Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW8179

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-06-2012
Datum publicatie
13-06-2012
Zaaknummer
201108483/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 februari 2011 heeft de staatssecretaris een verzoek van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) ten behoeve van een chauffeurspas afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201108483/1/A3.

Datum uitspraak: 13 juni 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 22 juni 2011 in zaken nrs. 11/2498 en 11/2499 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 februari 2011 heeft de staatssecretaris een verzoek van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) ten behoeve van een chauffeurspas afgewezen.

Bij besluit van 12 april 2011 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 juni 2011, verzonden op dezelfde datum, heeft de voorzieningenrechter het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 augustus 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 2 september 2011.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 mei 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. M. Dorgelo, advocaat te Amsterdam, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. R. Faasse, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, zoals deze gold ten tijde van belang, is een VOG een verklaring van de minister van Veiligheid en Justitie dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon. De verklaring bevat geen andere mededelingen.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, weigert de minister de afgifte van een VOG, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan een behoorlijke uitoefening van de taak of de bezigheden waarvoor de VOG wordt gevraagd, in de weg zal staan.

Bij de beoordeling van de aanvraag om afgifte van de VOG zijn de criteria gehanteerd die zijn neergelegd in de Beleidsregels VOG-NP-RP & IVB 2010 (Stcrt. 2010, nr. 14312; hierna: de Beleidsregels).

Volgens paragraaf 3 ontvangt de staatssecretaris alle justitiële gegevens betreffende de aanvrager die zijn geregistreerd in het Justitieel Documentatiesysteem (hierna: het JDS). Wanneer de aanvrager voorkomt in de justitiële documentatie wordt de vraag of een VOG kan worden afgegeven beoordeeld aan de hand van een objectief criterium en een subjectief criterium.

Volgens paragraaf 3.1 wordt bij de beoordeling van de justitiële gegevens van de aanvrager een terugkijktermijn in acht genomen.

Volgens paragraaf 3.1.1, voor zover hier van belang, betrekt de staatssecretaris bij de beoordeling van de aanvraag, indien in de voor de aanvraag van toepassing zijnde terugkijktermijn relevante justitiële gegevens zijn aangetroffen, ook alle overige voor de aanvraag relevante justitiële gegevens die buiten de terugkijktermijn liggen in de beoordeling van de aanvraag.

Volgens paragraaf 3.2 wordt de afgifte van de VOG in beginsel geweigerd indien wordt voldaan aan het objectieve criterium. Het objectieve criterium betreft de beoordeling of de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager zijn aangetroffen, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd.

Volgens paragraaf 3.3 kan op grond van het subjectieve criterium worden geoordeeld dat het belang dat een aanvrager heeft bij het verstrekken van een VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt de VOG afgegeven ondanks dat wordt voldaan aan het objectieve criterium.

Volgens paragraaf 3.3.1 ziet het subjectieve criterium op omstandigheden van het geval die ertoe kunnen leiden dat de objectieve vaststelling van een risico voor de samenleving ten aanzien van deze aanvrager niet zou moeten leiden tot een weigering van de afgifte van de VOG. Omstandigheden van het geval die altijd in de beoordeling worden betrokken zijn de wijze waarop de strafzaak is afgedaan, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten.

In het geval dat de staatssecretaris na weging van de omstandigheden van het geval niet tot een goede oordeelsvorming kan komen en twijfel heeft over de vraag of een VOG kan worden afgegeven, worden de omstandigheden waaronder het strafbare feit heeft plaatsgevonden in de beoordeling betrokken.

Om vast te stellen of het aangetroffen antecedent een belemmering kan vormen voor de afgifte van de VOG, hanteert de staatssecretaris bij de Beleidsregels behorende screeningsprofielen. In het specifieke screeningsprofiel 'taxibranche; chauffeurspas' is, voor zover hier van belang, vermeld dat, in afwijking tot de reguliere terugkijktermijn van vier jaren, een terugkijktermijn van vijf jaren wordt gehanteerd.

2.2. Aan het besluit op bezwaar heeft de staatssecretaris ten grondslag gelegd dat in het JDS op naam van [appellant] een aantal strafbare feiten is geregistreerd. In de eerste plaats betreft het een onherroepelijke veroordeling in hoger beroep op 27 juli 2010 wegens bedreiging tot een geldboete van € 500,00 subsidiair tien dagen hechtenis, waarvan € 250,00 en vijf dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, geldig tot 11 augustus 2012. Voorts is [appellant] op 31 maart 2009 in eerste aanleg veroordeeld wegens belediging van een ambtenaar in functie en wederspannigheid, meermalen gepleegd, tot een geldboete van € 540,00 subsidiair tien dagen hechtenis, waarvan € 290,00 en vijf dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. [appellant] heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld, dat, ten tijde van belang, nog niet inhoudelijk was behandeld. Voorts is [appellant] buiten de terugkijktermijn in 2002 met justitie in aanraking gekomen wegens mishandeling, waarvoor hij is veroordeeld tot een geldboete, en in 2005 wegens belediging van een ambtenaar in functie, het niet (volledig) invullen van de arbeidstijdenregistratie en het niet zichtbaar aanwezig houden van de chauffeurspas in de taxi, waarvoor [appellant] transacties heeft geaccepteerd.

De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten aanzien van [appellant] geregistreerde delicten, indien herhaald, aan een behoorlijke uitoefening van de werkzaamheden als taxichauffeur in de weg staan, zodat wordt voldaan aan het objectieve criterium. Het belang van beperking van het risico voor de samenleving dient, gelet op het beperkte tijdsverloop tussen de veroordeling op 27 juli 2010 en het moment van beoordeling, waarbij betekenis is toegekend aan de omstandigheid dat nog een proeftijd van kracht is tot 11 augustus 2012, en het aantal aangetroffen strafbare feiten, zwaarder te wegen dan het belang van [appellant] bij het verkrijgen van de VOG, zodat niet aan het subjectieve criterium is voldaan, aldus de staatssecretaris.

2.3. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de afgifte van een VOG diende te worden geweigerd. Hij voert hiertoe aan dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het risico voor de samenleving zwaarder weegt dan zijn belang bij de afgifte van de VOG en dat het subjectieve criterium geen aanleiding geeft tot de afgifte ervan. De voorzieningenrechter heeft niet gemotiveerd dat hij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem met name genoemde gevallen, waarin tot afgifte van een VOG is overgegaan, gelijk zijn aan zijn geval, aldus [appellant]. De voorzieningenrechter heeft ten onrechte geoordeeld dat hij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij alleen als taxichauffeur inkomsten kan verwerven. De voorzieningenrechter heeft ten onrechte geoordeeld dat de strafrechter al voldoende rekening heeft gehouden met de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd en dat de staatssecretaris hierin geen zelfstandige afweging behoefde te maken, aldus [appellant].

2.3.1. [appellant] heeft terecht voorgedragen dat de voorzieningenrechter niet heeft gemotiveerd waarom [appellant] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn zaak gelijk is aan de door hem gemelde gevallen. Dit leidt evenwel niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. In één van de door [appellant] gemelde gevallen is niet tot afgifte, maar tot weigering van de VOG overgegaan. In de overige door [appellant] gemelde zaken waren minder feiten geregistreerd, was het tijdsverloop tussen de geregistreerde antecedenten en het moment van beoordeling langer en/of waren de geregistreerde antecedenten minder ernstig. Daarnaast volgt uit hetgeen [appellant] heeft aangevoerd niet dat in die zaken, zoals in zijn geval, nog een proeftijd van toepassing was. De door [appellant] gemelde gevallen verschillen dan ook zodanig met de zaak van [appellant] dat de voorzieningenrechter terecht heeft geoordeeld dat [appellant] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem gemelde gevallen gelijk zijn aan zijn zaak.

2.3.2. De voorzieningenrechter heeft met juistheid geoordeeld dat de staatssecretaris in redelijkheid meer gewicht heeft kunnen toekennen aan het risico voor de samenleving dan aan het belang van [appellant] bij afgifte van de VOG. Hierbij heeft de staatssecretaris in aanmerking mogen nemen dat op naam van [appellant] verscheidene relevante justitiële gegevens, zowel binnen als buiten de terugkijktermijn zijn aangetroffen en heeft hij zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het tijdsverloop sinds de laatste veroordeling op 27 juli 2010 te beperkt is om te kunnen aannemen dat de kans op recidive en het risico voor de samenleving voldoende zijn afgenomen.

De voorzieningenrechter heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 19 augustus 2009 in zaak nr. 200901817/1/H3, met juistheid overwogen dat de omstandigheid dat [appellant] door de weigering van de afgifte van de VOG zijn functie van taxichauffeur niet kan uitoefenen, een bij het vaststellen van de Beleidsregels voorzien mogelijk gevolg van die weigering is, en om die reden geen bijzondere omstandigheid in verband waarmee de staatssecretaris niettemin tot afgifte van de VOG had moeten besluiten. Dat het vinden van ander werk niet eenvoudig zal zijn gezien de opleiding en leeftijd van [appellant], en dat [appellant] zich heeft ingeschreven als werkzoekende en hij zonder resultaat sollicitatiebrieven heeft verstuurd, doet hier niet aan af. De voorzieningenrechter heeft terecht geoordeeld dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij slechts als taxichauffeur inkomsten kan verwerven.

De voorzieningenrechter heeft, in aanmerking genomen paragraaf 3.3.1 van de Beleidsregels, terecht geoordeeld dat de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn begaan slechts van belang zijn voor de beoordeling indien de staatssecretaris niet tot een goede oordeelsvorming kan komen en twijfelt over de vraag of een VOG kan worden afgegeven. Daaraan doet niet af dat de persoonlijke omstandigheden van [appellant], te weten de dood van zijn dochter en de omstandigheid dat zijn echtgenote een chemotherapie heeft moeten ondergaan, volgens [appellant] voor de strafrechter onvoldoende voor het voetlicht zijn gebracht. Bovendien heeft [appellant] door de aanvaarding van de transacties geaccepteerd dat geen inhoudelijke behandeling van de strafbare feiten en daarmee van de persoonlijke omstandigheden waaronder die feiten zijn begaan door de rechter plaatsvond. De staatssecretaris heeft zich, gelet op het bovenstaande, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen twijfel bestaat over de vraag of een VOG kan worden afgegeven. De voorzieningenrechter heeft dan ook met juistheid geoordeeld dat de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn begaan niet van belang zijn voor de beoordeling.

2.3.3. Gezien het voorgaande heeft de voorzieningenrechter met juistheid overwogen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de VOG moest worden geweigerd. Het betoog slaagt niet.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met, gelet op hetgeen hiervoor in 2.3.1 is overwogen, verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. de Vries, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. De Vries

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2012

582-748.