Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW8173

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-06-2012
Datum publicatie
13-06-2012
Zaaknummer
201109283/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 juni 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "De Hoof 2009" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2012/234
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201109283/1/R3.

Datum uitspraak: 13 juni 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Hosey B.V., gevestigd te Someren, en anderen,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Someren,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 juni 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "De Hoof 2009" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben Hosey B.V. en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen bij faxbericht op 24 augustus 2011, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brieven van 22 en 23 september 2011.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 april 2012, waar Hosey B.V. en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en [één der andere appellanten], en de raad, vertegenwoordigd door mr. A.A.M. Kuijken, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is verschenen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid De Hoof Groepsaccommodaties B.V., vertegenwoordigd door M.L.J. Hikspoors, bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet binnen het plandeel met de bestemming "Recreatie" in een uitbreiding van de bestaande groepsaccommodatie De Hoof, de oprichting van bijbehorende voorzieningen en een nieuwe bedrijfswoning.

2.2. Bij uitspraak van 2 maart 2011, in zaak nr. 201005423/1/R3, heeft de Afdeling het beroep van [één der andere appellanten] en anderen tegen het besluit van 31 maart 2010, waarbij de raad het bestemmingsplan "De Hoof 2009" heeft vastgesteld, gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De raad heeft naar aanleiding van deze uitspraak opnieuw een besluit genomen omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan, hetgeen thans voorligt.

2.3. Hosey B.V. en anderen betogen dat het plan in strijd met artikel 3.8, eerste lid, onder d, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) is vastgesteld, nu de raad bij het nemen van het nieuwe besluit ten onrechte niet de gehele procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft doorlopen, waardoor Hosey B.V. en anderen niet de mogelijkheid hebben gekregen om opnieuw een zienswijze in te dienen. Verder is aan Hosey B.V. en anderen ten onrechte geen mededeling gedaan omtrent de vaststelling en de bekendmaking van het plan en voldoet de bekendmaking niet aan de in artikel 3:45 van de Awb opgenomen vereisten, nu hierbij geen melding is gemaakt van de gewijzigde vaststelling waartegen beroep kon worden ingesteld, aldus Hosey B.V. en anderen.

2.3.1. De raad betoogt dat de door de Afdeling in voornoemde uitspraak geconstateerde gebreken in het opnieuw vastgestelde plan zijn hersteld waardoor een nieuw ontwerpplan niet noodzakelijk was. Daarbij neemt de raad in aanmerking dat geen belangen van derden, die niet eerder bij de procedure waren betrokken, zijn geschaad. Verder zijn de belangen van Hosey B.V. en anderen niet geschaad bij het, overigens ten onrechte, niet toezenden van het vaststellingsbesluit aan hen, nu zij hiertegen tijdig beroep hebben ingediend.

2.3.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer de uitspraken van 4 februari 2009, in zaak nr. 200801960/1 en 7 september 2011, in zaak nr. 201107073/2/R3, staat het in geval van vernietiging van een besluit door de bestuursrechter het bevoegd gezag in beginsel vrij om bij het nemen van een nieuw besluit terug te vallen op de procedure die aan het vernietigde besluit ten grondslag lag, dan wel de gehele procedure van afdeling 3.4 van de Awb opnieuw te doorlopen. Er kunnen zich echter omstandigheden voordoen waarin het uit een oogpunt van zorgvuldige voorbereiding van een besluit, mede gelet op de aard en ernst van de gebreken die tot vernietiging hebben geleid en het verhandelde in die eerste procedure, niet passend moet worden geoordeeld indien het bevoegd gezag ermee volstaat terug te vallen op de eerdere procedure en niet een nieuw ontwerpbesluit opstelt en ter inzage legt.

2.3.3. Ter reparatie van de gebreken in het besluit van 31 maart 2010 heeft de raad in aanvulling op de reeds eerder verrichte inschatting naar de verkeersintensiteit het aantal verkeersbewegingen van en naar de groepsaccommodatie De Hoof en de invloed daarvan op de luchtkwaliteit en het wegverkeerslawaai nader onderzocht en opnieuw gemotiveerd. Gelet hierop alsmede op de aard en ernst van de gebreken die tot vernietiging hebben geleid en het verhandelde in die eerste procedure, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad er in dit geval niet in redelijkheid van heeft kunnen afzien om voorafgaand aan het nemen van het besluit een nieuw ontwerpbesluit op te stellen, nu geen wezenlijk ander plan voorligt. De wijziging die bij de vaststelling is aangebracht betreft een ondergeschikte wijziging in het voordeel van Hosey B.V. en anderen waartegen zij geen beroep hebben ingesteld. Evenmin is gebleken dat door de vaststelling van het voorliggende plan belangen van derden zijn geschaad die niet eerder in de procedure waren betrokken.

2.3.4. Hoewel uit de Wro noch enige andere wettelijke bepaling volgt dat de raad gehouden is de desbetreffende nadere onderzoeken toe te zenden, lag het uit het oogpunt van een zorgvuldige voorbereiding van het plan onder deze omstandigheden evenwel in de rede betrokkenen, van wie het beroep in de voornoemde uitspraak gegrond is verklaard, in kennis te stellen van de nadere onderzoeken en hen in de gelegenheid te stellen daarop te reageren. Nu de raad, zoals ter zitting door de raad is bevestigd, dit heeft nagelaten, is het bestreden besluit in zoverre niet genomen met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het besluit kan om die reden niet in stand blijven. De Afdeling ziet evenwel aanleiding om te bezien of met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het besluit in stand kunnen worden gelaten. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat Hosey B.V. en anderen alsnog in de gelegenheid zijn gesteld de desbetreffende nadere onderzoeken in te zien en hun bezwaren hieromtrent in het kader van deze procedure kenbaar hebben kunnen maken.

2.3.5. Over de beroepsgronden met betrekking tot de mededeling en de bekendmaking van het besluit overweegt de Afdeling dat deze beroepsgronden betrekking hebben op mogelijke onregelmatigheden van na de datum van het bestreden besluit en reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet kunnen aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheden kunnen geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit. Het betoog faalt.

2.4. Hosey B.V. en anderen betogen dat het plandeel met de bestemming "Recreatie" te ruime mogelijkheden biedt aan horecagelegenheden waarmee bij de vaststelling van het plan ten onrechte geen rekening is gehouden. In dit verband voeren zij aan dat het plandeel de ontwikkeling van horeca toestaat met als gevolg dat de in het plan opgenomen restrictie van ondergeschiktheid niet wordt gewaarborgd.

2.4.1. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder a, van de planregels, voor zover hier van belang, zijn de als "Recreatie" aangewezen gronden bestemd voor de uitoefening van niet meer dan één recreatiebedrijf met bijbehorende gemeenschappelijke voorzieningen voor verblijfs- en dagrecreatie per bouwvlak, met daarbij het ondergeschikte gebruik ten behoeve van horeca.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 24, wordt in de regels onder ondergeschikt gebruik verstaan het gebruik dat in functioneel en ruimtelijk opzicht ondergeschikt is aan de ingevolge het bestemmingsplan toegestane hoofdfunctie. Het ondergeschikt gebruik dient van beperkte functionele en/of ruimtelijke omvang te zijn, zodat de hoofdfunctie qua aard, omvang en verschijningsvorm, overwegend of nagenoeg geheel als hoofdfunctie herkenbaar blijft.

2.4.2. De Afdeling heeft in de uitspraak van 2 maart 2011 geoordeeld dat de ondergeschiktheid aan recreatie afdoende is vastgelegd in het plan. In hetgeen Hosey B.V. en anderen aanvoeren ziet de Afdeling thans geen aanleiding voor een ander oordeel. Het betoog faalt.

2.5. Hosey B.V. en anderen betogen dat het aan het plan ten grondslag gelegde onderzoek naar verkeersbewegingen op de weg De Hoof, waaraan de groepsaccommodatie De Hoof ligt, niet juist is. In dit verband verwijzen zij naar de in het plan voorziene 300 parkeerplaatsen en het verkeer afkomstig van de aan De Hoof gelegen woningen en het achterliggende gebied waar, gelet op de aldaar gevestigde agrarische bedrijven, zware motorvoertuigen vandaan komen. Ook brengt het naastgelegen gebied De Heihorsten, waar tevens recreatieve functies worden uitgeoefend, een groei in het verkeer op de weg De Hoof met zich. Voorts is zonder juiste verkeersgegevens op basis van de bestaande situatie onduidelijk wat de gevolgen zijn van de nieuwe planologische situatie voor de verkeersintensiteiten.

Gelet op het voorgaande is de raad bij de beoordeling van de gevolgen van de uitbreiding voor de luchtkwaliteit uitgegaan van een te laag aantal verkeersbewegingen van en naar de inrichting en zal de groepsaccommodatie De Hoof in betekenende mate bijdragen aan een potentiële verslechtering van de luchtkwaliteit in de omgeving, aldus Hosey B.V. en anderen.

2.5.1. Blijkens de aanvulling op de plantoelichting heeft de raad aanvullend onderzoek uitgevoerd naar zowel het huidige als het toekomstige aantal verkeersbewegingen en de soorten vervoermiddelen van en naar de bestaande groepsaccommodatie De Hoof. Uit het onderzoek blijkt dat de groepsaccommodatie in 2010 ongeveer 10.000 verblijfsgasten en 500 daggasten trok, resulterend in gemiddeld ongeveer 1,7 bus- en 9 autobewegingen per dag. Als gevolg van de maximaal toegestane uitbreiding trekt de groepsaccommodatie naar verwachting ongeveer 18.500 verblijfsgasten en 5.000 daggasten per jaar, resulterend in gemiddeld 3,2 bus- en 22,6 autobewegingen per dag. In totaal neemt het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de in het plan voorziene uitbreiding toe met gemiddeld 15,1 per dag. Door Hosey B.V. en anderen is niet aannemelijk gemaakt dat deze aantallen onjuist zijn. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad heeft beoogd om ook tijdens piekmomenten bij maximale bezetting, hetgeen blijkens de aanvulling op de plantoelichting maximaal twee keer per jaar zal plaatsvinden, in ruime parkeermogelijkheden van 200 verharde plaatsen en 100 extra onverharde plaatsen te voorzien. Voor zover een aandeel van de verkeersbewegingen op de weg De Hoof wordt veroorzaakt door de aan De Hoof gelegen woningen en het naastgelegen gebied De Heihorsten wordt overwogen dat dit niet aan de ontwikkelingen binnen het plan kan worden toegerekend.

2.5.2. Ingevolge artikel 5.16, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, maken bestuursorganen bij de uitoefening van een in het tweede lid bedoelde bevoegdheid of toepassing van een daar bedoeld wettelijk voorschrift, welke uitoefening of toepassing gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, gebruik van een of meer van de volgende gronden en maken daarbij aannemelijk:

(…)

c. dat een uitoefening of toepassing, rekening houdend met de effecten op de luchtkwaliteit van onlosmakelijk met die uitoefening of toepassing samenhangende maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit, niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen;

(…)

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen), draagt met ingang van het tijdstip dat een programma als bedoeld in artikel 5.12, eerste lid, van de wet, voor de eerste maal is vastgesteld, de uitoefening van een of meer bevoegdheden of de toepassing van een of meer wettelijke voorschriften niet in betekenende mate bij indien aannemelijk is gemaakt dat, als gevolg van die uitoefening of toepassing, de toename van de concentraties in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM10) als stikstofdioxide niet de 3% grens overschrijdt.

2.5.3. Zoals reeds onder 2.5.1. is overwogen, is bij de berekening van het aantal verkeersbewegingen van en naar de inrichting rekening gehouden met de maximale planologische uitbreiding. De raad is daarom bij de beoordeling van de gevolgen van deze uitbreiding voor de luchtkwaliteit terecht van dit aantal uitgegaan.

Blijkens de aanvulling op de toelichting is terzake van de gevolgen voor de luchtkwaliteit door middel van onderzoek vastgesteld dat de bijdrage van het verkeer van en naar de inrichting na uitbreiding is te beschouwen als een bijdrage van niet betekenende mate, nu de 3% grens van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van zwevende deeltjes en stikstofdioxide op grond van bijlage 2 bij de Wet milieubeheer als gevolg hiervan niet zal worden overschreden. Voorts heeft de raad het onderzoek naar de luchtkwaliteit ter zitting nader toegelicht en te kennen gegeven dat uit de tabellen zoals opgenomen in de aanvulling op de toelichting volgt dat het totaal aantal verkeersbewegingen zelfs nog zestien maal kan toenemen voordat deze in betekenende mate zou bijdragen aan de concentratie van voornoemde stoffen in de buitenlucht. Hosey B.V. en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is. Het betoog faalt.

2.6. Hosey B.V. en anderen betogen voorts dat het aan het plan ten grondslag gelegde akoestisch onderzoek niet volledig is, nu de geluidsituatie ter plaatse van de niet tot de inrichting behorende woningen in de omgeving als gevolg van de uitbreiding van de groepsaccommodatie en het wegverkeerslawaai op De Hoof niet is onderzocht. Ook is bij het akoestisch onderzoek uitgegaan van een onjuist aantal verkeersbewegingen en wordt de nieuwe bedrijfswoning juridisch-planologisch mogelijk gemaakt binnen de geluidcontour van 48 dB van de weg, aldus Hosey B.V. en anderen.

2.6.1. De raad heeft door Cauberg-Huygen Raadgevende Ingenieurs B.V. onderzoek laten uitvoeren naar de geluidsituatie ter plaatse van de nieuw te bouwen bedrijfswoning ten gevolge van de weg De Hoof, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport "Akoestisch onderzoek nieuwbouw bedrijfswoning De Hoof te Someren" van 9 mei 2011 (hierna: akoestisch onderzoek). Hierbij is uitgegaan van een te verwachten verkeersintensiteit op de weg De Hoof van en naar de hieraan gelegen woningen, de groepsaccommodatie en de agrarische bedrijven voor de dag-, avond- en nachtperiode, te onderscheiden in lichte, middelzware en zware motorvoertuigen van in totaal 108 voertuigbewegingen per etmaal, waarvan 28 voertuigbewegingen afkomstig van de groepsaccommodatie, een groter aantal dan het onder 2.5.1. opgenomen aantal. De conclusie van het akoestisch onderzoek is dat de nieuwe bedrijfswoning, indien deze op een afstand van 16 m of meer van het hart van de weg De Hoof wordt gerealiseerd, de voorkeurswaarde van 48 dB op de voorgevel van die bedrijfswoning niet wordt overschreden. De contourlijn van 53 dB is volgens het akoestisch onderzoek gelegen op een afstand van 6,5 m van het hart van de weg De Hoof.

2.6.2. Gelet op het onder 2.5.1. overwogene is voldoende inzichtelijk hoe tot een inschatting van de verkeersintensiteit is gekomen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat in het kader van het akoestisch onderzoek niet alleen rekening is gehouden met de verkeersbewegingen van en naar de groepsaccommodatie na de uitbreiding, maar tevens met de verkeersbewegingen van en naar de aan De Hoof gelegen woningen en de in de omgeving gevestigde agrarische bedrijven.

2.6.3. In het akoestisch onderzoek is bij het bepalen van de contourlijn van 48 dB de as van de weg De Hoof als meetpunt gekozen. Indien de voorgevel van de bedrijfswoning op een afstand van 16 m tot de as van de weg ligt, wordt blijkens het akoestisch onderzoek voldaan aan de voorkeurswaarde. De grens van het bouwvlak waarbinnen de nieuwe bedrijfswoning mogelijk wordt gemaakt ligt op een afstand van ongeveer 20 m tot de as van de weg. Door Hosey B.V. en anderen is niet aannemelijk gemaakt dat deze wijze van meten onjuist is. In de legenda bij het akoestisch onderzoek is als een rode lijn weergegeven waar het hart van de weg is gesitueerd. Gelet op de in het plan aangehouden afstand van het bouwvlak waarbinnen de nieuwe bedrijfswoning mogelijk is gemaakt tot de as van de weg, heeft de raad terecht bij de conclusie uit het akoestisch onderzoek dat de voorkeurswaarde van 48 dB op de voorgevel van de nieuwe bedrijfswoning bij deze afstand niet zal worden overschreden, kunnen aansluiten.

2.6.4. Voor zover Hosey B.V. en anderen betogen dat ten onrechte geen akoestisch onderzoek op grond van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) ter plaatse van de niet tot de inrichting behorende woningen in de omgeving is verricht, wordt overwogen dat er geen nieuwe weg of nieuwe woningen, behalve de in het plan voorziene nieuwe bedrijfswoning aan De Hoof 18, zijn voorzien. Het gaat hier om een bestaande situatie. Onder deze omstandigheden is ingevolge de Wgh geen akoestisch onderzoek vereist. Dit betekent niet dat de raad de geluidbelasting op de gevel van deze woningen in het geheel niet behoefde te betrekken bij het besluit om te beoordelen of geen onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat plaatsvindt.

Over het betoog dat de geluidbelasting van de woningen als gevolg van de uitbreiding van de groepsaccommodatie niet is onderzocht, wordt als volgt overwogen. Blijkens de aanvulling op de toelichting heeft de raad bezien of de milieubelastende bestemming in het plan voldoet aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening en hierbij aansluiting gezocht bij de in de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" van 2009 aanbevolen afstanden. De Afdeling heeft in de uitspraak van 2 maart 2011 geoordeeld dat, voor zover de in de VNG-brochure genoemde afstand van 50 m niet wordt aangehouden voor een aantal reeds bestaande gebouwen, geen sprake is van een onaanvaardbare afwijking van de indicatief bedoelde norm. In hetgeen Hosey B.V. en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling thans geen aanleiding voor een ander oordeel.

Voor zover het betoog betrekking heeft op geluid afkomstig van de weg als gevolg van de verkeerstoename vanwege de voorziene uitbreiding in het plan, heeft de raad, zoals ter zitting is gebleken, de resultaten uit het akoestisch onderzoek mede van toepassing geacht op de omliggende woningen. Nu de bedrijfswoning het dichtst bij de groepsaccommodatie staat, is aannemelijk dat deze het meest gehinderd wordt door optrekkend en afremmend verkeer. Omdat de andere woningen op vergelijkbare afstanden van de weg staan als de nieuwe bedrijfswoning, is niet aannemelijk dat ter plaatse van de bestaande woningen geen goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd. Het betoog faalt.

2.7. Hosey B.V. en anderen stellen voorts dat een door een onafhankelijk deskundig bureau opgesteld actueel en aanvullend onderzoek naar de effecten van het plan voor de binnen en buiten het plangebied aanwezige flora en fauna ontbreekt. Evenmin is onderzoek gedaan naar de gevolgen van het plangebied voor de in de nabijheid gelegen ecologische verbindingszone.

2.7.1. De vragen of voor de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt, dan wel een ontheffing op grond van de Flora en faunawet (hierna: Ffw) nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet had kunnen vaststellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

2.7.2. In mei 2007 is door Ecologica B.V. een quickscan uitgevoerd naar de gevolgen van het plan voor flora en fauna, neergelegd in het rapport met nummer P2007/37. Volgens de quickscan bevat de bestaande bebouwing in het plangebied geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen. Nader onderzoek naar vleermuizen kan nodig zijn wanneer maatregelen plaatsvinden aan gevels en/of dakranden of wanneer bebouwing wordt gesloopt.

Gelet op de conclusie van de door Ecologica B.V., een ter zake deskundig en onafhankelijk bureau, uitgevoerde quickscan, is de Afdeling van oordeel dat de raad niet in redelijkheid op voorhand had moeten inzien dat de Ffw in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van het plan. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de in 2007 uitgevoerde quickscan voldoende actueel is, nu ten tijde van de opstelling hiervan reeds rekening was gehouden met de in het plan voorziene uitbreiding. Voorts is ter zitting gebleken dat de in de quickscan genoemde maatregelen niet nodig zijn voor de uitvoering van het plan. Hosey B.V. en anderen hebben ook niet aannemelijk gemaakt dat indien uit nader onderzoek de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen naar voren zou komen, een ontheffing op grond van de Ffw niet zou kunnen worden verleend.

2.7.3. Blijkens de aanvulling op de plantoelichting is in het gebied aangrenzend aan het plangebied een ecologische verbindingszone aangelegd. De op de verbeelding aangewezen gronden met de bestemming "Groen" en de aan de noordzijde van het plangebied aangewezen gronden met de aanduiding "natuur- en landschapswaarden" dienen als overgangszone tussen de ecologische verbindingszone en de groepsaccommodatie. Voor zover is gesteld dat in het gebied buiten het plangebied flora en fauna aanwezig zijn, overweegt de Afdeling dat niet aannemelijk is gemaakt dat in dat gebied één van de in de Ffw opgenomen verboden door de voorziene ontwikkeling, gelet op het voorgaande en de aard van de inrichting, wordt overtreden. Gelet hierop is niet aannemelijk dat ten behoeve van de realisering van het plan een ontheffing van de in de Ffw opgenomen verboden is vereist, zodat de raad in zoverre niet behoefde te twijfelen aan de uitvoerbaarheid van het plan. Het betoog faalt.

2.8. In hetgeen Hosey B.V. en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in strijd met de bij de voorbereiding te betrachten zorgvuldigheid is genomen. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

Gelet op overweging 2.3.4 en nu de overige betogen falen, ziet de Afdeling in dit geval aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit van de raad tot vaststelling van het plan in stand te laten.

2.9. De raad dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Someren van 29 juni 2011 waarbij het bestemmingsplan "De Hoof 2009" is vastgesteld;

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Someren tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Hosey B.V. en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.218,52 (zegge: twaalfhonderdachttien euro en tweeënvijftig cent), waarvan € 874,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

V. gelast dat de raad van de gemeente Someren aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Hosey B.V. en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 302,00 (zegge: driehonderdtwee euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. N.S.J. Koeman en mr. E. Helder, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F.N. Pikart-van den Berg, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Pikart-van den Berg

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2012

350-709.