Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW8144

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-06-2012
Datum publicatie
13-06-2012
Zaaknummer
201108950/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 juli 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Breestraat - Wisselstraat" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201108950/1/R3.

Datum uitspraak: 13 juni 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], beiden wonend te Volkel, gemeente Uden, (hierna in enkelvoud: [appellant sub 1]),

2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], beiden wonend te Volkel, gemeente Uden, (hierna in enkelvoud: [appellant sub 2]),

en

de raad van de gemeente Uden,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 juli 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Breestraat - Wisselstraat" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 augustus 2011, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 september 2011, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben [belanghebbende A] en [belanghebbende B] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant sub 1] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 april 2012, waar [appellant sub 1], van wie [appellant sub 1A] in persoon, bijgestaan door mr. H.A. Pasveer, advocaat te 's-Hertogenbosch, [appellant sub 2], van wie [appellant sub 2B] in persoon, bijgestaan door mr. D. van de Weerdt, en de raad, vertegenwoordigd door mr. J.J.M. van Beuningen, zijn verschenen. Voorts is daar verschenen [belanghebbende A].

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet op de hoek van de Breestraat en Wisselstraat te Uden in de ontwikkeling van vier woningen, waarvan twee mogelijk worden gemaakt met toepassing van een wijzigingsbevoegdheid. Aan de realisatie van twee woningen ligt het beleid uit de provinciale regeling Ruimte-voor-Ruimte 2006 (hierna: RvR-regeling) ten grondslag en aan de realisatie van de andere twee woningen ligt het beleid uit de provinciale nota Buitengebied in Ontwikkeling (hierna: beleidsnota BIO) ten grondslag.

2.2. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de raad het plan in strijd met de Verordening ruimte Noord-Brabant 2011 (hierna: Verordening 2011), het provinciale beleid, zoals vastgelegd in de RvR-regeling en de beleidsnota BIO, en het gemeentelijke beleid, zoals vastgelegd in de Beleidsnotitie nader begrensde bebouwingsconcentraties in het buitengebied van Uden (hierna: beleidsnotitie), heeft vastgesteld.

[appellant sub 1] voert hiertoe aan dat in strijd met de Verordening 2011 niet verzekerd is dat de voorziene woningen ruimtelijk worden ingepast, nu het plan geen plicht tot het aanleggen van een tuin oplegt en een tuin niet als een wijze van landschappelijke inpassing kan worden gezien. Daarnaast is volgens hem de in de Verordening 2011 opgenomen kwaliteitsverbetering of financiële bijdrage in een groenfonds niet verzekerd, nu het plan daar niets over regelt.

[appellant sub 2] voert aan dat de verantwoording in de plantoelichting over de voorziene woningbouw niet voldoet aan de eisen die hieraan worden gesteld in de Verordening 2011. Voorts is niet inzichtelijk gemaakt dat de conclusie uit het stedenbouwkundig advies dat de voorziene ontwikkeling geen aantasting vormt van de cultuurhistorische waarde, juist is, nu het plan volgens hem een inbreuk maakt op de groene en landschappelijke kwaliteiten. Evenmin is de sloop van agrarische bedrijfsgebouwen voldoende zeker zodat de in de Verordening 2011 opgenomen vereiste kwaliteitsverbetering niet plaatsvindt.

[appellant sub 2] betoogt voorts dat het plangebied binnen de provinciale Structuurvisie ruimtelijke ordening is aangeduid als primair agrarisch gebied en accentgebied van agrarische ontwikkeling en dat het plan, gelet op de voorziene ontwikkeling van woningbouw, tevens in strijd met die Structuurvisie is vastgesteld.

[appellant sub 1] en [appellant sub 2] voeren verder aan dat een groot gedeelte van het plangebied in de beleidsnotitie niet is aangewezen als zoekgebied nieuwe ontwikkelingen naar wonen en evenmin deel uitmaakt van de andere in de beleidsnotitie voor woningbouw aangewezen locaties. [appellant sub 2] voert ten aanzien van het stedenbouwkundig advies aan dat de hierin opgenomen conclusie dat de voorziene rechthoek van vier woningen de driehoek van Lankes versterkt, niet valt te trekken. Voorts wordt volgens [appellant sub 1] de karakteristieke waarde van Lankes aangetast, nu vier grote woningen zijn voorzien op een open weiland. Gelet op het voorgaande is het plangebied geen passende locatie voor de voorziene ontwikkeling en is het plan in zoverre in strijd met het gemeentelijke beleid, aldus [appellant sub 1] en [appellant sub 2].

2.2.1. De raad stelt dat het plan op een juiste wijze invulling geeft aan de in de Verordening 2011 opgenomen eis van landschappelijke inpassing voor woningen en dat het plan leidt tot kwaliteitsverbetering. In dit verband voert hij aan dat de kwaliteitsverbetering bestaat uit de aanschaf van bouwtitels, de aanleg van een tuin met eventuele toebehoren, de sloop van stallen en de inlevering van fosfaatrechten.

De raad voert verder aan dat voor zover het plangebied buiten het zoekgebied nieuwe ontwikkelingen naar wonen, maar binnen de bebouwingsconcentratie van Lankes ligt, de mogelijkheden voor aanvullende woningbouw zijn bekeken. Nu ook aan de nadere voorwaarden van bebouwing en investering in kwaliteitsverbetering van het landschap op een juiste wijze invulling is gegeven, is het plan volgens de raad in overeenstemming met de beleidsnotitie. In dit verband voert de raad aan dat de beoogde vrijstaande woningen op ruime kavels zijn voorzien waardoor de openheid van de omgeving niet onevenredig wordt aangetast.

2.2.2. Ingevolge artikel 2.2, eerste lid, van de Verordening 2011, bevat de toelichting bij een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied, een verantwoording van de wijze waarop financieel, juridisch en feitelijk is verzekerd dat de realisering van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied waarop de ontwikkeling haar werking heeft of van het gebied waarvan de gemeente de voorgenomen ontwikkeling in de hoofdlijnen heeft beschreven.

Ingevolge het vierde lid wordt, voor zover hier van belang, indien een kwaliteitsverbetering als bedoeld in het eerste lid niet verzekerd is, het bestemmingsplan slechts vastgesteld indien een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds is verzekerd.

Ingevolge artikel 11.2, eerste lid, kan een bestemmingsplan dat, voor zover hier van belang, is gelegen in een bebouwingsconcentratie binnen agrarisch gebied, niet zijnde een landbouwontwikkelingsgebied of een vestigingsgebied glastuinbouw, voorzien in de nieuwbouw van één of meer woningen waarbij er geen sprake behoeft te zijn van het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, mits de toelichting daaromtrent een verantwoording bevat.

Ingevolge het tweede lid, voor zover hier van belang, blijkt uit de verantwoording, bedoeld in het eerste lid, dat het bestemmingsplan de nodige voorwaarden bevat om een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woningen te verzekeren waarbij de bepaling inzake de kwaliteitsverbetering van het landschap bedoeld in artikel 2.2, niet van toepassing is.

Ingevolge artikel 11.4, eerste lid, voor zover hier van belang, kan een bestemmingsplan dat is gelegen in een bebouwingsconcentratie binnen een zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling, voorzien in de nieuwbouw van één of meer woningen waarbij er geen sprake behoeft te zijn van het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, mits de toelichting daaromtrent een verantwoording bevat.

Ingevolge het tweede lid, voor zover hier van belang, blijkt uit de verantwoording, bedoeld in het eerste lid, dat het bestemmingsplan de nodige voorwaarden bevat om een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woningen te verzekeren, onverlet artikel 2.2 in verband met de kwaliteitsverbetering van het landschap.

2.2.3. Ingevolge artikel 3, lid 3.3, onder 3.3.1, van de planregels, kan het college van burgemeester en wethouders het bestemmingsplan wijzigen ter plaatse van de aanduiding "Wro-zone - wijzigingsgebied" binnen de bestemming "Agrarisch" ten behoeve van de realisatie van maximaal twee woningen, met dien verstande dat:

(…)

b. wordt voldaan aan de Verordening 2011, waarbij voor ten minste één woning de voorwaarden genoemd in de artikelen 11.2 en 11.3 van de Verordening 2011 gelden en waarbij voor de eventuele andere woning de voorwaarden genoemd in artikel 11.4 van de Verordening 2011 gelden, waarbij in dat geval artikel 3, lid 3.3, onder 3.3.2, van de planregels van dit plan, van toepassing is.

Ingevolge het onder 3.3.2 bepaalde, geldt voor de BIO-woning dat bij de wijziging:

a. wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing van de woning, met dien verstande dat in de toelichting bij het wijzigingsplan wordt verantwoord hoe financieel, juridisch en feitelijk is verzekerd dat de realisering van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het betreffende gebied of van het gebied waarvan de gemeente de voorgenomen ontwikkeling in de hoofdlijnen heeft beschreven.

b. indien in afwijking van het bepaalde onder a een kwaliteitsverbetering niet is verzekerd, wordt het wijzigingsplan slechts vastgesteld mits een financiële bijdrage in een landschapsfonds is verzekerd. Daarbij is van toepassing de gemeentelijke beleidsnotitie, alsmede het overige gemeentelijke beleid met betrekking tot de beleidsnota BIO en beleid in het kader van de nader in te vullen Landschapsinvesteringsregeling als bedoeld in artikel 2.2 van de Verordening 2011.

Ingevolge lid 3.4, onder 3.4.3, voor zover hier van belang, kunnen nadere eisen gesteld worden met het oog op voldoende ruimte voor behoud van bestaande of het aanbrengen van nieuwe erfbeplanting ten behoeve van een goede landschappelijke inpassing van het totale bouwperceel.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef, van de planregels, zijn de gronden die zijn aangewezen voor "Wonen" bestemd voor:

a. wonen;

(…)

c. een goede landschappelijke inpassing in de vorm van erfbeplanting met een visueel afschermende functie naar het omliggende gebied.

Ingevolge lid 4.3, onder 4.3.3, voor zover hier van belang, kunnen nadere eisen gesteld worden met het oog op het belang van voldoende ruimte voor behoud van bestaande of het aanbrengen van nieuwe erfbeplanting ten behoeve van een goede landschappelijke inpassing van het totale bouwperceel.

2.2.4. De Afdeling stelt vast dat het plangebied in de Verordening 2011 zowel in agrarisch gebied als in het zoekgebied stedelijke ontwikkeling ligt. Artikel 11.2 en 11.4 van de Verordening 2011 bepalen dat een passende locatie voor nieuwe woningen gevonden kan worden in een bebouwingsconcentratie binnen het agrarisch gebied en in zoekgebieden voor verstedelijking. Zoals ter zitting is gebleken, heeft de raad artikel 11.2 van de Verordening 2011 toegepast voor zover het plan voorziet in de ontwikkeling van RvR-woningen, en artikel 11.4 van de Verordening 2011 toegepast voor zover het plan voorziet in de ontwikkeling van BIO-woningen.

In de toelichting dient te zijn verantwoord op welke wijze toepassing is gegeven aan de in artikel 11.2 en 11.4 opgenomen vereisten.

Ten aanzien van de landschappelijke inpassing van de voorziene woningen is in de plantoelichting in de paragrafen 3.3 (Stedenbouwkundig advies gemeente en verkavelingsplan), 4.3 (flora en fauna) en 4.4 (Archeologie en cultuurhistorie) verantwoording afgelegd over de cultuurhistorische, landschappelijke en ecologische waarden. Ten aanzien van de ruimtelijke kwaliteitsverbetering is in de plantoelichting in paragraaf 2.4.4 (uitwerking beleid inzake RvR-regeling en beleidsnota BIO) verantwoording afgelegd. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling, gelet op het voorgaande, geen aanleiding voor het oordeel dat de verantwoording in de plantoelichting over de voorziene woningbouw niet voldoet aan de hieraan in de Verordening 2011 gestelde eisen.

2.2.5. De raad heeft zich, gelet op hetgeen in de plantoelichting is vermeld, naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de voorziene woningen niet zullen leiden tot een aantasting van de landschappelijke waarden. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de ontwikkeling van de woningen, gelet op de beperkte omvang van de bouwvlakken op de verbeelding en de hierop van toepassing zijnde planregels, niet in de weg staat aan een landschappelijke inpassing in de vorm van erfbeplanting. Ten behoeve van een goede landschappelijke inpassing kan het bevoegd gezag ingevolge de planregels bovendien nadere eisen stellen. [appellant sub 1] wordt niet in zijn standpunt gevolgd dat deze erfbeplanting, gelet op de mogelijkheid tot het stellen van nadere eisen ten aanzien van de landschappelijke inpassing, niet zal worden aangelegd.

Voor zover het plan voorziet in de ontwikkeling van RvR-woningen en artikel 11.2 van de Verordening 2011 daaraan ten grondslag ligt, is artikel 2.2 van die Verordening niet van toepassing. De raad heeft in dit verband te kennen gegeven dat de kwaliteitsverbetering van het landschap zal worden gerealiseerd door het provinciale bestuur, met de financiële middelen die worden verkregen in ruil voor de toegekende bouwvlakken voor de beoogde woningen.

Wanneer initiatiefnemers voor de bouw van een BIO-woning niet beschikken over de vereiste mogelijkheden van te slopen bedrijfsgebouwen en/of aan te leggen groen, dient ingevolge artikel 2.2, vierde lid, van de Verordening 2011, een bepaald bedrag in een landschapsfonds te worden gestort. Vanuit dat fonds kan dan een bijdrage worden geleverd aan kwaliteitsverbeteringen elders. Gelet op het bepaalde in artikel 3, lid 3.3, onder 3.3.1, onder b en onder 3.3.2, onder a en b, van de planregels, wordt [appellant sub 1] niet in zijn standpunt gevolgd dat een financiële bijdrage in een landschapsfonds, indien nodig, niet in het plan is gewaarborgd.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd met de Verordening 2011 is vastgesteld. De betogen falen.

2.2.6. Voor zover [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat het plan in strijd met het provinciale beleid in de Structuurvisie is vastgesteld, stelt de Afdeling voorop dat de raad niet gebonden is aan dat provinciale beleid, maar met dit beleid wel rekening dient te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken. Blijkens de plantoelichting heeft de raad de RvR-regeling en de beleidsnota BIO uitgewerkt in de hiervoor genoemde gemeentelijke beleidsnotitie. In de plantoelichting is tevens ingegaan op de provinciale Structuurvisie ruimtelijke ordening en op de vraag wat dat betekent voor het plangebied. Gelet hierop heeft de raad het aangehaalde provinciale beleid in de belangenafweging betrokken. Voorts is niet aannemelijk gemaakt dat de raad hierbij van een onjuiste voorstelling van het beleid is uitgegaan.

2.2.7. Niet in geschil is dat het plangebied blijkens de beleidsnotitie voor een gedeelte ligt binnen het zoekgebied nieuwe ontwikkelingen naar wonen en voor het andere gedeelte buiten dit zoekgebied, maar binnen de begrenzing van de bebouwingsconcentratie van Lankes. Blijkens de beleidsnotitie is de bouw van een RvR-woning buiten het zoekgebied nieuwe ontwikkelingen naar wonen uitsluitend mogelijk binnen de bebouwingsconcentratie op locaties die grenzen aan bestaande wegen en die onderdeel zijn van een in het bestemmingsplan "Buitengebied 2006" opgenomen bouwblok binnen de bestemming "Agrarische bedrijven" of de bestemming "Woningen" met de aanduiding "VAB". Gelet op de in de beleidsnotitie genoemde voorwaarden dient per geval maatwerk te worden verricht om tot een nadere beoordeling te kunnen komen in hoeverre de in de beleidsnotitie genoemde locaties vanuit ruimtelijk oogpunt in aanmerking kunnen komen voor de ontwikkeling van RvR-woningen.

2.2.8. De Afdeling stelt vast dat, voor zover het plangebied buiten het zoekgebied nieuwe ontwikkelingen naar wonen ligt, deze gronden weliswaar binnen de bebouwingsconcentratie liggen, maar volgens het bestemmingsplan "Buitengebied 2006" geen deel uitmaken van een bouwblok binnen de bestemming "Agrarische bedrijven" of "Woningen" met de aanduiding "VAB". Nu deze locatie derhalve niet voldoet aan de voorwaarden in de beleidsnotitie, is het plan, voor zover het betreft de plandelen met de bestemmingen "Agrarisch" en "Wonen" die buiten het zoekgebied nieuwe ontwikkelingen naar wonen liggen, in strijd met het gemeentelijke beleid vastgesteld. Dit wordt bevestigd door de toelichting op het plan waarin staat dat strikte toepassing van de zoekgebieden inhoudt dat twee van de vier woningen in het plangebied ontwikkeld kunnen worden. Onder deze omstandigheden had de raad in het bestreden besluit uitdrukkelijk moeten motiveren waarom wordt afgeweken van het gemeentelijke beleid, voor zover het betreft de woningen buiten het zoekgebied nieuwe ontwikkelingen naar wonen. De betogen slagen, nu deze motivering ontbreekt.

2.2.9. Gelet op het bepaalde in de beleidsnotitie dat, voor zover het plangebied binnen het deel van het zoekgebied nieuwe ontwikkelingen naar wonen ligt, per geval bekeken dient te worden of de ontwikkeling van woningbouw vanuit ruimtelijk oogpunt wenselijk is, heeft de raad een stedenbouwkundig advies laten opstellen. Blijkens het stedenbouwkundig advies wordt de structuur van Lankes gevormd door het wegenpatroon, de typerende bebouwing daarlangs en de open ruimtes. De voorziene ontwikkeling versterkt de zogenoemde driehoek van Lankes en de voorgestane losse verkavelingstructuur met verschillende woningtypes, een wisselende rooilijn en het open of groen houden van de hoekpunten past bij de wijze waarop Lankes zich ontwikkeld heeft, aldus het stedenbouwkundig advies.

Voor zover de conclusie uit het stedenbouwkundig advies betrekking heeft op het deel van het plangebied dat in het zoekgebied nieuwe ontwikkelingen naar wonen ligt, heeft [appellant sub 2] niet aannemelijk gemaakt dat deze conclusie onjuist is. De Afdeling overweegt voorts dat [appellant sub 1], met de enkele stelling dat het plangebied thans een open weiland betreft, niet aannemelijk heeft gemaakt dat de voorziene ontwikkeling in dit deel van het plangebied een aantasting van de genoemde karakteristieke waarden van Lankes tot gevolg heeft. De betogen over deze woningen falen.

2.3. [appellant sub 1] betoogt dat de voorziene grote woningen niet bij de kleinschalige bebouwing in de omgeving passen. Hiertoe voert hij aan dat de in het plan opgenomen bouwmogelijkheden niet in overeenstemming zijn met de bouwmogelijkheden voor woningen binnen het in de omgeving ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 2006" en niet passen bij de in de omgeving feitelijk bestaande bebouwing. Ook kan een welstandstoets, waar de raad in de Nota van zienswijzen op wijst, niet beperkende voorwaarden stellen aan de reeds binnen het voorliggende plan toegestane omvang van de woningen, aldus [appellant sub 1].

[appellant sub 1] betoogt voorts dat de raad onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar het woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen in verband met de buiten het plangebied gelegen varkenshouderij aan de Venstraat 1.

2.3.1. De raad stelt dat de omvang van de woningen, in overeenstemming met de omvang van de woningen zoals is opgenomen in de beleidsnotitie, met de in het plan maximaal toegestane bouwhoogte van 10 m, in de omgeving past. Wanneer bouwplannen worden voorgelegd aan de welstandscommissie, zullen deze plannen worden getoetst aan welstandsnormen die rekening houden met de naaste omgeving.

De raad stelt verder dat het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf is gelegen op een afstand van ruim 250 m en dat de geurbelasting ter plaatse van het plangebied aan de daartoe gestelde normen voldoet, waarmee een goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd.

2.3.2. De Afdeling stelt voorop dat aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen.

De in het plan toegestane maximale inhoud van 1.000 m³ van een woning wijkt af van de in het bestemmingsplan "Buitengebied 2006" toegestane maximale inhoud van een woning van 600 m³. De inhoud komt echter overeen met de in de beleidsnotitie voor alle RvR-woningen toegestane inhoudsmaat van 1.000 m³. [appellant sub 1] heeft, mede gelet op de in het plan voor een woning maximaal toegestane goot- en bouwhoogte van 5,5 m onderscheidenlijk 10 m en de in de omgeving hieraan gelijke toegestane afmetingen van woningen op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied 2006", niet aannemelijk gemaakt dat de voorziene woningen niet in deze omgeving passen. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van de geldende regels maximaal kan worden gerealiseerd. Blijkens de planregels is voorts niet meer dan één vrijstaande woning per bouwvlak toegestaan en zijn de woningen, gelet op de verbeelding, voorzien op ruime kavels. Voor een individueel bouwplan kan nog een beoordeling worden gemaakt of dit, mede in verband met de omgeving, voldoet aan redelijke eisen van welstand. Het betoog faalt.

2.3.3. Omdat het plan voorziet in de bouw van nieuwe geurgevoelige objecten, heeft de raad onderzoek laten uitvoeren naar geurhinder ten gevolge van de in de omgeving gelegen agrarische bedrijven, waaronder de door [appellant sub 1] genoemde varkenshouderij. Blijkens de toelichting op het plan voldoet het plangebied aan de in de gemeentelijke geurverordening opgenomen normering. [appellant sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze conclusie onjuist is en heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat de varkenshouderij aan de Venstraat 1 zo bepalend is voor de geurhinder ter plaatse van de nieuwe woningen dat geoordeeld moet worden dat geen goed woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. Het betoog faalt.

2.4. [appellant sub 1] betoogt voorts dat de wijzigingsbevoegdheid ten onrechte in het plan is opgenomen, nu de wens tot woningbouw niet actueel is waardoor het onzeker is wanneer hiervan gebruik zou kunnen worden gemaakt. Het voorgaande heeft tot gevolg dat niet is uitgesloten dat de Verordening 2011, waarnaar de wijzigingsbevoegdheid verwijst, ten tijde van het opstellen van het wijzigingsplan niet meer geldend is.

2.4.1. De raad stelt dat met het oog op de fasering van de financiering en van de bouwplannen een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen, waarvan binnen de planperiode gebruik zal worden gemaakt. De planregels zijn gericht op het concreet uitvoeren van de in de Verordening 2011 voorgeschreven kwaliteitsverbetering.

2.4.2. Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders met inachtneming van de bij het plan gegeven regels het plan kan wijzigen.

De raad beoogt met toepassing van deze bepaling een soepele aanpassing van bestemmingsplannen aan de zich wijzigende omstandigheden mogelijk te maken, zonder dat de waarborgen van de betrokken belangen te zeer in het gedrang komen. Hoewel het onzeker is wanneer de twee woningen zullen worden ontwikkeld, is de Afdeling van oordeel dat, gelet op de beperkte omvang van het totale bouwplan, de raad bij de vaststelling van het plan in redelijkheid heeft kunnen aannemen dat binnen de planperiode toepassing zal worden gegeven aan de wijzigingsbevoegdheid.

2.4.3. De Afdeling overweegt dat de planregels die naar de artikelen van de Verordening 2011 verwijzen, zo moeten worden uitgelegd dat verwezen is naar de artikelen van de Verordening 2011 zoals deze luidden ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan. Derhalve is voldoende duidelijk aan welke voorwaarden de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van de ontwikkeling van maximaal twee woningen, naast de bouwregels zoals opgenomen in artikel 4, lid 4.2, van de planregels, moet voldoen. Dat de mogelijkheid bestaat dat de artikelen van de Verordening 2011 waarnaar de planregels verwijzen ten tijde van gebruikmaking van de wijzigingsbevoegdheid zijn gewijzigd of vervallen, leidt niet tot een ander oordeel. Daarnaast geeft artikel 3, lid 3.3, onder 3.3.2, van de planregels zelf een omschrijving van de voorwaarden waaraan BIO-woningen moeten voldoen. Het betoog faalt.

2.5. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen voorts dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan niet is verzekerd. Hiertoe voeren zij aan dat de exploitatieovereenkomst uitgaat van de ontwikkeling van vier woningen, terwijl, gelet op de gestelde strijd met het gemeentelijke beleid, niet vier maar maximaal twee woningen ontwikkeld kunnen worden.

2.5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de financiële uitvoerbaarheid ook is gewaarborgd bij de ontwikkeling van twee woningen.

2.5.2. De Afdeling overweegt dat uit de exploitatieovereenkomst niet valt af te leiden dat de financiële uitvoerbaarheid niet is gewaarborgd bij de ontwikkeling van minder dan vier woningen. Gelet hierop acht de Afdeling door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] niet aannemelijk gemaakt dat de ontwikkeling van de twee woningen in het westelijk deel van het plangebied financieel niet uitvoerbaar is. De betogen falen.

2.6. In hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de plandelen met de bestemmingen "Agrarisch" en "Wonen" die liggen buiten het zoekgebied nieuwe ontwikkelingen naar wonen, zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart, niet berust op een deugdelijke motivering. De beroepen zijn in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

In hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] voor het overige hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen zijn in zoverre ongegrond.

2.7. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Uden van 7 juli 2011 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Breestraat - Wisselstraat", voor zover het betreft de plandelen met de bestemmingen "Agrarisch" en "Wonen" die buiten het zoekgebied nieuwe ontwikkelingen naar wonen liggen, zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart;

III. verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Uden tot vergoeding aan appellanten van in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro) voor [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander, en € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro) voor [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

V. gelast dat de raad van de gemeente Uden aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander, en € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. N.S.J. Koeman en mr. E. Helder, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F.N. Pikart-van den Berg, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Pikart-van den Berg

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2012

350-709.

<HR>

Kaart 1