Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW8138

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-06-2012
Datum publicatie
13-06-2012
Zaaknummer
201109120/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 juni 2009 heeft het college een verzoek van [appellant] om openbaarmaking van een aantal documenten afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201109120/1/A3.

Datum uitspraak: 13 juni 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellante B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Schloss Holte-Stuckenbrock (Duitsland),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 7 juli 2011 in zaak nr. 11-0214 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Vlagtwedde.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 juni 2009 heeft het college een verzoek van [appellant] om openbaarmaking van een aantal documenten afgewezen.

Bij besluit van 18 januari 2011 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 juli 2011, verzonden op 8 juli 2011, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 augustus 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 17 september 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 mei 2012, waar het college, vertegenwoordigd door mr. R. Snel, advocaat te Groningen, en mr. H.G. van Poll-Lohuis, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

2.2. Het college heeft aan zijn besluit van 18 januari 2011 ten grondslag gelegd dat [appellant] op de hoorzitting in bezwaar heeft gesteld dat diens verzoek nog is beperkt tot openbaarmaking van een vijftal documenten, te weten een kopie van een overdrachtsakte, sectienummers, een juridische akte van overdracht, een opleveringsakte en een woonvergunning. Volgens het college hebben de eerste vier documenten geen betrekking op een bestuurlijke aangelegenheid, en zijn deze bovendien raadpleegbaar in de openbare registers. Met betrekking tot de woonvergunning heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het aanvankelijke verzoek van [appellant] daar niet op zag en dat niet duidelijk is welke woonvergunning [appellant] bedoelt.

2.3. De rechtbank heeft uit het beroepschrift afgeleid dat [appellant] thans nog openbaarmaking wenst van twee documenten, te weten het raadsbesluit waarin de openbare gemeentelijke straten in Parc Emslandermeer hun naam en benoeming als gemeentelijke straat gekregen hebben (hierna: het raadsbesluit) en de in de betrokken bouwvergunning verplichte gereedmelding (hierna: de gereedmelding). De rechtbank heeft geoordeeld dat het aanvankelijke verzoek van [appellant] geen betrekking had op het raadsbesluit. Zij is er voorts van uitgegaan dat met voormelde woonvergunning werd gedoeld op de gereedmelding. Ten aanzien daarvan heeft de rechtbank overwogen dat het college ter zitting heeft medegedeeld dat geen schriftelijke gereedmelding aanwezig is. Als verklaring heeft het college onweersproken medegedeeld dat de gereedmelding vaak mondeling en niet schriftelijk wordt gedaan. Het is de rechtbank niet ongeloofwaardig voorgekomen dat de door [appellant] verzochte schriftelijke gereedmelding niet bij het college berust, zodat het college dit document naar het oordeel van de rechtbank niet heeft kunnen verstrekken.

2.4. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat het college de afwijzing van het verzoek van [appellant] in bezwaar terecht heeft gehandhaafd. In hetgeen [appellant] in hoger beroep naar voren heeft gebracht ziet de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel. Voor zover [appellant] heeft aangevoerd dat het college het raadsbesluit nog niet heeft verstrekt, gaat het betoog, aangenomen dat het juist is, voorbij aan het oordeel van de rechtbank dat het aanvankelijke verzoek van [appellant] niet zag op verstrekking daarvan en dat die verstrekking derhalve in deze procedure niet aan de orde is. De overweging waarin de rechtbank wijst op een toezegging ter zitting door het college dat naar het stuk zal worden gezocht, is dan ook ten overvloede gegeven. [appellant] heeft geen belang bij een oordeel daarover van de Afdeling.

Voor zover [appellant] aanvoert dat niet onaannemelijk is dat het college over een schriftelijke gereedmelding beschikt, heeft hij deze stelling niet nader onderbouwd.

[appellant] voert ten slotte aan dat hem geen uittreksel van het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank is verstrekt. Deze grond kan evenwel niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Overigens behoeft ingevolge artikel 8:61, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht alleen een proces-verbaal te worden opgemaakt, indien de rechtbank dit ambtshalve of op verzoek van een partij die daarbij belang heeft, bepaalt en indien hoger beroep wordt ingesteld. Gebleken is dat de griffier van de rechtbank na het instellen van het hoger beroep alsnog een proces-verbaal heeft opgesteld dat vervolgens aan [appellant] is toegestuurd.

Voor zover [appellant] zich keert tegen de zogenoemde "was getekend"-aftiteling van uitspraken moet worden opgemerkt dat het afschrift van de aangevallen uitspraak dat aan [appellant] is verzonden, de handtekeningen van de rechter en de griffier bevat en dus geen "was getekend"-aftiteling heeft. De desbetreffende beroepsgrond mist, wat daar overigens van zij, voor deze zaak dus feitelijke grondslag.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Sparreboom

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2012

195-671.