Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW8166

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-06-2012
Datum publicatie
13-06-2012
Zaaknummer
201105452/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 december 2008 heeft het college aan [appellant A] en [appellant B] een vergoeding voor planschade ten bedrage van € 11.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente ten bedrage van € 600,00, toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201105452/1/A2.

Datum uitspraak: 13 juni 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], wonend te Moergestel, gemeente Oisterwijk,

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 30 maart 2011 in zaak nr. 10/4234 in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B]

en

het college van burgemeester en wethouders van Oisterwijk.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 december 2008 heeft het college aan [appellant A] en [appellant B] een vergoeding voor planschade ten bedrage van € 11.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente ten bedrage van € 600,00, toegekend.

Bij besluit van 3 augustus 2010 heeft het college het door [belanghebbende] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 23 december 2008 herroepen en het verzoek van [appellant A] en [appellant B] om vergoeding van planschade alsnog afgewezen.

Bij uitspraak van 30 maart 2011, verzonden op 31 maart 2011, heeft de rechtbank het door [appellant A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 mei 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 9 juni 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 januari 2012, waar [appellant A] in persoon, het college, vertegenwoordigd door mr. M.A.F. Beukema-Veldkamp, ambtenaar in dienst van de gemeente, en [belanghebbende], vertegenwoordigd door haar [directeur] en mr. G.W.B. Heijmans, advocaat te ’s-Hertogenbosch, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), zoals dit artikel luidde ten tijde hier van belang en voor zover hier van belang, kent het college, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van een besluit omtrent vrijstelling krachtens artikel 17 of 19 van de WRO schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.2. Bij de beoordeling van een verzoek om planschadevergoeding dient te worden onderzocht of de verzoeker door wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de planologische maatregel waarvan gesteld wordt dat deze schade heeft veroorzaakt en het voordien geldende planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van deze regimes maximaal kon onderscheidenlijk kan worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Slechts wanneer realisering van de maximale mogelijkheden van het planologische regime met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan daarin aanleiding worden gevonden om te oordelen dat van voormeld uitgangspunt moet worden afgeweken.

2.3. [appellant A] en [appellant B] zijn sinds 17 februari 2003 eigenaar van het perceel met woning [locatie 1] te Moergestel. Zij hebben bij aanvraagformulier met als datum 3 januari 2008 gevraagd om vergoeding van planschade ten gevolge van een bij besluit van het college van 5 oktober 2005 verleende vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de WRO van het bestemmingsplan "Kom Moergestel" met gebruik waarvan bouwvergunning is verleend voor de bouw van 12 woningen op aangrenzende percelen (hierna gezamenlijk: het bouwterrein) aan de oostzijde en noord- en noordoostzijde van perceel [locatie 1].

[belanghebbende], de aanvrager van de vrijstelling en bouwvergunning, heeft met de gemeente een overeenkomst gesloten, waarbij zij zich heeft verbonden door het college toe te kennen vergoedingen van planschade ten gevolge van de vrijstelling voor haar rekening te nemen.

2.4. Het bouwterrein is ingevolge het bestemmingsplan grotendeels bestemd voor "Bedrijfsdoeleinden B(2)" en gedeeltelijk voor "Woondoeleinden (W)". Ingevolge het bestemmingsplan mogen op een strook grond, plaatselijke bekend Rootven 61 (hierna: het noordelijke woonperceel), ten noorden en noordoosten van perceel [locatie 1] met de bestemming "Woondoeleinden (W)" met vrijstelling een onbepaald aantal woningen worden gebouwd met een bouwhoogte van maximaal 11 m, alsook bijgebouwen en terreinafscheidingen, waaronder een tuinmuur, met, gezien de aanvullende werking van de gemeentelijke bouwverordening, een bouwhoogte van maximaal 15 m. Daarbij geldt dat een vrijstelling voor nieuwe woningen alleen wordt verleend indien de woningen passen in het bestaande bebouwingspatroon en de aanwezige samenhang niet verstoren, het woningtype overeen komt met woningen in de directe omgeving, geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van andere gronden en bouwwerken en de hoogte van de nieuwe woningen aansluit bij de hoogte van bestaande woningen op aangrenzende percelen. Daarbij geldt verder dat afwijking van de op de kaart aangegeven bouwgrens is toegestaan, voor zover het gebouw op een andere wijze passend is in het bestaande bebouwingspatroon, de aanwezige samenhang niet wordt verstoord en het ruimtelijk beeld niet overmatig of negatief wordt beïnvloed. Het noordelijke woonperceel is voorts mede bestemd voor bijbehorende verkeers- en groenvoorzieningen.

Ingevolge het bestemmingsplan is een perceel (hierna: het oostelijke bedrijfsperceel) ten oosten van perceel [locatie 1] met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden B(2)", bestemd voor bedrijven die voorkomen in de categorieën 1 en 2 van de bij het plan behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten, met dien verstande dat daar met vrijstelling bedrijven uit de categorieën 3.1 en 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan, voor zover deze naar aard en invloed op de omgeving geacht worden te behoren tot de categorieën 1 en 2. Gebouwen en overkappingen zijn uitsluitend ter plaatse van een bouwperceel toegestaan. Op het oostelijke bedrijfsperceel mogen verder goederen worden opgeslagen tot een hoogte van maximaal 5 m en zijn met vrijstelling bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder een afscheidingsmuur, met een hoogte van maximaal 6 m toegestaan.

Het bouwplan waarvoor de vrijstelling is verleend voorziet in de bouw van een twee onder een kap woning met een bouwhoogte van ongeveer 10,55 m, twee vrijstaande woningen met een bouwhoogte van ongeveer 9,9 m, vier aaneen gebouwde starterswoningen met een bouwhoogte van ongeveer 9,85 m en vier geschakelde seniorenwoningen met een bouwhoogte van ongeveer 9,15 m, alsook onder meer een tuinmuur met een hoogte van 3 m op de grens met perceel [locatie 1].

2.5. Het college heeft aan het besluit van 23 december 2008 een door de (plan)schadecommissie gemeente Oisterwijk opgesteld advies van 12 december 2008 ten grondslag gelegd. Daarin is het bouwplan vergeleken met het bestemmingsplan. Volgens het advies mag ingevolge het bestemmingsplan, gezien de ligging van de bouwgrens aan het Rootven, op het noordelijke woonperceel geen hoofdgebouw worden gerealiseerd, maar alleen twee vrijstaande bijgebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde. In het advies is verder vermeld dat het oostelijke bedrijfsperceel, nu dat maar voor een beperkt gedeelte mag worden bebouwd en daarop geen geluidsproducerende inrichtingen zijn toegestaan, niet voor iedere bedrijfsactiviteit geschikt is. Volgens de schadecommissie valt van het oostelijke bedrijfsperceel beperkte overlast te verwachten, vooral bestaande uit werkzaamheden op de niet bebouwde gedeelten, de opslag van goederen en verkeersbewegingen. De vrijstelling leidt volgens de schadecommissie tot een toename van de bouwmassa op het bouwterrein en een intensivering van het gebruik daarvan, alsook tot een zeer beperkte toename van uitzicht vanuit de eerste verdieping vanuit de nieuwe woningen op de tuin en in de woning op perceel [locatie 1]. Ten gevolge hiervan lijden [appellant A] en [appellant B] volgens de schadecommissie planologisch nadeel ten bedrage van € 25.000,00. De commissie heeft voorts in aanmerking genomen dat, nu ten laste van [belanghebbende] op de grens van het oostelijke bedrijfsperceel met perceel [locatie 1] een tuinmuur van ongeveer 3 m hoog is opgericht en deze met de grond om niet aan [appellant A] en [appellant B] in eigendom is gegeven, deze schade gedeeltelijk, ten bedrage van € 14.000,00, anderszins is verzekerd. De schadecommissie heeft daarom geadviseerd [appellant A] en [appellant B] een vergoeding voor planschade ten bedragen van € 11.000,00 toe te kennen.

Volgens het advies van de bezwaarschriftencommissie van 31 maart 2009 is de schadecommissie bij de planvergelijking uitgegaan van een te geringe mogelijke overlast van het oostelijke bedrijfsperceel, omdat de schadecommissie daarbij alleen de mogelijke geluidhinder heeft betrokken en volgens de bezwaarschriftencommissie van het oostelijke bedrijfsperceel ook andere overlast, bestaande uit stank, beperking van uitzicht en aantasting van de privacy viel te verwachten. Volgens de bezwaarschriftencommissie heeft de schadecommissie verder ten onrechte niet tevens de voordelen van de door [belanghebbende] geplaatste tuinmuur bij haar advies betrokken.

In een reactie van de schadecommissie van 21 april 2009 is vermeld, dat zij in haar advies van 12 december 2008 niet alleen te verwachten geluidhinder, maar alle te verwachten overlast van de bedrijfsmatige exploitatie van het oostelijke bedrijfsperceel bij de planvergelijking heeft betrokken, maar dat zij de te verwachten overlast van het oostelijke bedrijfsperceel beperkt acht. Daarin is verder vermeld dat zij bij de planvergelijking met de geplaatste tuinmuur rekening heeft gehouden, nu in paragraaf 6.1 van haar eerdere advies is vermeld dat ten gevolge van die muur de inkijk in de tuin van [appellant A] en [appellant B] is beperkt tot inkijk vanaf de eerste verdieping van de nieuwe woningen.

Volgens het besluit op bezwaar van 3 augustus 2010 bestond bij het college twijfel over de steekhoudendheid van deze reactie en heeft het college daarom een second opinion gevraagd aan de Stichting Plan & Schade. In de door de stichting opgestelde second opinion van 15 juli 2010 is vermeld dat ingevolge het bestemmingsplan op het noordelijke woonperceel, tussen de percelen [locatie 1] en [locatie 2], de bouw van een nieuwe woning met een bouwhoogte van maximaal 11 m op een afstand van ongeveer 10 m van perceel [locatie 1] is toegestaan. Daarbij is vermeld dat voor de ter plaatse tevens toegestane bijgebouwen op grond van de aanvullende werking van de gemeentelijke bouwverordening een maximale bouwhoogte van 15 m geldt en dat het bestemmingsplan ter plaatse tevens de bouw van een tuinmuur van 15 m hoog tot op de perceelgrens toestaat. Volgens de stichting voorziet de vrijstelling op dat perceel op een afstand van perceel [locatie 1] van ongeveer 23 en 18 m woningen met een bouwhoogte van 9,65 en 10,55 m. Daarin is verder vermeld dat ingevolge het bestemmingsplan op het oostelijke bedrijfsperceel goederen tot een hoogte van maximaal 5 m mogen worden opgeslagen en de bouw van een muur met een maximale hoogte van 6 m is toegestaan. Verder is in de second opinion vermeld dat volgens de brochure 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG) in verband met relevante milieuaspecten de afstand tussen bedrijven in milieucategorie 1-2 en milieugevoelige functies, zoals woningen, minimaal 30 m zou dienen te bedragen en dat, nu de feitelijke afstand tussen het oostelijke bedrijfsperceel en het perceel [locatie 1] ongeveer 10 m bedraagt, voorheen van het oostelijke bedrijfsperceel onacceptabele hinder viel te verwachten. Volgens de second opinion blokkeert de opgerichte muur op de oostelijke perceelgrens voorts het zicht vanuit de nieuwe woningen op het bedrijfsperceel. Op grond van het voorgaande heeft de stichting geadviseerd het verzoek om vergoeding van planschade af te wijzen. Het college heeft dit advies aan het besluit van 3 augustus 2010 ten grondslag gelegd.

2.6. [appellant A] en [appellant B] betogen in de eerste plaats dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat voor het college aanleiding bestond om ter voorbereiding van het besluit op bezwaar een second opinion aan de stichting te vragen. Volgens hen heeft de schadecommissie de vragen van de bezwaarcommissie in de reactie van 21 april 2009 volledig en afdoende beantwoord. Zij voeren aan dat het college niet heeft gemotiveerd waarom het twijfelde aan het advies van de schadecommissie. Volgens hen heeft het college verder onzorgvuldig gehandeld door hen niet te horen over het voornemen een second opinion te vragen en door de second opinion niet voor een reactie voor te leggen aan de schadecommissie.

2.6.1. Dit betoog faalt. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat voor het college aanleiding bestond een second opinion te vragen. Daarbij is in aanmerking genomen dat volgens het advies van de bezwaarschriftencommissie de schadecommissie in haar advies van 12 december 2008 van een onjuiste planvergelijking is uitgegaan. Zoals ook de rechtbank heeft overwogen, heeft de schadecommissie verder in haar reactie van 21 april 2009 de naar aanleiding van dit advies door het college gestelde vragen niet volledig beantwoord. Volgens het besluit op bezwaar twijfelde het college voorts aan de juistheid van de reactie van de schadecommissie.

Voor het college bestond geen verplichting [appellant A] en [appellant B] vooraf over het inwinnen van de second opinion te horen. Het college heeft voorts [appellant A] en [appellant B] bij brief van 28 april 2010 in de gelegenheid gesteld op de second opinion te reageren. Nu de schadecommissie reeds op het advies van de bezwaarschriftencommissie had gereageerd en in de second opinion ook is vermeld dat in het advies van de schadecommissie van 12 december 2008 van een onjuiste planvergelijking is uitgegaan, bestond voor het college geen aanleiding de second opinion voor een reactie aan de schadecommissie voor te leggen.

2.7. [appellant A] en [appellant B] betogen verder dat de rechtbank, door te overwegen dat de planologische vergelijking in de second opinion niet onzorgvuldig tot stand is gekomen of daaraan anderszins gebreken kleven, heeft miskend dat daarin zodanige fouten staan, dat het college deze niet aan het besluit van 3 augustus 2010 ten grondslag heeft mogen leggen. Zij voeren aan dat de stichting er bij de planvergelijking ten onrechte vanuit is gegaan dat ingevolge het bestemmingsplan op het noordelijke woonperceel een woning met een maximale bouwhoogte van 11 m en bijgebouwen en terreinafscheidingen, waaronder een tuinmuur, met een maximale bouwhoogte van 15 m mochten worden gebouwd. Volgens hen kon dergelijke bebouwing ter plaatse met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet worden gerealiseerd, gezien de op de plankaart ingetekende bouwgrens aan het Rootven, zoals ook is vermeld in het advies van de schadecommissie. Volgens [appellant A] en [appellant B] zou dergelijke hoge bebouwing ter plaatse bovendien afbreuk doen aan het aanwezige bebouwingspatroon, nu deze hoogten niet aansluiten bij de gemiddelde hoogte van omliggende bebouwing, en afbreuk doen aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken. Een nieuwe woning zou volgens [appellant A] en [appellant B], anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet ontsloten kunnen worden via het oostelijke bedrijfsperceel, omdat de feitelijke werkzaamheden op dat perceel daaraan in de weg stonden.

[appellant A] en [appellant B] voeren verder aan dat in de second opinion ten onrechte is uitgegaan van de mogelijkheid om voorheen op het oostelijke bedrijfsperceel een afscheidingsmuur met een hoogte van 6 m te bouwen. De bouw van een dergelijke muur is volgens hen met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid uitgesloten, omdat een dergelijke hoge muur afbreuk zou doen aan het aanwezige bebouwingspatroon, nu deze hoogte niet aansluit bij de gemiddelde hoogte van omliggende bebouwing, en afbreuk zou doen aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken. De stichting heeft volgens hen bij de planvergelijking ook ten onrechte rekening gehouden met de mogelijkheid om op het oostelijke bedrijfsperceel goederen tot een maximale hoogte van 5 m op te slaan, omdat zij dergelijke opslag op niet meer dan ongeveer 10 m van hun woning met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid uitgesloten achten. Zij stellen dat daarom die opslag hun uitzicht niet had kunnen beperken. Zij voeren verder aan dat nu, zoals in de second opinion is vermeld, volgens de VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering' de afstand tussen een categorie 1-2 bedrijf en een woning minimaal 30 m dient te bedragen, de verwachte milieuhinder van het oostelijke bedrijfsperceel, anders dan de stichting heeft gesteld, in dit geval minder is, omdat hun woning op ongeveer 10 m van dat perceel is gelegen.

[appellant A] en [appellant B] voeren voorts aan dat de nieuw opgerichte tuinmuur ter afscheiding van perceel [locatie 1] van de nieuwe woningen op het oostelijke bedrijfsperceel niet bij de planvergelijking betrokken mag worden, omdat zij deze muur zelf hebben gerealiseerd ter beperking van hun schade. Zij voeren aan dat ten gevolge van de vrijstelling hun uitzicht is beperkt en vanuit de eerste verdiepingen en erkers van de nieuwe woningen inkijk in hun huis en tuin bestaat, waardoor hun privacy is aangetast. Volgens hen leidt de vrijstelling ook tot een toename van het aantal verkeersbewegingen van en naar en op het oostelijke bedrijfsperceel.

2.7.1. De nieuwe woningen op het noordelijke woonperceel, mogen daar ook ingevolge het bestemmingsplan worden gebouwd. Daarvoor is van belang dat ingevolge het bestemmingsplan met binnenplanse vrijstelling op het voor "Woondoeleinden" bestemde noordelijke woonperceel een onbepaald aantal woningen met een bouwhoogte van maximaal 11 m kan worden gerealiseerd, waarbij ook vrijstelling kan worden verleend van de bouwgrens aan het Rootven. Ingevolge het bestemmingsplan kunnen op het noordelijke woonperceel tevens bijgebouwen en terreinafscheidingen, waaronder een tuinmuur, met volgens de bouwverordening een bouwhoogte van maximaal 15 m worden gerealiseerd. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat ontsluiting van dergelijke bebouwing ingevolge het bestemmingsplan planologisch mogelijk is. De rechtbank heeft verder met juistheid overwogen dat [appellant A] en [appellant B] niet aannemelijk hebben gemaakt dat realisering van deze bebouwing en de ontsluiting daarvan met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid is uitgesloten. Deze planologische mogelijkheden zijn derhalve terecht bij de planvergelijking betrokken.

In zoverre faalt het betoog.

2.7.2. De rechtbank heeft ook met juistheid overwogen dat [appellant A] en [appellant B] niet aannemelijk hebben gemaakt, dat de ingevolge het bestemmingsplan op het oostelijk bedrijfsperceel toegestane bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder muren en terreinafscheidingen van 6 m hoog en de op dat perceel toegestane opslag van goederen tot een hoogte van maximaal 5 m voorheen met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet konden worden gerealiseerd. Daarbij is in aanmerking genomen dat voor de opslag van goederen en het verlenen van een binnenplanse vrijstelling voor een bouwwerk, zoals een scheidingsmuur, met een hoogte van 6 m op het oostelijke bedrijfsperceel ingevolge het bestemmingsplan geen voorwaarden gelden ter bescherming van het bebouwingspatroon of gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken. Deze planologische mogelijkheden zijn derhalve terecht bij de planvergelijking betrokken.

Hoewel [appellant A] en [appellant B], met juistheid betogen dat in de second opinion de VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering' onjuist is toegepast, kan dit betoog niet leiden tot het daarmee beoogde doel. Dat in de second opinion ten onrechte is vermeld dat vanaf het oostelijke bedrijfsperceel onacceptabele hinder viel te verwachten, betekent niet dat van het bedrijfsmatige gebruik van het oostelijke bedrijfsperceel geen hinder viel te verwachten. In het advies van de bezwaarschriftencommissie is terecht vermeld dat van het oostelijke bedrijfsperceel geluidhinder, van bijvoorbeeld het laden en lossen en het af- en aanrijden van vrachtwagens, stankhinder, beperking van het uitzicht en aantasting van de privacy viel te verwachten. In het advies van de bezwaarschriftencommissie is ook met juistheid vermeld dat van het oostelijke bedrijfsperceel meer overlast viel te verwachten, dan de planschadecommissie in haar advies van 12 december 2008 heeft aangenomen. Zoals ook de rechtbank heeft overwogen, is vanwege deze te verwachten overlast indertijd op verzoek van [appellant A] en [appellant B] een aarden wal tussen perceel [locatie 1] en het oostelijke bedrijfsperceel aangelegd.

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat op perceel [locatie 1] nog steeds langs de perceelgrens met het oostelijke bedrijfsperceel een aarden wal mag worden gerealiseerd en dat de vrijstelling op dit punt geen planologische verandering betekent. De rechtbank heeft verder met juistheid overwogen, dat de overlast die van de nieuwe woningbouw valt te verwachten wordt beperkt door de op verzoek van [appellant A] en [appellant B] tussen perceel [locatie 1] en het oostelijke bedrijfsperceel geplaatste nieuwe scheidingsmuur. Daarbij is in aanmerking genomen dat, anders dan [appellant A] en [appellant B] betogen, de scheidingsmuur bij de planvergelijking moet worden betrokken, nu de muur met een bouwhoogte van 3 m is ingetekend op de kaart van het bouwplan, waarvoor de vrijstelling is verleend.

Gezien het voorgaande heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat van de nieuwe woningen op het oostelijke bedrijfsperceel niet meer hinder valt te verwachten dan [appellant A] en [appellant B] voorheen van het bedrijfsmatig gebruik van het oostelijke bedrijfsperceel konden verwachten.

Het betoog faalt ook in zoverre.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Oranje, ambtenaar van staat.

w.g. Polak w.g. Oranje

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2012

507.