Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW7878

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-06-2012
Datum publicatie
11-06-2012
Zaaknummer
201106910/1/V4
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 7:3
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2012/325
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201106910/1/V4.

Datum uitspraak: 6 juni 2012

RAAD van STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie en Asiel,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 26 mei 2011 in zaak nr. 10/43936 in het geding tussen:

(de vreemdeling)

en

de minister.

1.Procesverloop

Bij besluit van 27 juli 2010 heeft de minister van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.

Bij besluit van 30 november 2010 heeft de minister voor Immigratie en Asiel het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 26 mei 2011, verzonden op 27 mei 2011, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister, thans: minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 23 juni 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2.Overwegingen

2.1.Onder de minister wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2.2.In zijn enige grief klaagt de minister, samengevat weergegeven, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister niet heeft mogen afzien van het horen van de vreemdeling in bezwaar. De rechtbank heeft volgens de minister ten onrechte geoordeeld dat, gelet op de inhoud van het bezwaarschrift, met name ten aanzien van de verklaringen voor een aantal door de minister vastgestelde tegenstrijdigheden, niet op voorhand kon worden uitgesloten dat de vreemdeling tijdens een hoorzitting in bezwaar feiten en omstandigheden naar voren zou hebben gebracht, die tot gegrondverklaring van het bezwaar zouden hebben kunnen leiden.

De minister betoogt daartoe onder meer dat aangezien de vreemdeling en zijn gestelde partner (hierna: referente) in het gehoor van 28 juni 2010 op een groot aantal essentiële punten diverse tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd die in de bezwaarfase niet zijn weersproken, niet kan worden ingezien hoe de verder niet in geschil zijnde eerder geconstateerde tegenstrijdigheden alsnog tijdens een hoorzitting hadden kunnen worden weggenomen. De verklaringen die door de vreemdeling en referente in bezwaar zijn aangedragen voor de geconstateerde tegenstrijdigheden zijn meegenomen en beoordeeld in het besluit van 30 november 2010, aldus de minister.

2.3.In het besluit van 30 november 2010 en het daarin ingelaste besluit van 27 juli 2010 heeft de minister, mede aan de hand van de in paragraaf 4.2. van de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 2 juli 2009 betreffende richtsnoeren voor een betere omzetting en toepassing van de richtlijn (COM(2009) 313 definitief), weergegeven indicatieve criteria, bezien of sprake is van een schijnhuwelijk tussen de vreemdeling en referente en heeft de minister deze vraag bevestigend beantwoord. Aan zijn standpunt dat sprake is van een schijnhuwelijk, heeft de minister onder meer ten grondslag gelegd dat de vreemdeling voor zijn huwelijk reeds achttien jaar illegaal in Nederland verbleef en onder drie verschillende aliassen in 1999, 2007 en 2009 enige tijd in vreemdelingenbewaring heeft doorgebracht, dat de vreemdeling en referente niet of nauwelijks een gemeenschappelijke taal spreken en dat zij tijdens een in de aanvraagfase gehouden gehoor diverse tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd over het ontstaan en verloop van hun relatie, over hun huwelijk en hun huishouding.

2.4.In het bezwaarschrift is aangevoerd – samengevat weergegeven – dat de oorzaak van de geconstateerde tegenstrijdigheden is gelegen in onbekwaamheid van de telefonische tolk en mitsdien in vertaalverschillen. Voorts is daarin aangevoerd dat sprake is van onduidelijkheid bij de interpretatie van de tijdens het gehoor gestelde vragen, die mogelijk gelegen zijn in de omstandigheid dat referente een laag begripsniveau heeft. Daarnaast is in het bezwaarschrift vermeld dat de getuige van het huwelijk bereid is om als getuige door de minister te worden gehoord en zijn diverse foto's en een felicitatiekaart van de moeder van referente overgelegd.

2.5.Van het horen mag slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit.

2.6.Vast staat dat op 28 juni 2010 een gehoor is gehouden waarbij de vreemdeling en referente over een groot aantal essentiële onderwerpen

- waaronder het ontstaan en verloop van hun relatie, de aanloop naar hun huwelijk en hun huishouding - tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd, die niet door de vreemdeling en referente zijn weersproken. Uit het verslag van het gehoor blijkt dat de vreemdeling en referente de vraag of zij de tolken goed konden verstaan instemmend hebben beantwoord en voorts kan uit dat verslag niet worden opgemaakt dat referente problemen ondervond met de interpretatie van de gestelde vragen. Gelet hierop, alsmede in aanmerking genomen dat de vreemdeling voor zijn huwelijk reeds lange tijd

- met gebruikmaking van verschillende aliassen - illegaal in Nederland verbleef, de vreemdeling en referente al na een enkele ontmoeting besloten hebben te huwen en zij niet of nauwelijks een gemeenschappelijke taal spreken, was er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk dat de bezwaren niet konden leiden tot een andersluidend besluit dan dat van 27 juli 2010, zodat geen grond bestond voor de minister om de vreemdeling – wederom – te horen. Dat niet op voorhand valt uit te sluiten dat tijdens een hoorzitting nieuwe gezichtspunten naar voren worden gebracht leidt niet tot een ander oordeel, omdat de minister de beslissing om van horen af te zien dient te nemen op grond van hetgeen in het bezwaarschrift is gesteld. De eerst in beroep overgelegde verklaring van enkele collega's van referente doet hieraan evenmin af, reeds omdat die eerder had kunnen en moeten worden overgelegd. De rechtbank heeft, gezien het vorenstaande, ten onrechte overwogen dat het besluit van 30 november 2010 wegens schending van artikel 7:2 van de Awb dient te worden vernietigd.

De grief slaagt.

2.7.Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling dat de minister zich, gezien het vorenoverwogene, terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een schijnhuwelijk en dat hij de afgifte van het gevraagde document terecht heeft geweigerd.

2.8.Het beroep is ongegrond.

2.9.Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.verklaart het hoger beroep gegrond;

II.vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 26 mei 2011 in zaak nr. 10/43936;

III.verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.I.M. Peute, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter w.g. Peute

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2012

391.

Verzonden: 6 juni 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser