Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW8163

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-06-2012
Datum publicatie
13-06-2012
Zaaknummer
201107446/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 november 2009 heeft het college het verzoek van [verzoeker] om handhavend op te treden tegen detailhandelactiviteiten op het perceel [locatie 1] te Nieuwegein (hierna: het perceel) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201107446/1/A1.

Datum uitspraak: 13 juni 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Nieuwegein,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 23 mei 2011 in zaak nr. 10/1627 in het geding tussen:

[verzoeker]

en

het college.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 november 2009 heeft het college het verzoek van [verzoeker] om handhavend op te treden tegen detailhandelactiviteiten op het perceel [locatie 1] te Nieuwegein (hierna: het perceel) afgewezen.

Bij besluit van 8 april 2010 heeft het college het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 mei 2011, verzonden op 25 mei 2011, heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het college opgedragen om binnen zes weken na de verzending van de uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 juli 2011, hoger beroep ingesteld.

[verzoeker] heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [belanghebbende] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Bij besluit van 24 november 2011 heeft het college opnieuw beslist op het door [verzoeker] gemaakte bezwaar en dit bezwaar ongegrond verklaard.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 december 2011, heeft [verzoeker] tegen dit besluit beroep ingesteld.

[belanghebbende] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 maart 2012, waar het college, vertegenwoordigd door mr. R.A. Hanoeman, werkzaam bij de gemeente, en [verzoeker], bijgestaan door mr. J.T.F. van Berkel, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende] als belanghebbende gehoord.

2. Overwegingen

2.1. [verzoeker] woont aan de [locatie 2] te Nieuwegein. Bij brief van 16 april 2009 heeft zij het college verzocht om handhavend op te treden tegen de detailhandelactiviteiten die volgens haar worden verricht door haar buurman, [belanghebbende], op het perceel [locatie 1].

2.2. Op de betreffende gronden rust ingevolge het bestemmingsplan "Vreeswijk Noord" de bestemming "Gebied voor wonen (WG)".

Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de gronden op de kaart aangewezen voor "Gebied voor wonen (WG)" bestemd voor:

a. - het wonen met bijbehorende erven en tuinen;

- aan huis gebonden beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten;

- ondergrondse afvalcontainers;

- wegen, fiets- en voetpaden, ((half) ondergrondse) parkeervoorzieningen, water en groenvoorzieningen;

alsmede voor:

b. ter plaatse van de subbestemming WGd: detailhandelsbedrijven.

Ingevolge artikel 1, onder 15, wordt onder "beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten aan huis" verstaan: de uitoefening aan huis van beroepsmatige activiteiten van op administratief, juridisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, waaronder begrepen zogenaamde "vrije beroepen", alsmede niet publieksgerichte bedrijfsmatige activiteiten als bedoeld in categorie 1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, die ondergeschikt zijn aan de woonfunctie van het huis.

Ingevolge artikel 1, onder 17, wordt onder "detailhandel" verstaan: het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen, die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

2.3. Het college betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat er geen strijd met het bestemmingsplan bestaat. Daartoe voert het college kort weergegeven aan dat de verkoop van vissen geen bedrijfsmatige activiteit is, maar een hobbymatige activiteit die niet in strijd is met het bestemmingsplan. Het college betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het geven van adviezen en het verrichten van consulten in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Tot slot betoogt het college dat, indien er een met het bestemmingsplan strijdige situatie is, de ruimtelijke uitstraling daarvan zo gering is dat handhavend optreden niet evenredig is. Hiertoe voert het college aan dat er slechts vijf bezoekers per week komen en dat de hinder voor omwonenden gering is.

2.3.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de activiteiten die ten tijde van het besluit op bezwaar op het perceel plaatsvonden niet zijn aan te merken als hobbymatige activiteiten en zich derhalve niet verhouden tot de geldende bestemming "Gebied voor wonen (WG)". In dit verband overweegt de rechtbank terecht dat [belanghebbende] ten tijde van het besluit op bezwaar actief reclame maakte voor de verkoop van vissen, onder meer door het plaatsen van advertenties op internet. De rechtbank acht voorts terecht van belang dat onweersproken is gesteld dat gemiddeld vijf klanten per week langskomen en dat dit gemiddelde hoger ligt in het voorjaar en het najaar, wanneer de vissen kuit schieten. Niet in geschil is dat ten tijde van het besluit op bezwaar op het perceel gemiddeld tussen de 100 en 150 vissen werden gehouden, waarvan er jaarlijks circa 100 werden verkocht. Voorts is niet in geschil dat de achterzijde van het perceel is volgebouwd met een overdekte vijver, twee overdekte kweekbakken en een schuur met daarin twee kweekbakken. Gezien het vorenstaande oordeelt de rechtbank terecht dat er sprake is van continuïteit in de bedrijfsvoering en dat het aannemelijk is dat er, gelet op de omvang van de activiteiten, sprake is van een winstoogmerk. Verder oordeelt de rechtbank terecht dat het geven van adviezen en het verrichten van consulten verbonden is met de verkoop van vissen die vanaf het perceel plaatsvindt, nu op het perceel behalve vissen ook medicijnen voor vissen en vijverbenodigdheden aan particulieren worden verkocht en dat aannemelijk is dat deze verkoop in veel gevallen voortvloeit uit een consult of advies.

De rechtbank heeft voorts terecht het betoog van het college verworpen dat, indien er een met het bestemmingsplan strijdige situatie zou zijn, de ruimtelijke uitstraling daarvan zo gering is dat handhavend optreden onevenredig zou zijn. Daartoe oordeelt de rechtbank terecht dat het gebruik van het perceel een ruimtelijke uitstraling heeft die niet overeenkomt met de ter plaatse geldende woonbestemming. Daarbij neemt de rechtbank terecht in aanmerking dat aannemelijk is dat [verzoeker] parkeer- en geluidoverlast ondervindt als gevolg van de activiteiten op het perceel, onder meer door de verkoop van vissen en het geven van rondleidingen op het perceel en de verkeersaantrekkende werking die daarmee gepaard gaat.

Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Bij besluit van 24 november 2011 heeft het college ter uitvoering van de aangevallen uitspraak opnieuw beslist op het door [verzoeker] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 26 november 2009 en dat bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht eveneens voorwerp te zijn van dit geding.

2.6. [verzoeker] betoogt dat het college gehouden is om handhavend op te treden, nu de activiteiten die op het perceel plaatsvinden zijn aan te merken als detailhandel, hetgeen in strijd is met de ter plaatse geldende woonbestemming. [verzoeker] voert aan dat [belanghebbende] advertenties plaatst op zijn website en op internet, die gericht zijn op de verkoop van vissen. Verder betoogt [verzoeker] dat er sprake is van detailhandelactiviteiten, omdat [belanghebbende] een aanzienlijke voorraad vissen heeft en er structureel klanten langskomen.

2.6.1. Het college heeft zich in het besluit van 24 november 2011 ten onrechte op het standpunt gesteld dat de activiteiten die [belanghebbende] verricht op het perceel hobbymatig zijn en in overeenstemming zijn met de ter plaatse geldende woonbestemming, zodat het niet gehouden was om handhavend op te treden. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de activiteiten die [belanghebbende] op het perceel verricht niet zodanig zijn gewijzigd of in omvang zijn beperkt ten opzichte van de activiteiten zoals die plaatsvonden ten tijde van het besluit op bezwaar van 8 april 2010. In dit verband is van belang dat blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting ook in de huidige situatie op het perceel kweekbakken met vissen aanwezig zijn en dat zij twee keer per jaar kuit schieten, waarbij er circa 40 tot 50 koikarpers groot worden. Niet in geschil is dat het overschot aan vissen veelal wordt verkocht en dat er gemiddeld vijf klanten per week het perceel bezoeken. Zoals het college in het besluit van 24 november 2011 heeft aangegeven genereert [belanghebbende] inkomsten uit de verkoop van vissen en adverteert hij op internet. Verder staat vast dat [belanghebbende] een eigen website heeft, waarop is vermeld dat het perceel op afspraak kan worden bezocht.

Voorts heeft het college zich gelet op de voorgenoemde omstandigheden niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat, indien de activiteiten in strijd zijn met het bestemmingsplan, de ruimtelijke uitstraling van die activiteiten zodanig beperkt is dat handhavend optreden onevenredig zou zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen.

Het betoog slaagt.

2.7. Ten aanzien van het betoog van [verzoeker] over de vaststelling van de dwangsom op grond van artikel 4:17 van de Awb, gaat de Afdeling er van uit dat, nu het college ter zitting heeft bevestigd dat het aan [verzoeker] een dwangsom verschuldigd is, het college omtrent dit verzoek alsnog een beschikking zal nemen.

2.8. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep van [verzoeker] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Nieuwegein van 24 november 2011 gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Nieuwegein van 24 november 2011;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Nieuwegein tot vergoeding van bij [verzoeker] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 655,50 (zegge: zeshonderdvijfenvijftig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Nieuwegein een griffierecht van € 454,00 (zegge: vierhonderdvierenvijftig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van staat.

w.g. Offers w.g. Montagne

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2012

374-651.