Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW8157

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-06-2012
Datum publicatie
13-06-2012
Zaaknummer
201112558/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 oktober 1998 heeft de staatssecretaris de aanvraag van de vereniging om de kapel en het kloostergebouw op het voormalige landgoed Abshoven te Munstergeleen aan te wijzen als rijksmonument, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201112558/1/A2.

Datum uitspraak: 13 juni 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de vereniging Vereniging Heemkunde zonder Grenzen, gevestigd te Sittard-Geleen,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 19 oktober 2011 in zaak nr. 11/197 in het geding tussen:

de vereniging

en

de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 oktober 1998 heeft de staatssecretaris de aanvraag van de vereniging om de kapel en het kloostergebouw op het voormalige landgoed Abshoven te Munstergeleen aan te wijzen als rijksmonument, afgewezen.

Bij besluit van 27 december 2010 heeft de staatssecretaris het door de vereniging daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de aanvraag opnieuw afgewezen.

Bij uitspraak van 19 oktober 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door de vereniging daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vereniging bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 november 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 2 januari 2012.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 mei 2012, waar de vereniging, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. T. Ruhnke en dr. I.M. Contant, beiden werkzaam bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 (hierna: de Monumentenwet) kan de minister, al dan niet op verzoek van belanghebbenden, onroerende monumenten aanwijzen als beschermd monument.

Ingevolge artikel 2, tweede lid, aanhef en onder c, van de Beleidsregels aanwijzing beschermde monumenten op verzoek (hierna: de Beleidsregels) kan in afwijking van het eerste lid een verzoek tot aanwijzing als beschermd monument worden toegewezen, indien het verzoek een monument betreft dat een onderdeel vormt van een complex dat voor het overige of voor een aantal onderdelen reeds is aangewezen als beschermd monument.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, wordt een verzoek tot aanwijzing als beschermd monument van een monument dat is vervaardigd in de periode van 1850 tot 1940 en dat is gelegen in een gebied waar een Monumenten Registratie Procedure (hierna: MRP) is afgerond, afgewezen.

Ingevolge het tweede lid is artikel 2, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

2.2. Het voormalige landgoed Abshoven bestaat uit een abdijhoeve, een kapel en een kloostergebouw. De kapel en het kloostergebouw zijn in de periode 1908 tot 1910 gebouwd als uitbreiding en ter voltooiing van de in 1901 als klooster in gebruik genomen abdijhoeve. De abdijhoeve is in 1966 aangewezen als beschermd monument. De kapel en het kloostergebouw zijn door gedeputeerde staten van Limburg (hierna: gedeputeerde staten) in het kader van het Monumenten Inventarisatie Project (hierna: MIP) geïnventariseerd. Nadat in 1995 op het complex een brand heeft gewoed die schade heeft toegebracht aan alle gebouwen, is besloten de kapel en het kloostergebouw niet voor te dragen voor het Monumenten Selectie Project (hierna: MSP). In 2002 is een procedure gestart om de abdijhoeve van de lijst van beschermde monumenten af te voeren.

2.3. De staatssecretaris heeft de aanvraag van de vereniging om de kapel en het kloostergebouw aan te wijzen als rijksmonument, voor advies voorgelegd aan de raad van de gemeente Sittard (hierna: de raad) en de Raad voor Cultuur (hierna: de RvC).

De raad heeft in zijn vergadering van 29 januari 1998 positief geadviseerd, omdat de kapel en het kloostergebouw, ondanks de schade, van cultuurhistorisch belang zijn, nu het voormalige landgoed Abshoven als enige uithof in Zuid Limburg en als enige vestiging van de congregatie van Dienaressen van Het Hart van Jezus (hierna: de congregatie Dienaressen) hoge uniciteitswaarde bezit.

De RvC heeft bij brief van 15 januari 1998 eveneens positief geadviseerd, omdat de kapel en het kloostergebouw, ondanks de schade, van rijksbelang zijn vanwege de architectuurhistorische, cultuurhistorische en typologische waarden en de ensemble- en uniciteitswaarde. De RvC wijst in het bijzonder op het L-vormige kloosterhuis als verbindend element tussen de abdijhoeve en de kapel dat een beeld geeft van de ontwikkelingsgeschiedenis en de kruisvormige plattegrond met centrale viering van de kapel die in het exterieur wordt geaccentueerd en verwijst naar de eeuwigdurende aanbidding door de congregatie Dienaressen van Het Hart van Jezus (hierna: de congregatie Dienaressen).

Bij besluit van 2 oktober 1998, zoals gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 25 april 2003, heeft de staatssecretaris in afwijking van de adviezen van de raad en de RvC de aanvraag afgewezen.

2.4. Bij uitspraak van 17 juni 2004 in zaak nr. 03/821 heeft de rechtbank het besluit van 25 april 2003 vernietigd, omdat de staatssecretaris artikel 3, tweede lid, gelezen in verbinding met artikel 2, tweede lid, aanhef en onder c, van de Beleidsregels onjuist heeft toegepast. Verder heeft zij overwogen dat de staatssecretaris onvoldoende aandacht heeft besteed aan de cultuurhistorische waarde van de kapel en het kloosterhuis. Het standpunt van de staatssecretaris, dat de congregatie Dienaressen in nationaal perspectief niet een belangrijke congregatie was, betekent niet dat de kapel en het kloostergebouw niet van algemeen belang kunnen zijn vanwege hun cultuurhistorische waarde. Blijkens de parlementaire geschiedenis kan een algemeen belang zowel een nationaal belang als een plaatselijk belang zijn, aldus de rechtbank.

2.5. Ter uitvoering van deze uitspraak heeft de staatssecretaris het besluit van 27 december 2010 genomen. Daarin heeft hij nader gemotiveerd dat de kapel en het kloostergebouw in hun huidige staat onvoldoende monumentale waarden vertegenwoordigen om als beschermd monument te worden aangewezen, waarbij hij in aanmerking heeft genomen dat de kapel en het kloostergebouw ten opzichte van het bestand van beschermde monumenten geen wezenlijke toevoeging zijn. Dit besluit is mede gebaseerd op een door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (hierna: de RCE) op 13 januari 2010 verricht onderzoek, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een brief van 13 april 2010.

2.6. Bij uitspraak van 19 oktober 2011 heeft de rechtbank dat besluit vernietigd, omdat de staatssecretaris in strijd met haar uitspraak van 17 juni 2004 geen toepassing heeft gegeven aan de Beleidsregels. De rechtbank heeft aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten, omdat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de kapel en het kloostergebouw onvoldoende monumentale waarde hebben en geen wezenlijke toevoeging zijn aan het huidige bestand van beschermde monumenten, zodat hij ook bij toepassing van de Beleidsregels de aanvraag in redelijkheid had kunnen afwijzen.

2.7. Het hoger beroep richt zich tegen de instandlating van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit. De vereniging betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de staatssecretaris in strijd met de uitspraak van 17 juni 2004 wederom niet heeft getoetst aan de Beleidsregels.

Verder heeft de rechtbank miskend dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de kapel en het kloostergebouw meer dan 50% van hun authentieke waarden hebben verloren. Het door de RCE verrichte onderzoek dat aan de besluitvorming ten grondslag ligt, is gebrekkig, nu de waarneming ter plaatse en het literatuuronderzoek onvoldoende grondig zijn geweest en geen officiële rapportage is opgemaakt. In dit verband is van belang dat de gemeente Sittard-Geleen met de eigenaar van het voormalige landgoed is overeengekomen dat hij het casco van de kapel en het kloostergebouw restaureert en dat veel origineel materiaal bewaard is gebleven dat daarvoor kan worden gebruikt.

Ten slotte heeft de rechtbank miskend dat de staatssecretaris voor beantwoording van de vraag of de kapel en het kloostergebouw beschermd moeten worden, wederom het vermeende beperkte nationale belang van de congregatie Dienaressen doorslaggevend heeft geacht. Zoals blijkt uit de uitspraak van de rechtbank van 17 juni 2004 is dat een onjuiste benadering, aldus de vereniging.

2.7.1. Het uitgangspunt van artikel 3 van de Beleidsregels is dat monumenten die zijn vervaardigd in de periode 1850 tot 1940 en die zijn gelegen in een gebied waarvoor een MRP is afgerond, niet worden aangewezen. Indien een van de uitzonderingsgronden als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Beleidsregels zich voordoet, kan de staatssecretaris alsnog overgaan tot aanwijzing. Toepassing van artikel 2, tweede lid, onder c, van de Beleidsregel leidt er in onderhavig geval derhalve toe dat de staatssecretaris beoordeelt of de kapel en het kloostergebouw voldoende monumentale waarde hebben om als beschermd monument kunnen worden aangewezen. Nu de staatssecretaris die beoordeling heeft verricht, kan het betoog van de vereniging dat de staatssecretaris had moeten toetsen aan de Beleidsregels niet leiden tot het daarmee beoogde doel.

2.7.2. De staatssecretaris heeft zich bij de beoordeling of de kapel en het kloostergebouw beschermenswaardig zijn, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat daarbij het bestaande bestand van beschermde monumenten in aanmerking moet worden genomen, nu objecten uit de periode van voor 1940 reeds onderwerp zijn geweest van een MIP, MSP en MRP en de omvang van het huidige bestand van beschermde monumenten dwingt tot het maken van keuzes. Daarbij komen voor aanwijzing slechts in aanmerking gebouwen die een wezenlijke toevoeging zijn aan het bestaande bestand van beschermde monumenten.

2.7.3. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat de bouwkundige staat van de kapel en het kloostergebouw als gevolg van brand, weersinvloeden en vandalisme, slecht is. De Afdeling ziet in hetgeen de vereniging heeft aangevoerd geen grond aan deze beoordeling te twijfelen. De enkele stelling van de vereniging dat het door de RCE ter plaatse verrichte onderzoek dat aan de besluitvorming ten grondslag ligt niet grondig is geweest, is daarvoor onvoldoende. De stelling van de vereniging dat naar aanleiding van dat onderzoek geen officiële rapportage is opgemaakt, treft in dit verband evenmin doel, nu de bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in de brief van 13 april 2010.

2.7.4. Aan de omstandigheid dat de gemeente met de eigenaar van de gebouwen is overeengekomen dat hij de gebouwen gaat renoveren, heeft de staatssecretaris geen doorslaggevende betekenis hoeven toekennen. De staatssecretaris heeft gemotiveerd dat renovatie in dit geval reconstructie met grotendeels nieuwe materialen betekent, terwijl gebruik van oorspronkelijke materialen vanuit het oogpunt van monumentenzorg gewenst is. Dat nog oorspronkelijke materialen aanwezig zijn, zoals de vereniging betoogt, doet niet af aan het standpunt van de staatssecretaris dat de gebouwen grotendeels moeten worden gereconstrueerd. Degelijke gebouwen komen alleen in aanmerking voor aanwijzing indien de monumentale waarden ervan voldoende zwaarwegend zijn.

2.7.5. Ter zake van de cultuurhistorische waarde van de kapel en het kloostergebouw heeft de staatssecretaris de omstandigheid dat de congregatie Dienaressen zich in 1901 in Abshoven heeft gevestigd niet voldoende zwaarwegend behoeven te achten. Daarbij heeft hij zich op het standpunt mogen stellen dat, hoewel zij de enige van deze congregatie in Nederland was, zij ook één van de vele congregaties was die destijds vanuit de omringende landen naar Nederland kwamen en tot doel hadden het sacrament voortdurend te aanbidden en dat in internationaal opzicht het belang van de vestiging in Nederland voor de congregatie als geheel gering was, omdat de zusters in Frankrijk actief bleven. Dat de congregatie op lokaal niveau een belangrijke rol vervulde bij de opvang en pedagogische begeleiding van kinderen uit probleemgezinnen uit heel Zuid-Nederland heeft de staatssecretaris eveneens van onvoldoende belang kunnen achten, omdat deze rol niet tot uitdrukking komt in de kapel en het kloostergebouw zelf. Anders dan de vereniging betoogt, heeft de staatssecretaris aldus bij de beoordeling van de cultuurhistorische waarde niet uitsluitend het belang van de congregatie Dienaressen op nationaal niveau in aanmerking genomen.

2.7.6. Voorts heeft de staatssecretaris zich op het standpunt mogen stellen dat de cultuurhistorische waarden waarvoor kapel en kloostergebouw in het algemeen staan, niet alleen door het voormalige klooster Abshoven worden vertegenwoordigd, maar ook door veel andere gebouwen in Nederland. Het L-vormige kloostergebouw als verbinding tussen de abdijhoeve en de kapel was van cultuurhistorische waarde, omdat het de ontwikkelingsgeschiedenis van het complex liet zien. De staatssecretaris heeft hierin echter geen aanleiding behoeven te zien de gebouwen aan te wijzen. Zoals uit de door de RCE gemaakte foto's blijkt, resteert van de abdijhoeve nog slechts een ruïne, zodat de ensemblewaarde van de gebouwen niet meer aanwezig is en de cultuurhistorische samenhang is verdwenen. Dat deze foto's geen juist beeld van de situatie ter plaatse geven, zoals de vereniging stelt, heeft zij onvoldoende onderbouwd.

2.7.7. Ten slotte heeft de staatssecretaris zich, onbestreden in beroep en hoger beroep, op het standpunt gesteld dat de kapel en het kloostergebouw niet van grote architectuurhistorische waarde zijn, omdat zij niet representatief zijn voor het werk van ontwerper Johannes Kayser, van wie reeds een breed bestand aan bouwwerken onder de bescherming van de Monumentenwet is gebracht en dat zij evenmin representatief zijn voor de neogotiek in Nederland. In het standpunt van de vereniging dat de wijze waarop de kapel is overkoepeld zeer bijzonder is, heeft de staatssecretaris geen aanleiding gezien tot aanwijzing over te gaan, omdat niet elke bouwkundige bijzonderheid tot aanwijzing moet leiden. Dat standpunt is niet onredelijk.

2.7.8. De Afdeling is van oordeel dat de staatssecretaris, gelet op de bouwkundige staat van het complex en de beperkte monumentale waarden van de kapel en het kloostergebouw alsmede de omvang van het huidige bestand van beschermde monumenten, de aanvraag van de vereniging, in afwijking van de adviezen van de raad en de RvC, in redelijkheid heeft kunnen afwijzen. De rechtbank is tot hetzelfde oordeel gekomen en heeft de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit dan ook terecht op die grond in stand gelaten.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. D. Roemers en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Poot

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2012

362-686.