Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW8159

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-06-2012
Datum publicatie
13-06-2012
Zaaknummer
201105985/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 juli 2009 heeft het college aan [wederpartijen] een vergoeding voor planschade ten bedrage van € 25.000,00 toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201105985/1/A2.

Datum uitspraak: 13 juni 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders Sint Anthonis,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 15 april 2011 in zaak nr. 10/405 in het geding tussen:

[wederpartijen], beiden wonend te Sint Anthonis,

en

het college.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 juli 2009 heeft het college aan [wederpartijen] een vergoeding voor planschade ten bedrage van € 25.000,00 toegekend.

Bij besluit van 21 december 2009 heeft het college het door [wederpartijen] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 april 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [wederpartijen] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 21 december 2009 vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 mei 2011, hoger beroep ingesteld.

[wederpartijen] hebben een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 januari 2012, waar het college, vertegenwoordigd door G.H.J. Kusters, werkzaam bij de gemeente, vergezeld van P.J.A. Lemmers, werkzaam bij de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: SAOZ), en [wederpartijen] in persoon, bijgestaan door mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), zoals dit artikel luidde ten tijde hier van belang en voor zover hier van belang, kent het college, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.2. Bij de beoordeling van een verzoek om planschadevergoeding dient te worden onderzocht of de verzoeker door wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de planologische maatregel waarvan gesteld wordt dat deze schade heeft veroorzaakt en het voordien geldende planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van deze regimes maximaal kon onderscheidenlijk kan worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Slechts wanneer realisering van de maximale mogelijkheden van het planologische regime met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan daarin aanleiding worden gevonden om te oordelen dat van voormeld uitgangspunt moet worden afgeweken.

2.3. [wederpartijen] zijn eigenaar van een perceel met een halfvrijstaande woonboerderij aan de [locatie] te Sint Anthonis (hierna ook: het perceel). Zij hebben verzocht om vergoeding van planschade ten gevolge van het op 3 december 2007 in werking getreden bestemmingsplan "Partiële herziening Turborotonde N272/Dokter Verbeecklaan" (hierna: de partiële herziening).

Het college heeft aan het besluit van 14 juli 2009 een advies van de SAOZ van april 2009 ten grondslag gelegd, waarin de partiële herziening is vergeleken met het ter plaatse voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied 2000" (hierna: het bestemmingsplan). Volgens het SAOZ-advies maakt de partiële herziening ten zuidwesten van het perceel de verlegging van een interlokale weg met bijbehorende voorzieningen op een kortste afstand van ongeveer 60 m vanaf het perceel tot direct naast het perceel mogelijk en ondervinden [wederpartijen] daarvan planologisch nadeel, bestaande uit extra verkeershinder, zoals geluid- en lichthinder. Volgens het advies verandert de partiële herziening verder de functie van het terrein ten zuidwesten van het perceel van een agrarisch gebied met fiets- en voetpaden in een meer versteend verkeersgebied, waardoor de gunstige ligging van het perceel wordt aangetast. De SAOZ heeft de waarde van het perceel onder het regime van het bestemmingsplan getaxeerd op een bedrag van € 380.000,00 en onder het regime van de partiële herziening op een bedrag van € 355.000,00. Zij heeft aldus het planologisch nadeel bepaald op € 25.000,00 en geadviseerd dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2008 tot aan de dag van betaling als vergoeding voor planschade aan [wederpartijen] toe te kennen.

[wederpartijen] hebben bij hun bezwaarschrift een door M.P.L.T. Peters, beëdigd taxateur, opgesteld taxatierapport van 26 juni 2009 (hierna: het taxatierapport) overgelegd, waarin de partiële herziening is vergeleken met het bestemmingsplan. Volgens het taxatierapport heeft de planologische verandering tot gevolg dat gronden ten zuidwesten van het perceel met voorheen een agrarische bestemming voor verkeersdoeleinden zijn bestemd en dat daarop een interlokale weg verhoogd en vrijwel direct grenzend aan het perceel kan worden aangelegd, hetgeen leidt tot een toename van verkeershinder, zoals geluid, licht, meer inkijk op en aantasting van het uitzicht vanaf het perceel. De partiële herziening heeft volgens het taxatierapport verder tot gevolg, dat ten noordoosten van het perceel een verhoogd aangelegde nieuwe rotonde op kortere afstand van het perceel kan worden gerealiseerd dan het voorheen aanwezige kruispunt, hetgeen leidt tot extra verkeershinder en meer inkijk op het perceel. De taxateur heeft het perceel onder het regime van het bestemmingsplan getaxeerd op een bedrag van € 460.000,00 en onder het regime van de partiële herziening op een bedrag van € 415.000,00. Hij heeft aldus het planologische nadeel bepaald op € 45.000,00.

Het college heeft het besluit van 21 december 2009 mede gebaseerd op een door de SAOZ opgesteld nader advies van 30 september 2009. Daarin stelt de SAOZ dat de planvergelijking in het taxatierapport gedeeltelijk onjuist is, omdat voorheen ingevolge het bestemmingsplan ook ten noordoosten, op korte afstand van het perceel een verhoogde rotonde kon worden aangelegd. Voorts is volgens het nader SAOZ-advies de taxatie van het perceel in het taxatierapport niet juist, onder meer omdat het perceel daarbij is vergeleken met percelen met vrijstaande woningen in een rustige omgeving, terwijl op het perceel een halfvrijstaande woonboerderij staat, nabij een druk kruispunt van interlokale wegen.

2.4. Het college betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat voorheen ingevolge het bestemmingsplan een verhoging van het maaiveld van de zuidwestelijk van het perceel gelegen gronden met de bestemmingen "Agrarisch gebied - Ag" en "Agrarisch gebied met hoge landschappelijke en/of abiotische waarden - Alaw" planologisch niet mogelijk was, heeft miskend dat het bestemmingsplan niet in de weg stond aan een verhoging van het maaiveld van deze gronden. Het college voert aan dat het bestemmingsplan voor deze gronden geen aanlegvergunningenstelsel kende. Volgens het college kan de aanleg van een aarden wal van 2 m hoog op deze gronden een vorm van duurzaam agrarisch gebruik zijn, bijvoorbeeld ter bescherming van daarachter gelegen duurzaam agrarisch kweekgoed. Verder voert het college aan, dat ingevolge het bestemmingsplan op het zuidwestelijke terrein bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een hoogte van 2,75 m voor een doelmatige agrarische bedrijfsuitoefening waren toegestaan en dat het daarom met juistheid heeft overwogen dat het uitzicht vanaf het perceel niet is aangetast door de planologische verandering.

2.4.1. Het geschil heeft zich op het punt van de planvergelijking in hoger beroep toegespitst op de vraag of het maaiveld van een terrein direct ten zuidwesten van het perceel ingevolge het bestemmingsplan in dezelfde mate mocht worden verhoogd als thans ingevolge de partiële herziening mogelijk is. Ter zitting heeft de Afdeling aan de hand van de plankaart van het bestemmingsplan vastgesteld dat dit zuidwestelijke terrein ingevolge het bestemmingsplan gedeeltelijk was bestemd als "Agrarisch gebied - Ag" en gedeeltelijk als "Landschapselement". [wederpartijen] hebben ter zitting vermeld, dat het geschil over de planvergelijking zich beperkt tot het zuidwestelijke bestemmingvlak "Agrarisch gebied - Ag".

Gronden met de bestemming "Agrarisch gebied - Ag" zijn ingevolge artikel 9, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan, voor zover thans van belang, bestemd voor een duurzame agrarische bedrijfsuitoefening en extensief recreatief medegebruik. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 31, wordt in de voorschriften verstaan onder duurzame agrarische bedrijfsuitoefening: "Instandhouden en ontwikkelen van de agrarische productiefunctie waarbij als uitgangspunt geldt, dat aan volwaardige agrarische bedrijven voldoende mogelijkheden moeten worden geboden om ook op lange termijn de nodige volwaardigheid en levensvatbaarheid te behouden". Deze bepalingen vormen naar het oordeel van de Afdeling, anders dan de rechtbank heeft overwogen, geen belemmering voor ophoging van het zuidwestelijke bestemmingsvlak "Agrarisch gebied - Ag" met een extra laag grond ter behoeve van een duurzame agrarische productie. Dat [wederpartijen] ophoging van dit bestemmingsvlak, gezien de beperkte oppervlakte ervan, onwaarschijnlijk achten, betekent niet dat een dergelijke ophoging met aan zekerheid grenzende waarschijnlijk is uitgesloten, zodat bij de planvergelijking van die mogelijkheid moet worden uitgegaan.

Het betoog slaagt.

2.5. Het college betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen, dat in het besluit van 21 december 2009 onvoldoende is gemotiveerd waarom aan de eigenaren van het aansluitende perceel met halfvrijstaande woning Boxmeerseweg 4 een procentueel hogere vergoeding voor planschade ten gevolge van de partiële herziening is toegekend, dan aan [wederpartijen]. Het college voert aan dat perceel Boxmeerseweg 4 over een veel grotere lengte grenst aan het zuidwestelijke gebied waar zich de planologische verslechtering voordoet en daarom van de planologische verandering een grotere aantasting van de privacy ondervindt dan perceel [locatie]. In dit verband wijst het college erop dat de achtertuin van de woning [locatie] door de woning Boxmeerseweg 4 van het zuidwestelijke gebied wordt afgeschermd, terwijl de woning Boxmeerseweg 4 een dergelijke afscherming niet heeft.

2.5.1. Dit betoog slaagt evenzeer. Het college heeft zowel aan [wederpartijen] als aan de eigenaren van perceel Boxmeerseweg 4 een vergoeding voor planschade ten gevolge van de partiële herziening ten bedrage van € 25.000,00 toegekend. Dit komt neer op planschadevergoedingen van 6,6% van de waarde van perceel [locatie] en van 7,8% van de waarde van perceel Boxmeerseweg 4. Volgens het nader SAOZ-advies van 30 september 2009, dat mede aan het besluit van 21 december 2009 ten grondslag is gelegd, is dit verschil in percentages het gevolg van de verschillende ligging van de percelen ten opzichte van het zuidwestelijke terrein. Daarbij is vermeld dat perceel [locatie] slechts met de zijdelingse perceelsgrens op het zuidwestelijke terrein is georiënteerd, terwijl perceel Boxmeerseweg 4 daarop met de volledige frontbreedte is georiënteerd. De Afdeling heeft ter zitting aan de hand van getoonde foto’s en een kadastrale kaart vastgesteld dat dit een juiste weergave is van de situering van de beide percelen ten opzichte van het zuidwestelijke terrein. De Afdeling is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat het college op dit punt op het nader SAOZ-advies mocht afgaan en daarmee het verschil tussen de percentages toereikend heeft gemotiveerd. Daarbij is in aanmerking genomen dat zowel [wederpartijen], als de eigenaren van perceel Boxmeerseweg 4 volgens de SAOZ-adviezen alleen planologische nadeel lijden ten gevolge van de bestemmingswijzigingen voor het zuidwestelijke terrein en voorts dat het verschil tussen de percentages niet erg groot is.

2.6. Het hoger beroep van het college is gegrond. De Afdeling zal thans ingaan op door [wederpartijen] in beroep aangevoerde gronden, waaraan de rechtbank niet is toegekomen.

2.7. [wederpartijen] betogen, onder verwijzing naar het door hen overgelegde taxatierapport, dat de SAOZ de waarde van hun perceel voorafgaande aan de planologische verandering te laag heeft getaxeerd.

2.7.1. Dit betoog faalt. De rechtbank heeft overwogen dat de partiële herziening voor gronden ten noorden en westen van perceel [locatie], die ingevolge het bestemmingsplan waren bestemd voor "Verkeersdoeleinden", geen planologische verandering betekent, nu die bestemming niet is gewijzigd en op die gronden voorheen evenzeer het maaiveld mocht worden verhoogd. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat in het taxatierapport van een onjuiste planvergelijking is uitgegaan, voor zover daarin is aangenomen dat ingevolge het bestemmingsplan verhoging van het maaiveld van gronden met de bestemming "Verkeersdoeleinden" niet was toegestaan. Nu [wederpartijen] tegen dit oordeel van de rechtbank niet in hoger beroep zijn gekomen, moet daarvan thans worden uitgegaan. Hieruit volgt dat in het taxatierapport bij de taxatie van de waarde van perceel [locatie] voorafgaande aan de planologische verandering niet is uitgegaan van de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan. Reeds hierom heeft het college terecht in het taxatierapport geen aanleiding gevonden de in het SAOZ-advies vermelde taxatie van de waarde van perceel [locatie] voorafgaande aan de planologische verandering onjuist te achten.

2.8. [wederpartijen] betogen verder dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met de mogelijkheid ingevolge de partiële herziening om over de volle lengte van hun woning een grote betonnen tunnelbak voor fietsers aan te leggen, die hun uitzicht geheel kan wegnemen.

2.8.1. Ook dit betoog faalt. Ingevolge het bestemmingsplan waren voorheen binnen het zuidwestelijke bestemmingsvlak "Agrarisch gebied - Ag" bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een maximale hoogte van 2,75 m ten behoeve van extensieve recreatie toegestaan. Dit betekent dat onder het regime van het bestemmingsplan de aanleg van een fietstunnel evenzeer was toegestaan. De partiële herziening is op dit punt geen planologische verandering ten opzichte van het bestemmingsplan.

2.9. Het beroep van [wederpartijen] is ongegrond.

2.10. Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en dat de Afdeling, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep van [wederpartijen] alsnog ongegrond zal verklaren.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 15 april 2011 in zaak nr. 10/405;

III. verklaart het beroep van [wederpartijen] ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Oranje, ambtenaar van staat.

w.g. Polak w.g. Oranje

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2012

507.