Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW7643

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-06-2012
Datum publicatie
06-06-2012
Zaaknummer
201109334/1/T1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 17 oktober 2006 heeft het Cvz de aan IZA en UMC bij onderscheiden besluiten van 18 januari 2006 toegekende vereveningsbijdragen Zorgverzekeringswet voor het jaar 2006 herzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201109334/1/T1/A2.

Datum uitspraak: 6 juni 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State in het geding tussen:

de naamloze vennootschappen IZA Zorgverzekeraar N.V. en

N.V. Zorgverzekeraar UMC (hierna: IZA en UMC), gevestigd te Nijmegen,

appellanten,

en

het College voor zorgverzekeringen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 17 oktober 2006 heeft het Cvz de aan IZA en UMC bij onderscheiden besluiten van 18 januari 2006 toegekende vereveningsbijdragen Zorgverzekeringswet voor het jaar 2006 herzien.

Bij besluit van 22 december 2008 heeft het Cvz, voor zover hier van belang, het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 22 september 2009 heeft het Cvz de aan IZA en UMC toegekende vereveningsbijdragen Zorgverzekeringswet voor het jaar 2006 voor de tweede maal voorlopig vastgesteld.

Bij onderscheiden besluiten van 23 juli 2010 heeft het Cvz de aan IZA en UMC toegekende vereveningsbijdrage Zorgverzekeringswet voor het jaar 2006 definitief vastgesteld.

Bij besluit van 14 juli 2011 heeft het Cvz de bezwaren van IZA en UMC tegen de besluiten van 17 oktober 2006 opnieuw ongegrond verklaard en de bezwaren gericht tegen de besluiten van 22 september 2009 en

23 juli 2010 evenzeer ongegrond verklaard.

Tegen die besluiten hebben CZ, IZA en UMC bij brieven, bij de Raad van State ingekomen op 24 augustus 2011, beroep ingesteld. De gronden van de beroepen zijn aangevuld bij brieven van 23 september 2011.

Het Cvz heeft een verweerschrift ingediend.

IZA en UMC en het Cvz hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaken ter zitting behandeld op 30 maart 2012, waar IZA en UMC, vertegenwoordigd door mr. M.E. Gelpke, advocaat te Den Haag, bijgestaan door [gemachtigden], en het Cvz, vertegenwoordigd door mr. F. van Woerden-Poppe, werkzaam bij het Cvz, bijgestaan door [gemachtigden] en mr. M. Dijen, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

2.2. Ingevolge artikel 32, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) kent het Cvz een zorgverzekeraar die voldaan heeft aan zijn verplichtingen, bedoeld in artikel 25, voor ieder kalenderjaar waarin hij zorgverzekeringen aanbiedt en uitvoert een bijdrage toe.

Ingevolge het tweede lid worden bij algemene maatregel van bestuur regels omtrent de berekening van de bijdragen gesteld.

Ingevolge het derde lid bepalen de regels, bedoeld in het tweede lid, ten minste dat de hoogte van de bijdrage wordt berekend op basis van bij die maatregel te bepalen, voor alle zorgverzekeraars gelijke criteria, waaronder in ieder geval het aantal verzekerden bij een zorgverzekeraar en een aantal verzekerdenkenmerken.

Het vierde lid bepaalt dat bij ministeriële regeling:

a. voor 1 oktober van ieder jaar wordt bepaald welk bedrag in totaal voor het daaropvolgende kalenderjaar aan de zorgverzekeraars kan worden toegekend;

b. kan worden bepaald dat in aanvulling op de criteria, bedoeld in het derde lid, voor de berekening van de hoogte van de bijdragen eenmalig rekening wordt gehouden met een bij die regeling te bepalen, voor alle zorgverzekeraars gelijk criterium;

c. statistisch onderbouwd aan elk criterium als bedoeld in het derde lid of aan een criterium als bedoeld in onderdeel b een bijdrage wordt gekoppeld;

d. nadere regels omtrent de berekening van de bijdragen worden gesteld en wordt geregeld hoe de op grond van het eerste lid toegekende bijdragen door het Cvz worden betaald.

Ingevolge het vijfde lid stelt het Cvz jaarlijks voor 15 oktober beleidsregels vast waarin wordt aangegeven op welke wijze toepassing wordt gegeven aan de in het vierde lid bedoelde regels.

Ingevolge het zevende lid behoeven de beleidsregels, bedoeld in het vijfde lid, de goedkeuring van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: de minister).

Het Besluit zorgverzekering (Stb. 2005, 389; hierna: het Besluit) is de in artikel 32, tweede lid, van de Zvw bedoelde algemene maatregel van bestuur.

Ingevolge artikel 3.2 van het Besluit, zoals dit besluit gold ten tijde hier van belang, verdeelt het Cvz de in artikel 3.1 genoemde macro-deelbedragen elk volgens de artikelen 3.3 tot en met 3.6 in deelbedragen voor iedere zorgverzekeraar.

Ingevolge artikel 3.3, eerste lid, verdeelt het Cvz het macro-deelbedrag variabele kosten van ziekenhuisverpleging en kosten van specialistische hulp aan de hand van de verzekerdenaantallen onderverdeeld in klassen naar leeftijd en geslacht, farmaceutische kostengroepen (hierna: FKG's), diagnose kostengroepen (hierna: DKG's), aard van het inkomen en regio.

Ingevolge het tweede lid kent de minister aan alle klassen van de genoemde criteria gewichten toe.

Ingevolge het derde lid worden de klassen, bedoeld in het eerste lid, en de gewichten, bedoeld in het tweede lid, jaarlijks bij ministeriële regeling bepaald.

Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, verdeelt het Cvz het macro-deelbedrag kosten van overige prestaties aan de hand van de verzekerdenaantallen onderverdeeld in klassen naar leeftijd en geslacht, FKG's, DKG's, aard van het inkomen en regio.

Ingevolge het tweede lid kent de minister aan alle klassen van de genoemde criteria gewichten toe.

Ingevolge het derde lid worden de klassen, bedoeld in het eerste lid, en de gewichten, bedoeld in het tweede lid, jaarlijks bij ministeriële regeling bepaald.

Ingevolge artikel 3.7, eerste lid, sommeert het Cvz de ingevolge artikelen 3.2 tot en met 3.6 aan een zorgverzekeraar toegerekende deelbedragen tot één normatief bedrag.

Ingevolge het tweede lid brengt het Cvz vervolgens op het berekende normatieve bedrag de door hem voor de zorgverzekeraar geraamde opbrengst van de nominale rekenpremie gecorrigeerd voor de geraamde gemiddelde no-claimteruggave in mindering.

Ingevolge het derde lid kent het Cvz een bijdrage toe aan de zorgverzekeraar ter hoogte van de uitkomst van de berekening, bedoeld in het tweede lid.

De Regeling zorgverzekering (Stcrt. 2005, 171; hierna: de Regeling) is de in artikel 32, vierde lid, van de Zvw bedoelde ministeriële regeling voor het jaar 2006.

Ingevolge artikel 3.3, eerste lid, van de Regeling, zoals die Regeling gold ten tijde hier van belang, staan de gewichten en de klassen bedoeld in de artikelen 3.3 en 3.6 van het Besluit vermeld in bijlage 4 bij de Regeling.

Blijkens de in die bijlage opgenomen Tabel B4.5 "Gewichten voor het criterium regio (in euro's per verzekerde)" (hierna: Tabel B4.5) gelden voor voormalig ziekenfondsverzekerden en voormalig particulier verzekerden afzonderlijke gewichten.

Bij besluit van 8 september 2005 heeft het Cvz de Regeling beleidsregels vereveningsbijdrage zorgverzekering 2006 (Stcrt. 2005, 184) vastgesteld. Deze regeling is driemaal gewijzigd (Stcrt. 2006, 14, Stcrt. 2006, 210 en Stcrt. 2007, 195).

De Regeling beleidsregels vereveningsbijdrage zorgverzekering 2006 wordt hierna de Beleidsregels genoemd.

Artikel 1, aanhef en onder d, van de Beleidsregels bepaalt dat onder regioklasse wordt verstaan: een klasse gebaseerd op de postcode van het adres waar een verzekerde woonachtig is en op de verzekeringsgerechtigdheid van de verzekerde op grond van de Zfw op de datum 1 december 2005 overeenkomstig, voor zover thans van belang, Tabel B4.5 van bijlage 4.

De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft een "Notitie beoordelingskader verdeelmodel" (WOR 024) opgesteld. Blijkens de inleiding van die notitie bevat het een voorstel voor een kader voor het beoordelen van aanpassingen van het verdeelmodel dat wordt gehanteerd in het kader van de Ziekenfondswet-verstrekkingenbudgettering. In paragraaf 3.1 staan de eisen, die vanuit de beoogde beleidsdoelen worden gesteld:

a. Het vereveningssysteem moet er voor zorgen dat ziekenfondsen, ongeacht hun populatiekenmerken, in een gelijke uitgangspositie voor concurrentie worden gebracht;

b. Het vereveningssysteem moet de prikkel tot risicoselectie tegengaan;

c. Het vereveningssysteem moet de met risicodragende uitvoering van de ziekenfondsverzekering samenhangende prikkel tot doelmatig handelen zo veel als mogelijk in stand houden. Omdat de mogelijkheden om de kosten ex ante goed te normeren en de mogelijkheden voor de zorgverzekeraars om de kosten te beïnvloeden per deelsegment van de zorgverlening verschillen, kan hierbij per deelsegment gedifferentieerd worden in de verschillende mogelijkheden voor ex post correcties.

2.3. Bij uitspraak van 21 oktober 2009, in zaak nrs. 200900693/1/H2 en 200900699/1/H2, heeft de Afdeling, voor zover hier van belang, het door IZA en UMC ingestelde beroep tegen het besluit van 22 december 2008 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2, eerste lid, en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). De Afdeling heeft daartoe geoordeeld dat de bij het besluit op bezwaar gehanteerde criteria onvoldoende statistisch zijn onderbouwd, zoals ingevolge artikel 32, vierde lid, aanhef en onder c, van de Zvw wordt vereist. Het besluit is aldus niet deugdelijk gemotiveerd. Voorts brengt het vereiste van zorgvuldigheid met zich dat het Cvz bij het nemen van de besluiten op bezwaar had moeten bezien of voor een evenwichtige toepassing van de Regeling de voormalig publiekrechtelijke verzekerden wat de toepassing van het regiocriterium betreft als een afzonderlijke groep hadden moeten worden beschouwd en of de Beleidsregels, waarin ingevolge artikel 32, vijfde lid, van de Zvw wordt aangegeven op welke wijze toepassing wordt gegeven aan de Regeling, in voormelde zin hadden moeten worden aangepast alvorens het Cvz op het bezwaarschrift van IZA en UMC besliste.

2.4. Het Cvz heeft, uitvoering gevend aan de uitspraak van 21 oktober 2009, het instituut Beleid & Management Gezondheidszorg (hierna: het iBMG) opdracht gegeven om te onderzoeken of de indeling van publiekrechtelijk verzekerden bij de privaatrechtelijk verzekerden statistisch onderbouwd kan worden. Het iBMG heeft daartoe een zogenoemde residu-analyse verricht en de resultaten daarvan neergelegd in de rapportage van 16 april 2010. In die rapportage komt het iBMG tot de conclusie dat voor 2006 publiekrechtelijk verzekerden voor 6,0 % tot de ziekenfondssector zouden moeten worden gerekend en voor 94,0% tot de particuliere sector, hetgeen betekent dat de normbedragen voor publiekrechtelijk verzekerden in beide jaren meer zouden lijken op die van (de hele groep van) particulieren dan op die van ziekenfondsverzekerden. In de door IZA en UMC overgelegde deskundigenrapportage van Aarts De Jongh Wilms Goudriaan Public Economics B.V. (hierna: Ape) van 30 juni 2010 heeft het Cvz aanleiding gezien om het iBMG opdracht te geven om ook een zogenoemde multivariate analyse te verrichten. Het iBMG heeft de resultaten daarvan neergelegd in de rapportage van 28 oktober 2010, onder meer in de tabel op pagina 5. In die rapportage komt het iBMG tot de conclusie dat de belangrijkste conclusies van de rapportage van 16 april 2010 kunnen worden gehandhaafd, omdat er geen wezenlijke verschillen zijn tussen de uitgevoerde residu-analyse en de uitgevoerde multivariate analyse.

2.5. IZA en UMC betogen allereerst dat zij de gerechtvaardigde verwachting ontlenen aan een brief van het Cvz van 8 mei 2008, dat de beleidsregels met terugwerkende kracht zouden worden gewijzigd, waardoor voormalig publiekrechtelijk verzekerden hetzelfde regiocriterium krijgen als voormalig ziekenfondsverzekerden.

2.5.1. De brief van 8 mei 2008 dateert van na de vereveningsjaren 2006 en 2007 en betreft een voorgenomen wijziging van de beleidsregels. Deze brief is niet ondertekend door de Raad van bestuur en is gericht aan alle verzekeraars in verband met de inventarisatie van de neerslag van de publiekrechtelijk verzekerden onder de zorgverzekeraars. Het Cvz heeft voorts nader toegelicht dat aanpassing van de beleidsregels achteraf een ongeoorloofde verstoring van het gelijke speelveld van zorgverzekeraars zou betekenen, omdat het ex ante vereveningssysteem zich juist kenmerkt doordat voorafgaand aan het jaar waarop de risicoverevening van toepassing is de regels worden vastgesteld en deze niet tussentijds of achteraf worden aangepast. Gelet op het voorgaande konden IZA en UMC aan de brief van 8 mei 2008 niet de gerechtvaardigde verwachting ontlenen dat de beleidsregels zouden worden gewijzigd. Het betoog faalt.

2.6. IZA en UMC betogen voorts, onder verwijzing naar de deskundigenrapportages van Ape van 30 juni 2010 en van 3 december 2010 en de in beroep overgelegde rapportage van W. Groot van 22 december 2011, dat het Cvz zich ten onrechte op het standpunt stelt dat de indeling van voormalig publiekrechtelijk verzekerden bij de voormalig privaatrechtelijk verzekerden wat betreft het regiocriterium met de rapportages van het iBMG voldoende statistisch is onderbouwd.

IZA en UMC voeren daartoe aan, dat de rapportage van het iBMG van 16 april 2010 ontoereikend is, onder meer omdat de door het iBMG gebruikte methode, die van de residu-analyse, achterhaald is.

IZA en UMC voeren verder, onder verwijzing naar het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) van 18 maart 1997 in de zaak Mantovanelli tegen Frankrijk (NJ 1998, 278) en de uitspraak van de Afdeling van 6 mei 2009, in zaak nr. 200804351/1/M1, aan dat, nu het Cvz geweigerd heeft de onderliggende berekeningen, uitgangspunten en resultaten aan IZA en UMC beschikbaar te stellen, de wijze van totstandkoming van de rapportage van 28 oktober 2010 zich niet verdraagt met de in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) gestelde vereiste van een eerlijk proces.

2.6.1. Het Cvz heeft niet weersproken dat een multivariate analyse een betrouwbaarder beeld geeft dan een residu-analyse, nu met een multivariate analyse beter rekening kan worden gehouden met verzekerdenkenmerken. Het Cvz heeft naar aanleiding van het commentaar van IZA en UMC, onderbouwd met de rapportage van Ape van 30 juni 2010, in aanvulling op de residu-analyse een multivariate analyse doen uitvoeren, neergelegd in de rapportage van het iBMG van 28 oktober 2010. Het Cvz heeft deze multivariate analyse mede aan het besluit van 14 juli 2011 ten grondslag gelegd. Daarmee vormt de door het iBMG uitgevoerde multivariate analyse een wezenlijk onderdeel van de onderbouwing van dat besluit.

2.6.2. Nu de door iBMG uitgevoerde multivariate analyse een wezenlijk onderdeel uitmaakt van het besluit van 14 juli 2011, moeten IZA en UMC teneinde een effectief rechtsmiddel tegen dat besluit te kunnen instellen ook op die rapporten op effectieve wijze kunnen reageren, zoals ook voortvloeit uit jurisprudentie van het EHRM (onder meer voormeld arrest van het EHRM van 18 maart 1997). Dat betekent in dit geval dat IZA en UMC tenminste over de gegevens moeten kunnen beschikken die aan de rapportage van 28 oktober 2010 ten grondslag liggen.

In de rapportage van 28 oktober 2010 heeft het iBMG wat betreft een toelichting op de gebruikte methode en de presentatie van de resultaten volstaan met een schematische verduidelijking van het regiocriterium en een weergave van de resultaten in tabel 5, voorzien van een voetnoot, waarbij het iBMG slechts de verschillen ten opzichte van eerdere berekeningen voor de publiekrechtelijk verzekerden heeft weergegeven. Uit die rapportage blijkt niet met welke normbedragen het iBMG heeft gerekend en welke uitgangspunten het iBMG heeft gehanteerd. Verder ontbreekt een integrale presentatie van de geschatte normbedragen en de bijbehorende beoordelingsmaatstaven uit de WOR 024.

Om die reden hebben IZA en UMC bij brief van 24 december 2010 verzocht om de gegevens die aan de rapportage van 28 oktober 2010 ten grondslag hebben gelegen. In vraag 1 hebben zij het Cvz verzocht om aan te geven hoe de berekeningen in de tabel op pagina 5 van de rapportage tot stand zijn gekomen en welke uitgangspunten daarbij zijn gehanteerd. In vraag 2 hebben zij het Cvz verzocht om de resultaten van de modelschattingen voor 2006 en 2007 met het oorspronkelijke hybride regiocriterium en de bijbehorende waarden van de beoordelingsmaatstaven ter beschikking te stellen, zodat de geschatte normbedragen van het model 2006 en 2007 met het oorspronkelijke hybride regiocriterium kunnen worden vergeleken met de modellen 2006 en 2007. In vraag 3 hebben zij het Cvz verzocht om de resultaten van de modelschattingen voor 2006 en 2007 met het uitgebreide hybride regiocriterium en de bijbehorende waarden van de beoordelingsmaatstaven uit WOR 024 ter beschikking te stellen.

In vragen 7 en 8 hebben IZA en UMC verzocht aan het Cvz om alle multivariaat geschatte normbedragen van de modellen 2006 en 2007 met het oorspronkelijke en het uitgebreide hybride regiocriterium vóór en na hogekostenverevening op basis van de in de rapportage van april 2010 gebruikte gegevens en de bijbehorende beoordelingsmaatstaven op individuenniveau, subgroepniveau en verzekeraarsniveau, ter beschikking te stellen.

2.6.3. Bij brief van 10 februari 2011 heeft het Cvz het verzoek van IZA en UMC geweigerd, omdat het niet beschikt over de gevraagde gegevens. Het Cvz heeft evenmin aanleiding gezien om die gegevens op te vragen, omdat het iBMG in de rapportage dezelfde berekeningen en dezelfde uitgangspunten als in de rapportage van 16 april 2010 heeft gebruikt en er geen verschil bestaat tussen de uitkomsten van de residu-analyse en de multivariate analyse en omdat de gegevensvraag buiten de reikwijdte van de multivariate analyse valt. Daarnaast heeft het Cvz evenmin aanleiding gezien om nader onderzoek te verrichten. Het Cvz heeft zich voorts in het besluit van 14 juli 2011 op het standpunt gesteld dat, gelet op de omvang van de bestanden, de vertrouwelijkheid van de gegevens en de aard van de berekeningen, het ondoenlijk is om alle gebruikte gegevens bij te voegen bij de uitgevoerde multivariate analyse. De presentatie van de rapportage van 28 oktober 2010 heeft, volgens het Cvz, in een gebruikelijke vorm plaatsgevonden en de gebruikte bestanden, de gevolgde methodiek en de uitkomsten van de berekeningen zijn nauwgezet gerapporteerd.

2.6.4. Door de weigering van het Cvz de gevraagde gegevens te verstrekken is het voor IZA en UMC niet mogelijk om adequaat te reageren op de rapportage van 28 oktober 2010. Het Cvz heeft hun aldus de mogelijkheid ontnomen om de juistheid en de volledigheid van die rapportage te controleren en de juistheid van de stelling van het Cvz, dat er per saldo geen verschil bestaat tussen de residu-analyse en de multivariate analyse, te verifiëren. Dat, zoals het Cvz heeft gesteld, het ondoenlijk is om, gelet op de omvang van de bestanden, de vertrouwelijkheid van de gegevens en de aard van de berekeningen, de gebruikte gegevens bij te voegen bij de uitgevoerde multivariate analyse heeft het Cvz niet aannemelijk gemaakt. IZA en UMC hebben in hun brief van 24 december 2010 kenbaar gemaakt en ter zitting nader toegelicht dat zij niet van het Cvz verlangen dat het alle (persoons)gegevens en verzekerdenkenmerken aan hen overlegt, maar dat zij van het Cvz verlangen dat het inzicht verschaft in de in de totstandkoming van de berekeningen, de daarbij gehanteerde uitgangspunten en de resultaten van de modelschattingen voor 2006 en 2007 en - kort gezegd - alle multivariaat geschatte normbedragen van de modellen 2006 en 2007, waarbij het Cvz de persoonsgegevens mag anonimiseren. Niet is gebleken dat het voor Cvz ondoenlijk is om die gegevens over te leggen aan IZA en UMC. Daarbij is van belang dat de onderzoeker van iBMG ter zitting heeft aangegeven dat de gevraagde gegevens kunnen worden verstrekt.

2.6.5. Uit het vorenstaande volgt, dat het Cvz aan IZA en UMC onvoldoende de gelegenheid heeft geboden om te reageren op de rapportage van 28 oktober 2010. Het Cvz had dan ook de rapportage van 28 oktober 2010 niet zonder meer aan zijn besluit van 14 juli 2011 ten grondslag mogen leggen. De conclusie is dat het besluit van 14 juli 2011 in zoverre in strijd is met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.7. De Afdeling ziet in het belang van een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding het college voor zorgverzekeringen op de voet van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State op te dragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

Het Cvz dient daartoe, met inachtneming van hetgeen in rechtsoverwegingen 2.6.1. tot en met 2.6.5 is overwogen, alsnog binnen een termijn van 4 weken de gegevens, genoemd in de vragen 1,2 en 3 en 7 en 8 van de brief van 24 december 2010, aan IZA en UMC over te leggen.

IZA en UMC worden vervolgens in de gelegenheid gesteld om alsnog een reactie te geven op de rapportage van 28 oktober 2010 binnen een termijn van 6 weken. Het Cvz dient vervolgens binnen zes weken te bezien of in die reactie aanleiding bestaat een nieuw besluit te nemen en de Afdeling daarvan op de hoogte te stellen.

2.8. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

draagt het College voor zorgverzekeringen op om:

- binnen een termijn van 4 weken na verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen alsnog de gegevens, genoemd in de vragen 1,2 en 3 en 7 en 8 van de brief van 24 december 2010, aan IZA en UMC over te leggen;

- binnen een termijn van zes weken na ontvangst van de reactie van IZA en UMC te bezien of aanleiding bestaat een nieuw besluit te nemen;

- de Afdeling van de uitkomst op de hoogte te stellen.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. C.J.M. Schuyt en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Poot

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2012

362-680.