Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW8134

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-06-2012
Datum publicatie
13-06-2012
Zaaknummer
201109943/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 juli 2010 heeft de burgemeester het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2012/344 met annotatie van F.R. Vermeer
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201109943/1/A3.

Datum uitspraak: 13 juni 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Vlissingen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 4 augustus 2011 in zaak nr. 11/121 in het geding tussen:

[appellant]

en

de burgemeester van Vlissingen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 juli 2010 heeft de burgemeester het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden afgewezen.

Bij besluit van 26 januari 2011 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 1 juli 2010 in stand gelaten met aanpassing van het dictum.

Bij uitspraak van 4 augustus 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 september 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 10 oktober 2011.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 april 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.K. Fluit, advocaat te Middelburg, en de burgemeester, vertegenwoordigd door E. Peters en A. Bouziani-Akdim, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

Ingevolge artikel 1:6, aanhef en onder c, van de Algemene plaatselijke verordening Vlissingen 2009 (hierna: de Apv) kan de vergunning of ontheffing worden ingetrokken of gewijzigd, indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen.

Ingevolge artikel 2:24, eerste volzin, is het verboden zonder vergunning van de burgemeester een horecabedrijf te exploiteren.

2.1.1. De gemeenteraad van Vlissingen heeft in zijn vergadering van 26 januari 1995 de nota Softdrugsbeleid Vlissingen-Middelburg vastgesteld. Het in de nota vervatte beleid is erop gericht de verkoop van softdrugs beheersbaar te maken met het oog op de openbare orde en veiligheid. Volgens paragraaf 3 van dit beleidsstuk worden coffeeshops gedoogd indien voldaan wordt aan de zogenoemde AHOJG-criteria. Deze houden in:

- geen affichering;

- geen harddrugs;

- geen overlast voor de omgeving;

- geen verkoop aan jongeren beneden 18 jaar;

- geen verkoop in grote hoeveelheden (maximaal 30 g per persoon per keer).

2.1.2. Op 5 april 2000 is het door de burgemeester met instemming van de gemeenteraad vastgestelde Damoclesbeleid Gemeente Vlissingen (hierna: het Damoclesbeleid) gepubliceerd. Doel van dit beleid is - onder meer - de preventie en beheersing van de uit druggebruik voortvloeiende risico's voor de gezondheid, het beheersen van de negatieve effecten van de handel in en het gebruik van drugs op het openbare leven en andere lokale omstandigheden in de gemeente Vlissingen en het effectueren van het Softdrugsbeleid Vlissingen-Middelburg. In het Damoclesbeleid is vastgelegd hoe de burgemeester de bevoegdheid genoemd in artikel 13b van de Opiumwet zal aanwenden. In een handhavingarrangement is neergelegd op welke wijze zal worden opgetreden tegen schending van de hierboven vermelde voorwaarden waaronder coffeeshops worden gedoogd. Bij constatering van een eerste, tweede en derde overtreding volgt volgens dit arrangement onderscheidenlijk een schriftelijke waarschuwing, een sluiting gedurende drie maanden en een sluiting gedurende zes maanden. Bij een vierde overtreding binnen vijf jaar en zes maanden na het besluit tot sluiting van een openbaar lokaal wegens een derde overtreding zal het openbare lokaal definitief worden gesloten.

2.2. Bij afzonderlijke besluiten van 10 januari 1996 heeft de burgemeester aan [belanghebbende A] en [belanghebbende B] vergunningen verleend ten behoeve van de exploitatie van onderscheidenlijk coffeeshop [A], gelegen aan [locatie 1] te Vlissingen, en coffeeshop [B], gelegen aan [locatie 2] te Vlissingen. Aan deze vergunningen is onder meer als voorschrift verbonden dat aan de AHOJG-criteria moet worden voldaan. Voorts heeft de burgemeester er op gewezen dat de vergunning onder meer zal worden ingetrokken voor de termijn van maximaal een jaar indien:

- het woon- en leefklimaat in de omgeving wordt aangetast of dreigt te worden aangetast, bijvoorbeeld door parkeeroverlast, geluidsoverlast, vervuiling en/of sociale onveiligheid;

- de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast, bijvoorbeeld door het verrichten van activiteiten zoals heling, geweldsdelicten of handel in wapens;

- door de coffeeshop zodanige reclame voor drugs wordt gevoerd dat mensen ongewild met de softdrugshandel worden geconfronteerd, of overigens agressieve of opdringerige reclame wordt gevoerd.

2.3. Bij brief van 12 maart 2010 heeft [appellant] de burgemeester verzocht om handhavend op te treden tegen [belanghebbende A] en [belanghebbende B], omdat zij in strijd met het verbod tot affichering onderscheidenlijk aanstekers en pakjes vloeitjes met daarop adresgegevens van de coffeeshops in omloop hebben gebracht. Volgens [appellant] was de burgemeester derhalve gehouden met toepassing van artikel 1:6, aanhef en onder c, van de Apv over te gaan tot intrekking van de exploitatievergunningen voor de duur van een jaar.

Op 27 april 2010 heeft een controle plaatsgevonden in de coffeeshops door de politie Zeeland. In beide gevallen is geconstateerd dat is gehandeld in strijd met het afficheringsverbod als bedoeld in de AHOJG-criteria.

2.4. Bij besluit van 1 juli 2010 heeft de burgemeester het verzoek van [appellant] afgewezen, omdat intrekking van de exploitatievergunningen van beide exploitanten niet verenigbaar is met het door hem gevoerde Damoclesbeleid. Bij afzonderlijke brieven van 1 juli 2010 heeft de burgemeester op grond van het Damoclesbeleid [belanghebbende A] en [belanghebbende B] een waarschuwing gegeven. Bij besluit van 26 januari 2011 heeft de burgemeester het besluit van 1 juli 2010 met aanpassing van het dictum in stand gelaten. Volgens de burgemeester heeft hij kunnen volstaan met een waarschuwing in plaats van de door [appellant] verzochte intrekking van de exploitatievergunningen voor de duur van een jaar.

2.5. De rechtbank acht artikel 13b van de Opiumwet in de voorliggende gevallen de correcte wettelijke grondslag om het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden op te beoordelen. De burgemeester heeft volgens de rechtbank terecht het standpunt ingenomen dat in deze gevallen niet rechtstreeks sprake is van een verstoring van de openbare orde of aantasting van het woon- en leefklimaat, zoals is vereist voor intrekking van een exploitatievergunning met toepassing van artikel 1:6, aanhef en onder c, van de Apv. De rechtbank heeft verder overwogen dat de burgemeester in redelijkheid tot vaststelling van het Damoclesbeleid heeft kunnen komen en conform dit beleid heeft gehandeld door [belanghebbende A] en [belanghebbende B] een waarschuwing te geven.

2.6. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de burgemeester in beide gevallen heeft kunnen volstaan met het geven van een waarschuwing. [appellant] voert daartoe aan dat in de op basis van de Apv verleende exploitatievergunningen is vermeld dat de vergunning voor de duur van een jaar wordt ingetrokken, indien zodanige reclame voor drugs wordt gevoerd dat mensen ongewild met softdrugshandel worden geconfronteerd, of overigens agressieve of opdringerige reclame wordt gevoerd. Nu [belanghebbende A] en [belanghebbende B] beide een dergelijke overtreding hebben begaan, had de burgemeester volgens [appellant] op grond van artikel 1:6, aanhef en onder c, van de Apv moeten overgaan tot intrekking van de exploitatievergunningen voor die duur, althans beter moeten motiveren waarom daarvan is afgezien. Verder bestrijdt [appellant] dat het hier om eerste overtredingen van de exploitanten zou gaan. Ten aanzien van [belanghebbende A] heeft de burgemeester bij besluit van 8 december 2004 een sluiting van de coffeeshop bevolen voor de duur van drie maanden vanwege een te grote handelsvoorraad, zodat de burgemeester coffeeshop [A] thans voor ten minste zes maanden had moeten sluiten. [belanghebbende B] houdt zich volgens [appellant] zowel in zijn coffeeshop in Vlissingen als in die in Goes niet aan de voorschriften en heeft van de gemeente Goes waarschuwingen gekregen onder meer vanwege het afficheringsverbod en vanwege zijn bedenkelijke levenswandel. De rechtbank heeft hier ten onrechte geen rekening mee gehouden.

2.6.1. Tussen partijen is niet in geschil, en ook de Afdeling sluit zich evenals de rechtbank aan bij dit oordeel, dat het afficheringsverbod als bedoeld in de AHOJG-criteria is overtreden en de burgemeester derhalve bevoegd was handhavend op te treden tegen elk van beide exploitanten.

Met de rechtbank is de Afdeling voorts van oordeel dat de burgemeester het standpunt heeft mogen innemen dat niet is gebleken dat door overtreding van dit verbod de openbare orde is verstoord dan wel het woon- en leefklimaat in de omgeving is aangetast. De rechtbank heeft dan ook terecht artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet de correcte wettelijke grondslag geacht om het handhavingsverzoek van [appellant] op te beoordelen. De burgemeester was daarom in dit geval niet gehouden de exploitatievergunningen in te trekken met toepassing van artikel 1:6, aanhef en onder c, van de Apv en kon volstaan met het geven van een waarschuwing als toepassing van een vaste gedragslijn, zoals neergelegd in het Damoclesbeleid. Dienaangaande overweegt de Afdeling met de rechtbank dat de burgemeester in redelijkheid tot vaststelling van het Damoclesbeleid heeft kunnen komen. De rechtbank heeft voorts met juistheid vastgesteld dat de burgemeester conform dit beleid heeft gehandeld. De burgemeester heeft terecht het standpunt ingenomen dat het in beide gevallen een eerste overtreding betreft als bedoeld in het beleid. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat, gelet op haar uitspraak van 7 september 2005 in zaak nr. 200502251/1, de burgemeester naar aanleiding van een bij een controle door de politie Zeeland op 5 augustus 2004 buiten coffeeshop [A] aangetroffen hoeveelheid softdrugs niet bevoegd was handhavend op te treden tegen [belanghebbende A]. Voorts heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de burgemeester de overtredingen buiten Vlissingen met betrekking tot een coffeeshop van [belanghebbende B] niet bij de beoordeling van het verzoek van [appellant] heeft hoeven betrekken bij de toepassing van het Damoclesbeleid. Verder is niet gebleken dat het niet handhaven voor [appellant] onevenredige gevolgen heeft in verhouding tot de met het Damoclesbeleid te dienen doelen. Evenmin is gebleken van omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat de burgemeester in dit geval van het volgens het Damoclesbeleid gehanteerde handhavingsarrangement diende af te wijken.

Het betoog faalt.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. P. van Dijk en mr. J.E.M. Polak, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2012

176-597.