Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW8156

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-06-2012
Datum publicatie
13-06-2012
Zaaknummer
201200290/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 januari 2008 heeft het college aan de vereniging Vereniging van Eigenaren Park Oud Wassenaar (hierna: VvE Park Oud Wassenaar) een monumentenvergunning verleend voor het wijzigen van de toegangspoorten en het plaatsen van een hekwerk en het hierbij aanleggen van een hellingbaan op monument Buitenplaats Oud Wassenaar te Wassenaar.

Wetsverwijzingen
Monumentenwet 1988
Monumentenwet 1988 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2012/86 met annotatie van J.W. van Zundert
JOM 2012/728
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201200290/1/T1/A2.

Datum uitspraak: 13 juni 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 49, zesde lid, van de Wet op de Raad van State op de hoger beroepen van:

1. het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar, gevestigd te Wassenaar,

2. Monumentenstichting Kasteel Oud-Wassenaar, gevestigd te Wassenaar,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 30 november 2011 in zaken nrs. 08/1401 en 08/3657 in het geding tussen:

de Stichting

en

het college.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 januari 2008 heeft het college aan de vereniging Vereniging van Eigenaren Park Oud Wassenaar (hierna: VvE Park Oud Wassenaar) een monumentenvergunning verleend voor het wijzigen van de toegangspoorten en het plaatsen van een hekwerk en het hierbij aanleggen van een hellingbaan op monument Buitenplaats Oud Wassenaar te Wassenaar.

Bij uitspraak van 30 november 2011, verzonden op dezelfde dag, voor zover hier van belang, heeft de rechtbank het door de Stichting daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 17 januari 2008 vernietigd en het beroep van de Stichting tegen de van rechtswege verleende monumentenvergunning ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 januari 2012, en de Stichting bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 januari 2012, hoger beroep ingesteld. Het college heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 7 februari 2012. De Stichting heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 7 februari 2012.

Het college en de Stichting hebben een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft de VvE Park Oud Wassenaar een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Stichting en de VvE Park Oud Wassenaar hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 mei 2012, waar het college, vertegenwoordigd door mr. I.M. van der Heijden, advocaat te Den Haag, en de Stichting, vertegenwoordigd door mr. D.J. van Schravendijk, advocaat te Den Haag, zijn verschenen. Voorts zijn [voorzitter] van de Stichting Flatpark Oud Wassenaar, bestuurder van de VvE Park Oud Wassenaar, en [gemachtigde] ter zitting gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49, zesde lid, van de Wet op de Raad van State, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

2.2. Het college betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de Stichting geen belanghebbende is bij het besluit van 17 januari 2008. Volgens het college had de rechtbank om die reden het beroep van de Stichting tegen dat besluit niet-ontvankelijk moeten verklaren.

2.2.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge het derde lid worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

2.2.2. Het betoog faalt. De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat de belangen van de Stichting rechtstreeks bij het besluit zijn betrokken. Voorts kan een wijziging in de poorten van de toegangsweg (hierna: de Kasteellaan) gevolgen hebben voor de bereikbaarheid van Kasteel Oud Wassenaar (hierna: het kasteel), waarvan de Stichting eigenaar is. Ook op grond hiervan zijn de belangen van de Stichting rechtstreeks bij het besluit betrokken.

2.3. De Stichting betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het plaatsen van afsluitende toegangshekken op de Kasteellaan een onaanvaardbare aantasting van het Rijksmonument "Historische Buitenplaats "Oud Wassenaar"" oplevert. Volgens de Stichting kende het oorspronkelijk ontwerp, uitgevoerd in de periode 1877-1880 geen toegangspoorten. Zij voert aan dat het aanbrengen van de toegangshekken een verdere versnippering van de Kasteellaan tot gevolg heeft, doordat deze wordt gewijzigd van een monumentale en onbelemmerde hoofdtoegangsweg naar het kasteel in een in segmenten verdeelde toegangsweg. Bovendien zal daardoor de functie van de Kasteellaan als hoofdtoegangsweg naar het kasteel worden ondermijnd. Het is evident in strijd met het oorspronkelijk ontwerp dat de toegang tot het kasteel feitelijk wordt belemmerd. De Kasteellaan is aangelegd ten behoeve van het kasteel om dat ongehinderd te kunnen bereiken, aldus de Stichting. Ter zitting heeft de Stichting nog aangevoerd dat, nu de vergunning van rechtswege is verleend, de vergunning ook betrekking heeft op de zwaailichten, waarvoor de Rijksdienst Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (hierna: RCAM) een negatief advies heeft gegeven.

2.3.1. De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat het college aan de namens de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap uitgebrachte adviezen van de RCAM, thans de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed van 12 december 2006 en 13 februari 2007 een groot gewicht mocht toekennen.

In het advies van 12 december 2006 van de RCAM is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

"Het plan betreft het plaatsen van 2 draaihekken tussen de bestaande hekpijlers aan de zuid- en noordzijde van de oprijlaan. De vormgeving van de nieuwe draaihekken wordt bepaald door het bestaande hekwerk. Onduidelijk is de materialisering van de hekken, de wijze van bevestiging van de hekken in de bestaande hekpijlers en in hoeverre op/ of aan de bestaande hekpijlers bedieningsapparatuur wordt geplaatst. Ik word hierover graag nader geïnformeerd. Ik sta positief tegenover het completeren van het hekwerk."

Het advies van 13 februari 2007 betreft de aan de hekpijlers aangebrachte extra voorzieningen. In dit advies is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

"De voorzieningen die worden getroffen zijn met name opbouw (beltableau), losstaand (fotocellen, zuil met lezer), of ondergronds (sturingskast, uitrijlus).

Wat een storend en onnodig toegevoegd element vormt, is het zwaailicht. Ik verzoek u deze achterwege te laten.

(…)

Gelet op het bovenstaande bestaan er vanuit het oogpunt van monumentenzorg geen bezwaren tegen de uitvoering van het hierboven beoordeelde plan en adviseer ik u derhalve positief met uitzondering van het zwaailicht en inachtneming van het bovenstaande."

2.3.2. De rechtbank heeft terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het advies op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. De Stichting heeft niet aannemelijk gemaakt dat in de adviezen van de RCAM geen rekening is gehouden met het oorspronkelijk ontwerp. In dit verband is van belang dat het deel van de omschrijving van het monument, dat betrekking heeft op het park en waarin melding wordt gemaakt van de Kasteellaan, als bijlage bij de adviezen van 12 december 2006 en 13 februari 2007 is gevoegd. Voorts heeft de Stichting haar stelling dat de monumentale waarde wordt aangetast door de plaatsing van de toegangshekken niet onderbouwd met een advies van een deskundig te achten persoon of instantie. Er bestaat in zoverre geen grond voor het oordeel dat het college, in afwijking van de adviezen van de RCAM, de vergunning geheel had moeten weigeren.

De Stichting betoogt evenwel terecht dat de vernietiging van het besluit van 17 januari 2008 tot gevolg heeft dat de daarin vervatte weigering van de monumentenvergunning voor de zwaailichten ongedaan is gemaakt. Aangezien de vergunning van rechtswege vanwege haar aard geen motivering bevat, is niet nader onderbouwd waarom daarvoor in afwijking van het advies van de RCAM van 13 februari 2007 vergunning is verleend. Nu voor deze afwijking van dit advies een nadere toelichting is vereist, moet worden vastgesteld dat aan de vergunning van rechtswege een motiveringsgebrek kleeft.

2.4. De Stichting betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het aanbrengen van de toegangspoorten nadelige gevolgen heeft voor de mogelijkheden van instandhouding van het monument. Volgens de Stichting moet bij het verlenen van de monumentenvergunning met het gebruik van het kasteel als deel van het monument rekening worden gehouden, te weten het gebruik als horecabedrijf. Door het afsluiten van de Kasteellaan worden de exploitatiemogelijkheden van het aldaar gevestigde horecabedrijf beperkt, aldus de Stichting. De inkomsten van dat horecabedrijf wendt de Stichting aan voor het onderhoud van het kasteel.

2.4.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, zoals deze luidde ten tijde van belang, wordt bij de toepassing van deze wet rekening gehouden met het gebruik van het monument.

2.4.2. Anders dan de rechtbank heeft verondersteld is het kasteel geen aangrenzend monument, maar maakt het, evenals de Kasteellaan, deel uit van het monument "Historische Buitenplaats "Oud Wassenaar"". Een wijziging van de toegangspoorten en de plaatsing van een hekwerk op de Kasteellaan houdt derhalve een wijziging in van het monument als geheel. Gelet op het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 diende bij de beoordeling van de aanvraag het gebruik van het monument als geheel te worden betrokken. Derhalve dienden ook de gebruiksmogelijkheden van het kasteel bij de beoordeling van de aanvraag te worden betrokken. Het college dient inhoudelijk op dit onderdeel van de zienswijze van de Stichting in te gaan. Het besluit van rechtswege ontbeert derhalve ook op dit punt een deugdelijke motivering.

2.5. Gezien de in de rechtsoverwegingen 2.3.2 en 2.4.2 vermelde gebreken is het besluit van rechtswege in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. De door de Stichting aangevoerde gronden zijn in zoverre terecht voorgedragen en leiden tot de hieronder vermelde opdracht aan het college.

2.5.1. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding het college op de voet van artikel 49, zesde lid, van de Wet op de Raad van State op te dragen het gebrek in het besluit op bezwaar te herstellen. Het college dient hiertoe met inachtneming van hetgeen de Afdeling hiervoor onder de rechtsoverwegingen 2.3.2 en 2.4.2 heeft overwogen, te motiveren op welke wijze rekening is gehouden met het advies van de RCAM, voor zover het de aangevraagde zwaailichten betreft, en met de gebruiksmogelijkheden van het monument door aan het besluit van rechtswege een voldoende gemotiveerd standpunt toe te voegen, dan wel in de plaats van dat besluit een ander besluit te nemen.

Gezien de tijd die met dergelijke besluitvorming gemoeid kan zijn, wordt daartoe een termijn gesteld van zes weken na verzending van deze uitspraak.

2.6. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

draagt het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar op om binnen zes weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen:

- de van rechtswege verleende monumentenvergunning voor het wijzigen van de toegangspoorten en het plaatsen van een hekwerk en het hierbij aanleggen van een hellingbaan op monument Buitenplaats Oud Wassenaar te Wassenaar te herstellen op een wijze als bedoeld in rechtsoverweging 2.5.1 en het in voorkomend geval te nemen besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

- de uitkomst aan de Afdeling mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. K.J.M. Mortelmans en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Lodder

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2012

17.