Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW8187

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-06-2012
Datum publicatie
13-06-2012
Zaaknummer
201103874/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 januari 2011 heeft het college aan [appellante] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer geweigerd voor een agrarisch technisch bedrijf annex afvalstoffenverwerkingsbedrijf op het perceel Overbuurtseweg 8 te Bleiswijk. Dit besluit is op 24 februari 2011 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201103874/1/A4.

Datum uitspraak: 13 juni 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te Bleiswijk, gemeente Lansingerland,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 januari 2011 heeft het college aan [appellante] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer geweigerd voor een agrarisch technisch bedrijf annex afvalstoffenverwerkingsbedrijf op het perceel Overbuurtseweg 8 te Bleiswijk. Dit besluit is op 24 februari 2011 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 maart 2011, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 27 april 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 mei 2012, waar [appellante], vertegenwoordigd door [directeur], van [appellante], en mr. A.P. Cornelissen, advocaat te Middelharnis, en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Bagcivan en L. Rademaker, beiden werkzaam bij de DCMR Milieudienst Rijnmond, vergezeld door B. Nikerk, werkzaam bij de gemeente Lansingerland, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat de aanvraag om een revisievergunning voor de inwerkingtreding van de Wabo is ingediend. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

2.2. Ingevolge artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu worden geweigerd.

Ingevolge het derde lid, voor zover hier van belang, kan de vergunning, in afwijking van het eerste lid, tevens worden geweigerd ingeval door verlening daarvan strijd zou ontstaan met een bestemmingsplan.

Op het perceel zijn de bestemmingsplannen "Overbuurtsepolder" uit 1989 en "Overbuurtsche Polder" uit 2006 van toepassing.

Ingevolge het bestemmingsplan "Overbuurtsepolder" rust op een deel van het perceel de bestemming "Agrarisch gebied, kassen".

Ingevolge het bestemmingsplan "Overbuurtsche Polder" rust op een deel van het perceel de bestemming "Agrarische doeleinden" met de subbestemming "Ag" (glastuinbouw) en de nadere aanduiding "gl".

2.3. [appellante] betoogt dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat door verlening van de aangevraagde vergunning strijd ontstaat met de geldende bestemmingsplannen. Volgens haar voldoet de aanvraag na de door haar ingediende aanpassing ervan aan die plannen.

Tevens stelt [appellante] dat het college zich in de besluitvorming uitsluitend heeft gebaseerd op het besluit tot weigering van een bouwvergunning van het college van burgemeester en wethouders van Lansingerland en dat het college niet zelf heeft beoordeeld of de aangevraagde activiteiten in strijd zijn met de geldende bestemmingsplannen.

2.3.1. Het college heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de aanvraagde activiteiten in strijd zijn met de geldende bestemmingsplannen. Daarin heeft het echter niet uiteengezet welke van de aangevraagde activiteiten om welke redenen volgens hem in strijd zijn met de ter plaatse geldende bestemmingen. Het college heeft volstaan met een verwijzing naar het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Lansingerland van 25 februari 2010. Dat besluit had betrekking op de aanvraag om een bouwvergunning voor een tuinbouwkas. Met die enkele verwijzing is niet deugdelijk gemotiveerd waarom de in deze procedure aangevraagde activiteiten in strijd zijn met de geldende bestemmingsplannen. Dit geldt te meer, nu [appellante] de aanvraag bij brief van 6 oktober 2010 heeft gewijzigd, juist om eventuele strijd met de geldende bestemmingsplannen weg te nemen. Ter zitting heeft het college te kennen gegeven dat de revisievergunning uitsluitend is geweigerd vanwege de tuinbouwkas, waarop het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Lansingerland ziet, maar daarvan geeft het bestreden besluit geen blijk.

Gelet op het voorgaande berust het bestreden besluit in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) niet op een deugdelijke motivering.

De beroepsgrond slaagt.

2.4. Het beroep is gegrond. Het besluit van 18 januari 2011 dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd.

2.5. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 18 januari 2011, kenmerk 21121479/340986;

III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 302,00 (zegge: driehonderdtwee euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van staat.

w.g. Wortmann w.g. Van Roessel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2012

457-738.