Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW8176

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-06-2012
Datum publicatie
13-06-2012
Zaaknummer
201107629/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingevolge art. 23 lid 1 aanhef en onder e Rvv 1990 mag een bestuurder zijn voertuig niet laten stilstaan bij een bord ‘bushalte’ ter hoogte van de geblokte markering dan wel, ingeval die markering niet is aangebracht, op een afstand van minder dan 12 meter van het bord. Ingevolge lid 2 geldt onderdeel e van lid 1 niet voor het onmiddellijk laten in- en uitstappen van passagiers.

Het college heeft in een huis-aan-huisblad meegedeeld dat in een gedeelte van een bepaalde straat riool- en reconstructiewerkzaamheden zullen plaatsvinden en dat de daarop betrekking hebbende reconstructietekening ter inzage ligt. Bij besluit heeft het college het door appellant daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. De voorzieningenrechter het door appellant daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Uit de openbare besluitenlijst van een vergadering van het college volgt dat het college besluit in te stemmen met het concept reconstructieplan volgens de tekening, waarop het bord 'bushalte' is geplaatst voor de woning aan de [locatie a]. De Rb. heeft niet onderkend dat het college daarmee de reconstructietekening heeft vastgesteld. Anders dan appellant betoogt, houdt dit evenwel niet een besluit in als bedoeld in art. 1:3 lid 1 Awb, nu de vaststelling geen publiekrechtelijke grondslag kent. De totstandkoming van een besluit in de zin van art. 1:3 lid 1 Awb vereist een uitdrukkelijk besluit van het college tot het plaatsen van het bord 'bushalte' voor de woning aan de [locatie a]. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat een dergelijk besluit niet is genomen en dat dit ook niet hoefde te worden genomen, omdat het gaat om een feitelijke reconstructie van een bestaande bushalte waarbij geen verplaatsing van het bord 'bushalte' aan de orde is. Dat het college niet heeft beoogd een dergelijk besluit te nemen, blijkt voorts uit de omstandigheid dat een motivering zoals vereist voor een dergelijk besluit ontbreekt. Ook de omstandigheid dat het bord is blijven staan voor de woning [locatie b], bevestigt dat een besluit in de zin van art. 1:3 lid 1 Awb niet is genomen. De voorzieningenrechter heeft dan ook met juistheid geoordeeld dat het college het bezwaar van appellant terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Algemene wet bestuursrecht 7:1
Wijzigingsbesluit Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, enz. (toekennen van verkeersregelende bevoegdheden aan verkeersregelaars) 23
Wijzigingsbesluit Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, enz. (toekennen van verkeersregelende bevoegdheden aan verkeersregelaars) 23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2013/303 met annotatie van L.J.A. Damen
JB 2012/185
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201107629/1/A3.

Datum uitspraak: 13 juni 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], beiden wonend te Hilvarenbeek (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant]),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda van 27 mei 2011 in zaken nrs. 11/2038 en 11/604 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Hilvarenbeek.

1. Procesverloop

Het college heeft in het huis-aan-huisblad 'De Hilverbode' van 14 oktober 2010 medegedeeld dat in een gedeelte van de Gelderstraat te Hilvarenbeek riool- en reconstructiewerkzaamheden zullen plaatsvinden en dat de daarop betrekking hebbende reconstructietekening ter inzage ligt.

Bij besluit van 11 januari 2011 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 27 mei 2011, verzonden op 31 mei 2011, heeft de voorzieningenrechter het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 juli 2011, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 mei 2012, waar [appellant], bijgestaan door ing. P.J.M. van Leest, werkzaam bij Peter van Leest Intermediair & Advies, en het college, vertegenwoordigd door mr. J. Gielen, werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door mr. P.L.J.M. van Dun, advocaat te Tilburg, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder een besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:1, eerste lid, kan een belanghebbende tegen een besluit bezwaar maken.

Ingevolge artikel 23, eerste lid, aanhef en onder e, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 mag een bestuurder zijn voertuig niet laten stilstaan bij een bord bushalte ter hoogte van de geblokte markering dan wel, ingeval die markering niet is aangebracht, op een afstand van minder dan 12 meter van het bord.

Ingevolge het tweede lid geldt onderdeel e van het eerste lid niet voor het onmiddellijk laten in- en uitstappen van passagiers.

2.2. Het college heeft het bezwaar van [appellant] niet-ontvankelijk verklaard. Het heeft zich op het standpunt gesteld dat het toegankelijk maken van de halte Gelderstraat Oost voor mindervaliden in het kader van de reconstructie van de Gelderstraat kan worden gerealiseerd zonder het verplaatsen van het bord 'bushalte'. Daardoor ontbreekt een handeling die is gericht op rechtsgevolg en is geen besluit vereist als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

2.3. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat de reconstructietekeningen en -plannen niet zijn vastgesteld door of anderszins behoren bij een schriftelijke beslissing van het college. Daartoe voert [appellant] aan dat het college ter zitting van de rechtbank onjuiste verklaringen heeft afgelegd. Uit de openbare besluitenlijst van de vergadering van het college van 17 augustus 2010 volgt dat het college besluit in te stemmen met het concept reconstructieplan volgens de tekening met nummer 2537. De tekening is vervolgens op de gemeentelijke website op 14 oktober 2010 gepubliceerd als het definitieve plan. Uit deze tekening blijkt volgens [appellant] dat het bord 'bushalte' wordt verplaatst naar de woning op de [locatie a] die, evenals de woning op de [locatie b], eigendom is van [appellant]. Ter zitting van de voorzieningenrechter heeft het college evenwel een tekening gedateerd 3 november 2010 overgelegd waaruit volgt dat het bord 'bushalte' blijft staan op de oorspronkelijke locatie voor de woning op de [locatie b]. Bovendien zijn op deze tekening enkele wijzigingen niet verwerkt.

[appellant] stelt dat het college deze tekening bewust heeft geantidateerd en het de indruk heeft gewekt dat de tekening in overleg met [appellant] tot stand is gekomen. Bovendien volgt uit de laatste versie van de tekening dat het bord 'bushalte' weer voor de [locatie a] is geplaatst. Het is evident dat het bord 'bushalte' dient te worden verplaatst naar de [locatie a], hetgeen een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb met zich brengt, aldus [appellant].

2.3.1. Uit de openbare besluitenlijst van de vergadering van het college van 17 augustus 2010 volgt dat het college besluit in te stemmen met het concept reconstructieplan volgens de tekening met nummer 2537, waarop het bord 'bushalte' is geplaatst voor de woning aan de [locatie a]. De rechtbank heeft niet onderkend dat het college daarmee de reconstructietekening heeft vastgesteld. Anders dan [appellant] betoogt, houdt dit evenwel niet een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb in, nu de vaststelling geen publiekrechtelijke grondslag kent. De totstandkoming van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb vereist een uitdrukkelijk besluit van het college tot het plaatsen van het bord 'bushalte' voor de woning aan de [locatie a]. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat een dergelijk besluit niet is genomen en dat dit ook niet hoefde te worden genomen, omdat het gaat om een feitelijke reconstructie van een bestaande bushalte waarbij geen verplaatsing van het bord 'bushalte' aan de orde is. Dat het college niet heeft beoogd een dergelijk besluit te nemen, blijkt voorts uit de omstandigheid dat een motivering zoals vereist voor een dergelijk besluit ontbreekt. Ook de omstandigheid dat het bord is blijven staan voor de woning [locatie b], bevestigt dat een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb niet is genomen. De voorzieningenrechter heeft dan ook met juistheid geoordeeld dat het college het bezwaar van [appellant] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, met verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van staat.

w.g. Borman w.g. De Leeuw-van Zanten

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2012

97-697.