Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW8178

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-06-2012
Datum publicatie
13-06-2012
Zaaknummer
201107772/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 september 2010 heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] ongeldig verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201107772/1/A3.

Datum uitspraak: 13 juni 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Eindhoven,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 7 juni 2011 in zaak nr. 11/139 in het geding tussen:

[appellant]

en

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 september 2010 heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] ongeldig verklaard.

Bij besluit van 2 december 2010 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 juni 2011, verzonden op 8 juni 2011, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 juli 2011, hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 mei 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. M.J. van de Laar, advocaat te Eindhoven, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. J.A. Launspach, werkzaam bij het CBR, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 131, eerste lid, eerste volzin, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Wvw 1994) besluit het CBR, indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid.

Ingevolge artikel 132, eerste lid, is degene die zich ingevolge het in artikel 131, eerste lid, bedoelde besluit dient te onderwerpen aan een onderzoek, verplicht de daartoe vereiste medewerking te verlenen.

Ingevolge het tweede lid besluit het CBR bij gebreke van de in het eerste lid bedoelde medewerking onverwijld tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de houder.

Ingevolge artikel 133, eerste lid, worden tijd en plaats van het onderzoek overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels vastgesteld.

Ingevolge artikel 133, eerste lid, van het Reglement rijbewijzen (hierna: Reglement) worden tijdstip en plaats van het in artikel 131 van de Wvw 1994 bedoelde onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid of, indien het onderzoek in gedeelten plaatsvindt, van die gedeelten door het CBR vastgesteld.

Ingevolge het tweede lid worden, indien betrokkene niet op de voor het onderzoek vastgestelde tijd en plaats aanwezig is, tijd en plaats van het onderzoek door het CBR opnieuw vastgesteld tenzij naar het oordeel van het CBR geen sprake is van een geldige reden van verhindering.

2.2. In het besluit op bezwaar heeft het CBR de ongeldigverklaring van het rijbewijs gehandhaafd, omdat [appellant] aan het onderzoek naar de geschiktheid niet de daartoe vereiste medewerking heeft verleend als bedoeld in artikel 132, eerste lid, van de Wvw 1994. Daartoe heeft het geconcludeerd, nadat [appellant] zonder geldige reden van verhindering niet is verschenen op het onderzoek op 9 augustus 2010.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het CBR zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij niet de vereiste medewerking heeft verleend, zodat zijn rijbewijs terecht ongeldig is verklaard. Daartoe voert [appellant] aan dat hij de oproep om te verschijnen op het onderzoek niet heeft ontvangen. Het niet verschijnen op het onderzoek mag hem evenwel niet worden verweten, nu dit het gevolg is geweest van een misverstand of miscommunicatie. Hij is bovendien steeds bereid geweest om de vereiste medewerking te verlenen, aldus [appellant].

2.3.1. Vaststaat dat het CBR bij aangetekende brief van 2 juli 2010 [appellant] heeft opgeroepen voor het onderzoek op 9 augustus 2010 en dat het CBR deze brief heeft verzonden naar het juiste adres. Vaststaat eveneens dat deze brief niet is afgehaald en aan het CBR is geretourneerd. De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellant] met de enkele ontkenning dat hij het bericht van de aangetekende verzending niet heeft ontvangen niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aangetekend verzonden oproep aan een ander adres is aangeboden. Ter zitting bij de rechtbank heeft [appellant] bovendien verklaard dat hij een brief van 1 juli 2010 van het CBR wel heeft ontvangen en dat hij niet uitgaat van een fout van de postbode, omdat de postbezorging normaal altijd goed gaat. Daarbij heeft de rechtbank terecht onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 9 april 2008 in zaak nr. 200707294/1 overwogen dat het voor risico komt van [appellant] dat hij zich niet in het bezit heeft gesteld van de aangetekend naar het juiste adres verzonden oproep, zodat hij van de inhoud geen kennis heeft kunnen nemen. De Afdeling volgt [appellant] niet in zijn betoog dat het CBR, gelet op de periode tussen de retournering van de aangetekende brief en de datum van het onderzoek, gehouden was om na de retournering de oproep voor het onderzoek eveneens per gewone post te verzenden. Nu niet is gebleken van een geldige reden van verhindering, was het CBR, zoals de rechtbank heeft overwogen, niet gehouden om ingevolge artikel 133, tweede lid, van het Reglement een nieuwe datum voor het onderzoek vast te stellen. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het CBR terecht heeft geconcludeerd dat [appellant] niet de vereiste medewerking aan het onderzoek heeft verleend, hetgeen ingevolge artikel 132, tweede lid, van de Wvw 1994 leidt tot ongeldigverklaring van het rijbewijs. Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van staat.

w.g. Borman w.g. De Leeuw-van Zanten

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2012

97-697.