In de kaart bij de Gebiedsvisie is dit deel van het plangebied ook niet omcirkeld, aldus [appellant sub 2]. Ook is volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 2] geen sprake van een kwaliteitsverbetering van het landschap. De motivering van de raad dat de opbrengst van de woonkavels in een fonds voor de kwaliteitsverbetering van het buitengebied zal worden gestort, is volgens [appellant sub 1] ondeugdelijk, nu onduidelijk is op welke wijze deze storting is gewaarborgd. Ook is geen sprake van een goede landschappelijke inpassing en is de relatie met het achterliggende landschap onvoldoende gewaarborgd, aldus [appellant sub 1] en [appellant sub 2].

2.3.1. In de Beleidsnota is een beleidslijn opgenomen over bebouwingsconcentraties, zijnde een kernrandzone, bebouwingslint of bebouwingscluster. In de Beleidsnota is bepaald dat in bebouwingsconcentraties (beperkte) toevoeging van nieuw bouwvolume mogelijk is, indien dit past in dan wel (in)direct bijdraagt aan de leidende principes van het streekplan en de doelstellingen van de revitalisering van het landelijk gebied en/of de leefbaarheid van het platteland. Belangrijke randvoorwaarde voor de verruimde mogelijkheden is een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in brede zin. Voor de toepassing van dit beleid is het noodzakelijk dat de gemeente vooraf een integrale visie voor het gebied met zijn omgeving opstelt, voorzien van een gedegen ruimtelijke onderbouwing, en waarin wordt aangegeven hoe een verbetering van de kwaliteit van de omgeving zal worden bereikt.

De gemeente heeft ter uitvoering van de Beleidsnota de Gebiedsvisie opgesteld. Deze vormt een integrale, gemeentelijke visie op de kernranden en bebouwingslinten met hun omgeving, voorzien van een ruimtelijke onderbouwing. In de Gebiedsvisie is opgenomen dat het doel van de studie is een helder ruimtelijk en functioneel kader te creëren voor toekomstige ontwikkelingen, die een bijdrage kunnen leveren aan verbetering van de ruimtelijke kwaliteit door verruimde hergebruikmogelijkheden van bestaande (agrarische) bedrijfscomplexen. Daarnaast kunnen volgens de Gebiedsvisie onder voorwaarden extra mogelijkheden geboden worden aan andere gebruikers van het buitengebied, bijvoorbeeld het toevoegen van bouwvolume door middel van een rood voor groen constructie, mits daar een voldoende tegenprestatie tegenover staat.

2.3.2. Nu zowel in de Beleidsnota als de Gebiedsvisie het toevoegen van nieuw bouwvolume onder voorwaarden als mogelijkheid wordt genoemd, ziet de Afdeling, anders dan [appellant sub 1], geen aanleiding voor het oordeel dat dit beleid slechts kan worden toegepast bij hergebruik of sloop van agrarische bedrijfsgebouwen, hetgeen - onbetwist - niet aan de orde is ten aanzien van de twee in het plan voorziene woningen.

In de Gebiedsvisie is over de bebouwingsconcentratie Bakelseweg opgenomen dat de Oude Bakelseweg daarvan deel uitmaakt en samen met de bebouwing aan de Kerkeindseweg een geheel vormt dat door een open ruimte van de Bakelseweg wordt gescheiden. Verder staat in de Gebiedsvisie dat het lint van de Oude Bakelseweg aan de oostzijde kan worden opgevuld tot lintbebouwing, hetgeen ook op het bijbehorende kaartje is aangegeven. Uit de Gebiedsvisie volgt ook dat het plangebied deel uitmaakt van de kernrandzone. In deel B van de Gebiedsvisie is over Schalkertweg/Kerkeindseweg onder meer opgenomen dat aan de Kerkeindseweg en Oude Bakelseweg kansen liggen voor een versterking van de woonfunctie langs de bestaande linten. Gelet hierop en nu op de Kerkeindseweg reeds burgerwoningen staan, heeft de raad zich, naar het oordeel van de Afdeling, anders dan [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen, terecht op het standpunt gesteld dat, hoewel de Kerkeindseweg geen onderdeel is van het bebouwingslint aan de Oude Bakelseweg, het gehele plangebied onderdeel is van een bebouwingsconcentratie waarvoor in de Gebiedsvisie in het kader van de Beleidsnota mogelijkheden tot het toevoegen van nieuwe woningen zijn gegeven.

Wat betreft de bestreden kwaliteitsverbetering heeft de raad gesteld dat met de ontwikkeling wordt beoogd een bijdrage te leveren aan de revitalisering van het landelijk gebied van de gemeente, door bijvoorbeeld de nieuwe woonkavels zo mogelijk aan te wenden en te koop aan te bieden aan mogelijke verplaatsers binnen de gemeente in het kader van het reconstructieproces. Ook zal de opbrengst van de twee woonkavels worden gestort in het lokale fonds voor de kwaliteitsverbetering van het buitengebied van de gemeente, aldus de toelichting. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de storting in het fonds bij een negatief of onvoldoende positief saldo na verkoop ten laste zal komen van de gemeentelijke grondexploitatie, waardoor de storting in het fonds en daarmee de kwaliteitsverbetering van het buitengebied gewaarborgd zijn. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voldoende is onderbouwd dat het plan zal leiden tot een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in brede zin, zoals vereist in de Beleidsnota en dat is voorzien in de in de Gebiedsvisie genoemde tegenprestatie.

Nu in de toelichting in paragraaf 4.2 en 4.3 de stedenbouwkundige uitgangspunten en het ontwerp van de voorziene woningen zijn toegelicht, waarbij onder meer is opgenomen dat de groenstructuur ter plaatse versterkt moet worden en bij de situering aansluiting dient te worden gezocht bij omliggende bebouwing, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd op welke wijze de landschappelijke inpassing is voorzien. Hierbij is in aanmerking genomen dat in de planregels is bepaald dat bebouwing op een afstand van minimaal 3 m van de zijdelingse perceelsgrens mogelijk is en dat hiervan door het college van burgemeester en wethouders slechts bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken tot 2 m indien dat niet leidt tot het onaanvaardbaar verminderen of verdwijnen van landschappelijk waardevolle doorzichten. Bovendien geeft artikel 3.3 van de planregels het college de mogelijkheid nadere eisen te stellen aan de situering en beeldkwaliteit van nieuw op te richten bebouwing, onder meer indien dit noodzakelijk is ter waarborging van de ruimtelijke kwaliteit, het stedenbouwkundig beeld, dan wel indien dit noodzakelijk is voor een verantwoorde stedenbouwkundige/ architectonische/ landschappelijke inpassing in de bestaande bebouwing.

De Afdeling ziet, gelet het voorgaande, geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in overeenstemming is met de Beleidsnota en de Gebiedsvisie.

De betogen falen.

2.4. De raad stelt dat hij het plan heeft mogelijk gemaakt met het oog op een verbetering van de leefbaarheid en kwaliteit van het platteland in het kader van de Beleidsnota. Gelet daarop en in aanmerking genomen hetgeen is overwogen in 2.3.2 ziet de Afdeling in het door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad slechts financiële motieven en gedane toezeggingen vanuit de gemeente aan het plan ten grondslag heeft gelegd. Het betoog daarover faalt.

2.5. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] voeren verder aan dat geen behoefte aan de voorziene woningen bestaat, waardoor het plan niet economisch uitvoerbaar is. [appellant sub 2] voert aan dat in de kern van Deurne voldoende locaties voor woningen zijn, dat in de gemeente sprake is van bevolkingskrimp en dat in het buitengebied andere voormalige agrarische bedrijfswoningen beschikbaar zijn. Ook heeft de raad volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 2] onvoldoende onderbouwd dat het plan financieel uitvoerbaar is. De raad dient deze uitvoerbaarheid wel te onderzoeken, aldus [appellant sub 1].

2.5.1. Artikel 3.1.6, eerste lid, onder f, van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat een bestemmingsplan alsmede een ontwerp hiervoor vergezeld gaan van een toelichting, waarin zijn neergelegd de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan.

2.5.2. In de toelichting is in paragraaf 7 over de economische uitvoerbaarheid opgenomen dat de gemeente eigenaar is van het perceel Oude Bakelseweg 26 en dat de voorziene woningen door middel van het aanbieden van bouwkavels zullen worden gerealiseerd. Nu het plan slechts voorziet in vier woningen, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat aan de voorziene ontwikkeling in het plan binnen de planperiode van 10 jaar behoefte zal zijn; [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de woningen niet binnen die periode zullen worden gerealiseerd. In de nota van zienswijzen heeft de raad verder gesteld dat hij aan de hand van de exploitatie van de initiatiefnemer heeft geconstateerd dat de exploitatie sluitend is. Gelet op het hiervoor genoemde aantal woningen, acht de Afdeling niet aannemelijk dat onvoldoende financiële middelen bestaan om het voorziene aantal woningen te kunnen realiseren. Gelet daarop bestaat evenmin aanleiding voor het oordeel dat de financiële uitvoerbaarheid onvoldoende is onderbouwd. De betogen falen.

2.6. [appellant sub 1] vreest een onevenredige aantasting van zijn uitzicht en privacy door de in het plan voorziene nieuwe woningen.

2.6.1. De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Evenmin bestaat recht op een blijvend vrij uitzicht. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het uitzicht van [appellant sub 1] door de twee voorziene woningen niet zodanig wordt aangetast dat hieraan een zwaarder gewicht had moeten worden toegekend dan aan het belang bij de realisering van het plan. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat in de omgeving van het plangebied en van de woning van [appellant sub 1] reeds meer burgerwoningen staan. Nu de dichtstbijzijnde voorziene woning voorts op een afstand van ongeveer 40 m staat vanaf de woning van [appellant sub 1] heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan geen onaanvaardbare aantasting van de privacy van [appellant sub 1] met zich zal brengen. In het aangevoerde wordt geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van [appellant sub 1]. Het betoog faalt.

2.7. Ten slotte voert [appellant sub 1] aan dat de raad ten onrechte de benodigde hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van de voorziene woning aan de Oude Bakelseweg niet gelijktijdig met de vaststelling van het plan heeft vastgesteld.

2.7.1. Ingevolge artikel 74, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh), voor zover hier van belang, heeft een weg een zone die zich uitstrekt vanaf de as van de weg tot de volgende breedte aan weerszijden van de weg: in buitenstedelijk gebied, voor een weg, bestaande uit één of twee rijstroken: 250 m.

Ingevolge artikel 76, eerste lid, voor zover hier van belang, worden bij de vaststelling van een bestemmingsplan dat geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden, behorende tot een zone als bedoeld in artikel 74 ter zake van de geluidbelasting, vanwege de weg waarlangs de zone ligt, van de gevel van woningen binnen die zone de waarden in acht genomen, die ingevolge artikel 82 en 100 als de ten hoogste toelaatbare worden aangemerkt.

Ingevolge het tweede lid, voor zover hier van belang, worden in afwijking van het eerste lid, bij de vaststelling van een bestemmingsplan als in dat lid bedoelde hogere waarden in acht genomen, voor zover met toepassing van artikel 83 voor de vaststelling van het bestemmingsplan zodanige waarden zijn vastgesteld.

Ingevolge artikel 82, eerste lid, voor zover hier van belang, is, behoudens het in artikel 83 bepaalde, de voor woningen binnen een zone ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van de gevel, vanwege de weg, 48 dB.

Ingevolge artikel 83, eerste lid, kan voor de ter plaatse ten hoogste toelaatbare geluidbelasting als bedoeld in artikel 82, eerste lid, een hogere dan de in dat artikel genoemde waarde worden vastgesteld, met dien verstande dat deze waarde, buiten de in de volgende leden bedoelde gevallen, voor woningen in buitenstedelijk gebied 53 dB en voor woningen in stedelijk gebied 58 dB niet te boven mag gaan.

2.7.2. Ten tijde van de vaststelling van het plan waren geen hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van de woningen vastgesteld. Gelet daarop dient bij de beoordeling van het plan te worden uitgegaan van de in artikel 82, eerste lid, van de Wgh vermelde waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van 48 dB.

In de toelichting op het plan staat dat uit het ten behoeve van het plan verrichte akoestisch onderzoek blijkt dat de geluidbelasting vanwege de Helmondsingel de wettelijke voorkeurswaarde overschrijdt met 2 dB op de zuidelijkste woning. Nu bij de zuidelijkste woning niet aan de voorkeurswaarde uit artikel 82, eerste lid, van de Wgh, kan worden voldaan, bestaat aanleiding voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 76, eerste lid, van de Wgh. Het betoog slaagt.

2.8. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het door [appellant sub 2] aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.

In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd over de toelaatbare geluidbelasting ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de meest zuidelijk gelegen aanduiding "bouwvlak" met de bouwaanduiding "vrijstaand", is genomen in strijd met artikel 76, eerste lid, van de Wgh. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd.

In hetgeen [appellant sub 1] overigens heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan voor het overige strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Evenmin wordt aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit voor het overige anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 1] is voor het overige ongegrond.

2.9. De Afdeling ziet aanleiding te onderzoeken of de rechtsgevolgen van het te vernietigen deel van het besluit in stand kunnen blijven.

Op 30 augustus 2011 heeft het college van burgemeester en wethouders hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van de zuidelijkste woning in het plan vastgesteld van 49 dB ter plaatse van de eerste verdieping en 50 dB ter plaatse van de tweede verdieping. Bij uitspraak van de Afdeling van heden in zaak nr. 201110534/1/R3 is het hiertegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en is het besluit van 30 augustus 2011 in rechte onaantastbaar geworden. Uit dat besluit volgt dat ten aanzien van de vastgestelde hogere waarden is aangesloten bij de uit het akoestisch onderzoek naar voren gekomen waarden voor de geluidbelasting van de zuidelijkste woning vanwege de Helmondsingel. Derhalve is aannemelijk dat aan de bij besluit van 30 augustus 2011 verleende hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van de zuidelijkste woning zal kunnen worden voldaan. Gelet daarop ziet de Afdeling aanleiding te oordelen dat de rechtsgevolgen van het plan, voor zover vernietigd, in stand kunnen blijven.

2.10. Ten aanzien van het beroep van [appellant sub 2] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding. De raad dient ten aanzien van het beroep van [appellant sub 1] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 1] gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Deurne van 29 juni 2011, nr. 18a, voor zover het betreft de meest zuidelijk gelegen aanduiding "bouwvlak" met de bouwaanduiding "vrijstaand";

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dit besluit, voor zover het is vernietigd, in stand blijven;

IV. verklaart het beroep van [appellant sub 1] voor het overige en het beroep van [appellant sub 2] geheel ongegrond;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Deurne tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 918,52 (zegge: negenhonderdachttien euro en tweeënvijftig cent), waarvan € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Deurne aan [appellant sub 1] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. N.S.J. Koeman en mr. E. Helder, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F.N. Pikart-van den Berg, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Pikart-van den Berg

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2012

350-715.