Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW7636

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-06-2012
Datum publicatie
06-06-2012
Zaaknummer
201110671/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 juli 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Westerdel" vastgesteld en besloten om geen exploitatieplan vast te stellen.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Wet ruimtelijke ordening 4.1
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:11
Algemene wet bestuursrecht 10:27
Algemene wet bestuursrecht 10:32
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2012/216 met annotatie van F.A.G. Groothuijse, mr. drs. D. Korsse
NJB 2012/1541
BR 2012/117 met annotatie van W.J. Bosma
BR 2012/118 met annotatie van E.J. van Baardewijk
Milieurecht Totaal 2012/5707
JOM 2012/591
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201110671/1/R1.

Datum uitspraak: 6 juni 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Zuid-Scharwoude, gemeente Langedijk,

en

de raad van de gemeente Langedijk,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 juli 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Westerdel" vastgesteld en besloten om geen exploitatieplan vast te stellen.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 oktober 2011, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

Het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 maart 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.B. Mus, advocaat te Breda, en de raad, vertegenwoordigd door J.F. Vijn en H.J. Ebels, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts zijn ter zitting als partij gehoord [belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. M.A. Grapperhaus, advocaat te Amsterdam, en het college van gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door mr. D. Westerwal, werkzaam bij de provincie.

2. Overwegingen

Intrekkingen

2.1. Ter zitting heeft [appellant] zijn beroep ingetrokken voor zover het betreft de beroepsgrond dat de krachtens de Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie (hierna: de Verordening) verleende ontheffing van het college van gedeputeerde staten is verleend in strijd met de Natuurbeschermingswet 1998 en artikel 11 van de Flora- en faunawet, de beroepsgrond dat het bestemmingsplan leidt tot een aantasting van de archeologische waarden en de beroepsgrond dat ten onrechte geen financieel deel van een exploitatieplan is vastgesteld.

Het bestemmingsplan en de ontheffing

2.2. In de plantoelichting staat dat het bestemmingsplan aan de westzijde van de kern Zuid-Scharwoude voorziet in een nieuw woongebied voor 700 woningen.

Om vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming met de Verordening mogelijk te maken heeft het college van gedeputeerde staten bij besluit van 1 maart 2011, verzonden op 17 maart 2011, krachtens artikel 13, tweede lid, en artikel 14, tweede lid, van de Verordening ontheffing verleend voor de in het bestemmingsplan opgenomen woningbouwlocatie voor circa 700 woningen.

HET BEROEP VOOR ZOVER GERICHT TEGEN DE ONTHEFFING

Geconcentreerde rechtsbescherming tegen de ontheffing, bezwaarprocedure, voorbereidingsprocedure en terinzagelegging

2.3. [appellant] betoogt dat tegen de ontheffing zelfstandig rechtsmiddelen kunnen worden aangewend en dat onderhavige bestemmingsplanprocedure dient te worden aangehouden totdat de ontheffing in rechte onaantastbaar is geworden. [appellant] betoogt voorts dat ten onrechte geen mogelijkheid is geboden om tegen de ontheffing bezwaar te maken. Dit klemt temeer, nu evenmin een voorbereidingsprocedure is gevolgd, aldus [appellant]. Voorts zijn belanghebbenden benadeeld doordat de ontheffing ten onrechte niet tezamen met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage is gelegd. Verder voert [appellant] aan dat ten onrechte niet in de toelichting bij het ontwerpbestemmingsplan is vermeld dat de ontheffing benodigd was.

2.3.1. Anders dan het standpunt van de raad dat [appellant] de betogen omtrent de voorbereidingsprocedure en de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan in strijd met de goede procesorde eerst ter zitting naar voren heeft gebracht, vormen deze betogen een nadere onderbouwing van de eerder aangevoerde beroepsgrond van [appellant] omtrent de gevolgde procedure. Ook na afloop van de beroepstermijn en indien die termijn is gegeven, na afloop van de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb, kunnen, gelet op artikel 8:58 van de Awb, nadere argumenten, nadere gegevens of nadere stukken, ter onderbouwing van een eerdere beroepsgrond worden ingediend, tenzij dit in strijd is met de goede procesorde. Dat is het geval, indien de nadere argumenten, nadere gegevens of nadere stukken zodanig verwijtbaar laat worden ingediend, dat de andere partijen worden belemmerd om daarop adequaat te reageren of de goede voortgang van de procedure daardoor anderszins wordt belemmerd.

Gelet op de aard van deze betogen van [appellant] bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad, [belanghebbende] en het college van gedeputeerde staten daarop niet adequaat konden reageren. De Afdeling ziet derhalve geen aanleiding de betogen van [appellant] buiten behandeling te laten.

2.3.2. Tegen het besluit tot het verlenen van de ontheffing kunnen met het oog op een doelmatige rechtsgang eerst rechtsmiddelen worden aangewend bij het besluit waarop het betrekking heeft. Voor zover het beroep betrekking heeft op het besluit van 1 maart 2011 tot verlening van de ontheffing, maakt het derhalve deel uit van dit geding. In dat kader kunnen de bezwaren tegen de verleende ontheffing ten volle aan de orde worden gesteld en zal worden beoordeeld of het college van gedeputeerde staten in redelijkheid de ontheffing heeft kunnen verlenen en of de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan gebruik heeft mogen maken van de verleende ontheffing.

Dit systeem van geconcentreerde rechtsbescherming brengt naar het oordeel van de Afdeling met zich dat het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan en het besluit tot verlening van de ontheffing voor de mogelijkheid van beroep als één besluit moeten worden aangemerkt. Het beroep tegen het besluit tot het verlenen van de ontheffing wordt aldus geïncorporeerd in de beroepsprocedure over het bestemmingsplan. Deze systematiek staat in de weg aan de mogelijkheid om tegen het besluit tot het verlenen van de ontheffing eerst bezwaar te maken.

2.3.3. Ingevolge artikel 3:10, eerste lid, van de Awb is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing op de voorbereiding van besluiten indien dat bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan is bepaald. In de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro), de Awb, de Verordening noch in enige andere wettelijke bepaling of besluit is bepaald dat de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, als bedoeld in afdeling 3.4 van de Awb, van toepassing is op de totstandkoming van de ontheffing.

2.3.4. Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Awb legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.

2.3.5. Naar het oordeel van de Afdeling betreft een provinciale ontheffing als hier aan de orde een op het ontwerpbestemmingsplan betrekking hebbend stuk dat redelijkerwijs nodig is voor een beoordeling daarvan, zodat een dergelijke ontheffing in beginsel met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage moet worden gelegd. Echter, niet in geschil is dat de door [appellant] bedoelde ontheffing is vastgesteld na de termijn waarin het ontwerpbestemmingsplan ter inzage lag. De raad kon de ontheffing derhalve niet met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage leggen. Voorts volgt, anders dan [appellant] betoogt, uit de Wro noch enige andere wettelijke bepaling dat de raad gehouden was de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan uit te stellen totdat de ontheffing was verleend. Verder is, anders dan [appellant] stelt, in paragraaf 3.3.2 van de toelichting bij het ontwerpbestemmingsplan vermeld dat een ontheffing benodigd was. Gelet hierop had het op de weg van belanghebbenden, zoals [appellant], gelegen om desgewenst in een zienswijze tegen het ontwerpbestemmingsplan naar voren te brengen waarom de voor de vaststelling van het bestemmingsplan benodigde ontheffing niet zou kunnen worden verleend. Gelet op het hiervoor overwogene bestaat geen aanleiding het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan te vernietigen om de reden dat bij het ontwerpplan geen ontheffing ter inzage is gelegd.

Ontheffing niet vastgesteld en beperking bezwaartermijn

2.4. [appellant] betoogt dat het besluit omtrent de ontheffing niet is vastgesteld. Hierbij voert hij aan dat uit de openbare besluitenlijst van het college van gedeputeerde staten valt op te maken dat de op 1 maart 2011 genomen beslissing niet is bedoeld als een definitief besluit. In ieder geval mochten belanghebbenden met het oog op de bezwaartermijn op de openbare besluitenlijst afgaan, aldus [appellant].

2.4.1. In de brief van 17 maart 2011 van het college van gedeputeerde staten aan het college van burgemeester en wethouders staat zonder voorbehoud dat op 1 maart 2011 ontheffing is verleend krachtens artikel 13, tweede lid, en artikel 14, tweede lid, van de Verordening voor de in het bestemmingsplan opgenomen woningbouwlocatie voor circa 700 woningen en dat dit besluit ter kennisname aan provinciale staten wordt aangeboden.

2.4.2. In de door [appellant] ingebrachte openbare besluitenlijst van het college van gedeputeerde staten van 1 maart 2011 staat dat de ontheffing in principe wordt verleend en aan provinciale staten wordt aangeboden met het verzoek om hierover voor 1 april 2011 te adviseren, waarna het college van gedeputeerde staten zo spoedig mogelijk na 1 april 2011 definitief besluit over het ontheffingsverzoek.

2.4.3. Voor zover uit die openbare besluitenlijst de indruk kan ontstaan dat de ontheffing op 1 maart 2011 niet is vastgesteld, overweegt de Afdeling dat de openbare besluitenlijst, anders dan het besluit tot verlening van de ontheffing, niet is ondertekend. Gelet hierop dient de brief tot verlening van de ontheffing op 1 maart 2011 naar het oordeel van de Afdeling als besluit te worden aangemerkt. De Afdeling ziet hiervoor bevestiging in de omstandigheid dat de ontheffing van 1 maart 2011 bij besluit van 30 augustus 2011 is gewijzigd, nu het nemen van een wijzigingsbesluit vereist dat de oorspronkelijke ontheffing is vastgesteld.

2.4.4. Ten aanzien van het betoog dat belanghebbenden met het oog op de bezwaartermijn op de door [appellant] overgelegde openbare besluitenlijst mochten afgaan neemt de Afdeling in aanmerking dat, zoals hiervoor is overwogen, geen mogelijkheid kon worden geboden om tegen het besluit tot verlening van de ontheffing bezwaar te maken.

Strijd met rechtszekerheid

2.5. [appellant] betoogt dat de ontheffing voor circa 700 woningen te onbepaald en daarmee in strijd met de rechtszekerheid is.

2.5.1. In de ontheffing staat dat ontheffing is verleend voor de in het bestemmingsplan opgenomen woningbouwlocatie voor circa 700 woningen. De ontheffing dient in de nu voorliggende procedure te worden beoordeeld in relatie met hetgeen het bestemmingsplan mogelijk maakt. Ingevolge artikel 6, lid 6.2, onder h, van de planregels mag het aantal woningen niet meer dan 700 bedragen. Gelet hierop behoeft het betoog dat de ontheffing voor zover deze een bestemmingsplan mogelijk maakt voor meer dan 700 woningen, wat daar verder ook van zij, geen verdere bespreking.

Grondslag voor de ontheffing

2.6. [appellant] betoogt dat geen wettelijke grondslag bestaat voor de bevoegdheid van het college van gedeputeerde staten om ontheffing te verlenen van het bepaalde in de Verordening. Deze bevoegdheid valt volgens hem buiten de reikwijdte van artikel 4.1, eerste lid, van de Wro. Op grond van dit artikellid kunnen provinciale staten weliswaar algemene regels vaststellen, maar geen ontheffingsbevoegdheid opnemen voor individuele gevallen, aldus [appellant]. In dit verband wijst hij op het uitgangspunt uit de Wro dat het primaat van de ruimtelijke ordening bij gemeenten ligt. Daarnaast zijn de bevoegdheden in de Wro volgens hem limitatief opgesomd. Voorts is een ontheffingsbevoegdheid, net als een verklaring van geen bedenkingen (hierna: VVGB), een vorm van toestemming als bedoeld in artikel 10:32 van de Awb. Ingevolge artikel 10:26 is hiervoor een uitdrukkelijke formeelwettelijke grondslag vereist en ingevolge artikel 10:27 dienen de weigeringsgronden in die wet te zijn opgenomen, aldus [appellant].

Voor zover in de totstandkomingsgeschiedenis van de Wro een ontheffingsstelsel aan de orde is gekomen had dat volgens [appellant] betrekking op een eerdere tekst van de Wro, waarin het onderscheid tussen regels in de zin van artikel 4.1, eerste lid, van de Wro en regels in de zin van het derde lid nog niet was gemaakt. [appellant] vindt steun voor dit standpunt in de recente wetswijziging waarbij ontheffingen van derde lid-regels mogelijk zijn gemaakt. Voorts volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wro dat grote bezwaren bestaan tegen een vorm van facultatieve goedkeuring van bestemmingsplannen op grond van provinciale verordeningen, aldus [appellant]. Voorts betoogt [appellant] dat in het door de Raad van State uitgebrachte advies van 21 oktober 2010, W08.09.0558/IV, omtrent het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening staat dat een ontheffingsbevoegdheid zich niet verhoudt tot artikel 4.3, eerste lid, van de Wro. Volgens [appellant] geldt hetzelfde voor een ontheffingsbevoegdheid in algemene regels op grond van artikel 4.1, eerste lid.

2.6.1. Ingevolge artikel 4.1, eerste lid, van de Wro kunnen, indien provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen.

Ingevolge het derde lid kunnen bij of krachtens een verordening als bedoeld in het eerste lid regels worden gesteld die noodzakelijk zijn om te voorkomen dat in de verordening begrepen gronden of bouwwerken minder geschikt worden voor de verwezenlijking van het doel van de verordening zolang geen bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid in werking is getreden. Bij de verordening kunnen regels worden gesteld met inachtneming waarvan bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van bij die verordening aan te geven regels.

2.6.2. Met betrekking tot ontheffingsbevoegdheden staat in de memorie van antwoord aan de Eerste Kamer bij het wetsvoorstel voor de Wet ruimtelijke ordening (Kamerstukken I 2005/2006, 28 916, nr. C, p. 15-16) het volgende:

"De provincie heeft de bevoegdheid een verordening te maken voor de uitvoering van het provinciale ruimtelijk beleid, indien provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken. Die verordening betreft dus een materiële normering van bestuurshandelen, primair gericht tot gemeenten maar ook burgers zullen daarop een beroep mogen doen. De verordening zal derhalve duidelijkheid moeten bieden over de rechtspositie. In dat kader is het zeer wel denkbaar dat provinciale regels verbodsbepalingen gaan bevatten, die zoveel mogelijk eenduidig en stellig zijn. Tegelijk moet worden onderkend dat het onmogelijk zal zijn om in dergelijke bepalingen alle mogelijke gevallen en uitzonderingen daarop op voorhand vast te leggen. De regionale en lokale verschillen zijn daarvoor eenvoudigweg te groot. Ware dat al mogelijk dan zouden dergelijke regels buitengewoon ingewikkeld en dus onleesbaar worden, wat eveneens spanning oproept op de punten van duidelijkheid en rechtszekerheid. Uit dien hoofde is het algemeen geaccepteerd dat aan een bestuursrechtelijke regeling waarin een verbodsstelsel is opgenomen, een ontheffingenmogelijkheid wordt gekoppeld. Het wetsvoorstel verzet zich niet tegen een keuze voor een dergelijk stelsel in de bedoelde provinciale verordening. De in het wetsvoorstel neergelegde verhoudingen tussen de bestuurslagen veranderen daardoor niet, zeker niet indien het beoordelingskader voor de ontheffing in de verordening is opgenomen."

2.6.3. De ontheffing vindt haar grondslag in artikel 13, tweede lid, en artikel 14, tweede lid, van de Verordening.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, voorziet een bestemmingsplan niet in de ontwikkeling van nieuwe woningbouw in het landelijk gebied.

Ingevolge het tweede lid kan het college van gedeputeerde staten, gehoord de Adviescommissie voor Ruimtelijke Ontwikkeling, ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid voor:

a. nieuwe woningbouw, hieronder begrepen de ontwikkeling van nieuwe landgoederen, zoals bedoeld in artikel 1 van de verordening, die bijdraagt aan een substantiële verbetering van in de directe omgeving daarvan aanwezige kwaliteiten van het landschap;

b. overige nieuwe woningbouw in het landelijk gebied.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, voorziet een bestemmingsplan, onverminderd het bepaalde in de artikelen 12 en 13, ook niet in nieuwe verstedelijking of uitbreiding van bestaande verstedelijking, als bedoeld in artikel 1 van deze verordening, in het landelijk gebied.

Ingevolge het tweede lid kan het college van gedeputeerde staten, gehoord de Adviescommissie voor Ruimtelijke Ontwikkeling, ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid.

2.6.4. Naar het oordeel van de Afdeling omvat de bevoegdheid in artikel 4.1, eerste lid, van de Wro om in de daar genoemde gevallen bij of krachtens verordening algemene regels te stellen de bevoegdheid in die algemene regels uitvoeringsbevoegdheden aan het college van gedeputeerde staten toe te kennen. De Afdeling ziet geen aanleiding te oordelen dat de bevoegdheid voor het college van gedeputeerde staten om in bepaalde gevallen een ontheffing van een of meer algemene regels te verlenen van deze mogelijkheid is uitgezonderd. Steun voor deze opvatting vindt de Afdeling in de in 2.6.2. vermelde geschiedenis van de totstandkoming van artikel 4.1, nu daaruit blijkt dat de wetgever rekening heeft gehouden met de mogelijkheid dat ontheffingsbevoegdheden in de in dit artikel bedoelde verordeningen zouden worden opgenomen. Dat inmiddels door de Tweede Kamer een wetsvoorstel tot wijziging van de Wro (Kamerstukken II 2010/2011, 32 821) is aanvaard, dat door de regering naar aanleiding van een door de Raad van State uitgebracht advies over het voorstel voor een algemene maatregel van bestuur ter uitvoering van artikel 4.3, eerste lid, van de Wro is ingediend, noopt niet tot een ander oordeel. Volgens dit wetsvoorstel wordt voorzien in een uitdrukkelijke grondslag - in het nieuw in te voegen artikel 4.1a - voor de bevoegdheid ontheffingen te verlenen van regels in verordeningen op grond van artikel 4.1, eerste lid, van de Wro en bovendien in een overgangsregeling op grond waarvan een besluit van het college van gedeputeerde staten omtrent ontheffing van een provinciale verordening als bedoeld in artikel 4.1 van de Wro, dat is vastgesteld voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel B, als bedoeld in het wetsvoorstel, wordt gelijkgesteld met een ontheffing als bedoeld in artikel 4.1a, eerste lid. Het wetsvoorstel zal bij aanvaarding door de Eerste Kamer strekken tot vergroting van de rechtszekerheid omtrent de bevoegdheid de verlening van ontheffingen door het college van gedeputeerde staten mogelijk te maken.

Voor zover [appellant] betoogt dat uit artikel 10:32 van de Awb voorvloeit dat zonder een uitdrukkelijke grondslag in de wet de bevoegdheid ontheffing te verlenen niet kan worden aanvaard, overweegt de Afdeling als volgt. Anders dan in een goedkeurings- of toestemmingsvereiste, waaronder de door [appellant] genoemde VVGB als bedoeld in artikel 2.27, tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, omvat de door [appellant] bedoelde ontheffingsbevoegdheid uit de Verordening een bevoegdheid om ontheffing te verlenen van een concreet verbod uit de Verordening. Daarnaast is, anders dan bij een goedkeurings- of toestemmingsvereiste niet vereist dat de raad een concreet besluit aan het college van gedeputeerde staten voorlegt. Voorts kan een verbod met een bijbehorende ontheffingsbevoegdheid ingevolge artikel 4.1, eerste lid, van de Wro alleen worden opgenomen indien provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken. Gelet op voormelde kenmerken kan de in de Verordening neergelegde ontheffingsbevoegdheid naar het oordeel van de Afdeling niet worden aangemerkt als een vorm van toestemming als bedoeld in artikel 10:32 van de Awb of als een vorm van facultatieve goedkeuring.

Ontheffing aangevraagd door en verleend aan onbevoegd bestuursorgaan

2.7. [appellant] betoogt dat de ontheffing ten onrechte door het college van burgemeester en wethouders is aangevraagd in plaats van door de raad. Hierbij voert hij aan dat de Verordening deze mogelijkheid niet biedt.

2.7.1. Ingevolge artikel 34 van de Verordening kan een ontheffing uitsluitend worden aangevraagd door de gemeenteraad of het college van burgemeester en wethouders voordat het ontwerp van een bestemmingsplan ter inzage wordt gelegd. In zoverre mist het betoog feitelijke grondslag. Voorts is het college van burgemeester en wethouders ingevolge artikel 160, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet bevoegd beslissingen van de raad voor te bereiden en uit te voeren. De ontheffingsaanvraag maakt naar het oordeel van de Afdeling deel uit van de voorbereiding van een beslissing van de raad als bedoeld in dat artikelonderdeel.

2.8. [appellant] betoogt dat de ontheffing ten onrechte is verleend aan het college van burgemeester en wethouders in plaats van aan de raad.

2.8.1. De brief van 17 maart 2011 omtrent de verlening van de ontheffing is aan het college van burgemeester en wethouders verstuurd. Dit laat onverlet dat het dictum van de ontheffing, voor zover van belang, bepaalt dat de aangevraagde ontheffing voor de in het bestemmingsplan opgenomen woningbouwlocatie is verleend. De ontheffing heeft aldus betrekking op het door de raad vast te stellen bestemmingsplan. Gelet hierop kan het betoog, dat de ontheffing ten onrechte is verleend aan het college van burgemeester, niet slagen.

Nut en noodzaak; mogelijkheid tot inbreiding

2.9. [appellant] betoogt dat onvoldoende is onderbouwd dat de voorziene woningbouw noodzakelijk is. In dit verband voert hij onder meer aan dat de noodzaak niet blijkt uit de documenten die zijn vermeld in artikel 13, vierde lid, van de Verordening. Voorts is nog geen regionaal actieprogramma (hierna: RAP) opgesteld. Verder zijn de mogelijkheden tot inbreiding onvoldoende onderzocht en benut, aldus [appellant].

2.9.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de noodzaak voldoende uit de toepasselijke beleidsdocumenten blijkt.

2.9.2. Ingevolge artikel 13, derde lid, van de Verordening kan het college van gedeputeerde staten de ontheffing als bedoeld in het tweede lid uitsluitend verlenen indien:

a. de noodzaak van nieuwe woningbouw is aangetoond aan de hand van de in het vierde lid genoemde documenten;

b. is aangetoond dat nieuwe woningbouw niet kan worden gerealiseerd door herstructureren, intensiveren, combineren of transformeren binnen bestaand bebouwd gebied.

Ingevolge het vierde lid stelt het college van gedeputeerde staten, ten behoeve van de beoordeling van de noodzaak van nieuwe woningbouw, de volgende documenten vast:

a. gebiedsdocument Noord-Holland Noord 2010-2020 en Metropoolregio Amsterdam 2010-2020 (vastgesteld in 2009);

b. provinciale woningbouwmonitor (jaarlijks opgesteld en vastgesteld);

c. provinciale woonvisie; en de RAP's (vast te stellen in respectievelijk 2010 en 2011).

Ingevolge artikel 14, derde lid, kan het college van gedeputeerde staten de ontheffing als bedoeld in het tweede lid uitsluitend verlenen indien:

a. de noodzaak van verstedelijking als bedoeld in het eerste lid is aangetoond;

b. is aangetoond dat de beoogde verstedelijking niet door herstructureren, intensiveren, combineren of transformeren binnen bestaand bebouwd gebied kan worden gerealiseerd.

2.9.3. Niet in geschil is dat artikel 13, vierde lid, van de Verordening voor zover van belang op de volgende documenten betrekking heeft:

a. "Noord-Holland Noord Duurzaam, Gebiedsdocument Noord-Holland Noord Verstedelijkingsafspraken 2010-2020" (hierna: het provinciale gebiedsdocument);

b. de "Monitor Woningbouw 2010" (hierna: de provinciale monitor woningbouw);

c. de provinciale woonvisie "Goed Wonen in Noord-Holland Provinciale Woonvisie 2010 - 2020" (hierna: de provinciale woonvisie) en de RAP's.

2.9.4. In fase 1 van het provinciale gebiedsdocument is voor de periode 2010-2020 een ontwikkelingsopgave voor de bouw van 24.800 woningen vermeld. In fase 2 van het provinciale gebiedsdocument is voor die periode een verstedelijkingsafspraak vermeld van 10.000 woningen voor de regio Alkmaar. De provinciale monitor woningbouw verschaft inzicht in de voortgang van de woningbouwproductie. In de provinciale woonvisie staat dat met dat document wordt beoogd om tot 2020 voldoende woningen met een passende kwaliteit te verwezenlijken door RAP's vast te stellen. In de provinciale woonvisie staat voorts dat de intentie is om in RAP's afspraken te maken over onder meer hoeveel woningen worden gebouwd en het type woningen. Voor bouwen buiten het bestaand bebouwd gebied (hierna: buiten het BBG) dienen gemeenten nut en noodzaak van uitbreidingslocaties aan te tonen, onder andere aan de hand van bestuurlijke afspraken, zoals het RAP en de provinciale monitor. Anders dan [appellant] betoogt maakt het rapport "Groei en krimp in Noord-Holland" als bijlage A deel uit van de provinciale woonvisie. In dit rapport is vermeld dat de bevolkingsdaling niet direct leidt tot een daling van het aantal huishoudens en daarmee samenhangend de woningbehoefte en dat opvallend is dat in Noord-Holland Noord het aantal huishoudens sneller stijgt dan het aantal personen. Voor Noord-Kennemerland is vermeld dat de groei van de woningbehoefte 9.900 woningen bedraagt voor de periode 2010-2019.

Op basis van voormelde documenten en artikel 13 van de Verordening heeft het college van gedeputeerde staten bij brief van 11 januari 2011 aan de raad medegedeeld dat de noodzaak voor bouwen buiten het BBG onvoldoende was aangetoond. Hierbij heeft het college van gedeputeerde staten erop gewezen dat de kwalitatieve en kwantitatieve woningbehoefte en de verdeling over de regio's nog in een RAP moeten worden verdeeld en dat er nog ruimte voor woningbouw binnen het BBG aanwezig is.

Bij brief van 20 januari 2011 aan het college van gedeputeerde staten wijst het college van burgemeester en wethouders naar een inventarisatie van de woningbehoefte door Companen van augustus 2010, waarin voor de gemeente Langedijk voor de periode 2010-2020 wordt uitgegaan van een behoefte van 1.390 woningen.

2.9.5. Naar het oordeel van de Afdeling kan uit het provinciale gebiedsdocument, de provinciale monitor woningbouw en de provinciale woonvisie worden afgeleid dat noodzaak bestaat voor de bouw van ongeveer 10.000 woningen voor de regio Alkmaar in de periode 2010-2020. De nadere verstedelijkingsafspraak binnen deze regio komt in voormelde documenten niet aan de orde. Hiertoe dient ingevolge artikel 13, vierde lid, aanhef en onder c, van de Verordening een RAP te worden opgesteld.

Ten tijde van de ontheffing was nog geen RAP vastgesteld, maar dat was in dit geval niet vereist. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat in de toelichting bij artikel 13 van de Verordening staat dat het deel van de provinciale woonvisie, het RAP, leidend is voor de beoordeling of een uitbreiding van nieuwe woningbouw noodzakelijk is en dat zolang de provinciale woonvisie nog niet is vastgesteld wordt volstaan met toetsing aan de overige in het vierde lid genoemde documenten. Voorts brengt een redelijke uitleg van de Verordening, anders dan [appellant] betoogt, met zich dat het college van gedeputeerde staten, indien nog geen RAP is vastgesteld, bij de beoordeling van de noodzaak van nieuwe woningbouw documenten betrekt die bij de vaststelling van het RAP zouden kunnen worden betrokken. Hiertoe behoort de inventarisatie van de woningbehoefte door Companen van augustus 2010. Voorts heeft het college van burgemeester en wethouders in de brief van 20 januari 2011 vermeld dat in het ambtelijk overleg ter voorbereiding van het RAP wordt aangestuurd op aansluiting bij de woningbehoefte per gemeente.

2.9.6. Bij de brief van 20 januari 2011 heeft het college van burgemeester en wethouders een overzicht met inbreidingslocaties overgelegd. Hieruit volgt dat in de periode 2010-2020, na aftrek van uiterst onzekere plannen, 708 woningen op inbreidingslocaties in Langedijk gebouwd kunnen worden. Het college van gedeputeerde staten heeft bij brief van 16 maart 2012 een bij de Monitor woningbouwcapaciteit Noord-Holland 2010 (hierna: de Monitor woningbouwcapaciteit) behorend overzicht overgelegd waarin per gemeente de binnenstedelijke ruimte inzichtelijk is gemaakt. In dit overzicht staat dat de binnenstedelijke capaciteit in Langedijk 713 woningen bedraagt.

Voor zover [appellant] betoogt dat in de door het college van burgemeester en wethouders toegezonden inventarisatie geen bouwmogelijkheden zijn betrokken waarvoor nog geen plannen bestaan, waaronder in ieder geval bouwmogelijkheden voor minder dan tien woningen, overweegt de Afdeling dat het college van gedeputeerde staten mede het overzicht uit de Monitor woningbouwcapaciteit aan de ontheffing ten grondslag heeft gelegd. Daarin is aangegeven dat in Langedijk geen locaties bestaan waar wel ruimte is maar waarvoor nog geen plannen bestaan.

Voor zover [appellant] betoogt dat de inbreidingslocaties feitelijk moeten zijn benut voordat bouwen buiten het BBG mogelijk is, overweegt de Afdeling dat voormelde plannen voor inbreidingslocaties zijn opgesteld voor globaal dezelfde periode als de planperiode en tezamen met het bestemmingsplan aan de woningbehoefte voor die periode voldoen. Voorts worden op de inbreidingslocaties met name appartementen gebouwd terwijl beoogd is ter plaatse van het bestemmingsplan voornamelijk grondgebonden huur- en koopwoningen te bouwen.

2.9.7. Voor zover [appellant] betoogt dat twijfel bestaat over de woningbehoefte omdat het vorige bestemmingsplan niet in de thans voorziene woningen voorzag, overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat dit verband houdt met het ontbreken van de woningbehoefte.

2.9.8. Uit het hiervoor overwogene volgt dat een behoefte bestaat aan 1.390 woningen, waarvan 708 tot 713 woningen op inbreidingslocaties kunnen worden gebouwd. Gelet hierop, en de door het college van gedeputeerde staten gegeven toelichting dat rekening gehouden wordt met planuitval, heeft het college van gedeputeerde staten zich op basis van voormelde documenten in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de noodzaak voor de bouw van de in het onderhavige bestemmingsplan voorziene 700 woningen aanwezig is, als bedoeld in artikel 13, derde lid, onder a, gelezen in samenhang met dat lid, onder b, en artikel 14, derde lid, onder a, gelezen in samenhang met dat lid, onder b, van de Verordening.

Artikel 15 van de Verordening

2.10. [appellant] betoogt dat het college van gedeputeerde staten bij de motivering van de ontheffing ten onrechte niet is ingegaan op de ruimtelijke kwaliteitseisen uit artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, c, d en e, van de Verordening. Voorts had het college van gedeputeerde staten de ontheffing niet kunnen verlenen nu in het ontwerpbestemmingsplan niet is ingegaan op hetgeen in artikel 15, eerste lid, tweede volzin, aanhef en onder 1 tot en met 5, is vermeld. Het college van gedeputeerde staten heeft niet kunnen volstaan met een verwijzing naar het advies van de Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling (hierna: ARO), aldus [appellant].

2.10.1. Het college van gedeputeerde staten stelt zich op het standpunt dat aan de ontheffing een advies van de ARO ten grondslag ligt, waarin de in artikel 15 vermelde aspecten zijn afgewogen.

2.10.2. Ingevolge artikel 13, derde lid, aanhef en onder c, van de Verordening kan het college van gedeputeerde staten de ontheffing als bedoeld in het tweede lid uitsluitend verlenen indien het bepaalde in artikel 15 in acht wordt genomen.

Ingevolge artikel 14, derde lid, aanhef en onder c, kan het college van gedeputeerde staten de ontheffing als bedoeld in het tweede lid uitsluitend verlenen indien het bepaalde in artikel 15 in acht wordt genomen.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, houdt een bestemmingsplan, dat voorziet in nieuwe of uitbreiding van bestaande verstedelijking, als bedoeld in de artikelen 12, 13 en 14 in het landelijk gebied, rekening met:

a. de kernkwaliteiten van de verschillende landschapstypen en aardkundige waarden als bedoeld in artikel 8;

c. de openheid van het landschap daarbij inbegrepen stilte en duisternis;

d. de historische structuurlijnen;

e. cultuurhistorische objecten;

overeenkomstig de in het tweede lid genoemde Leidraad Landschap en Cultuurhistorie.

Daartoe geeft de toelichting bij het bestemmingsplan ten minste een verantwoording van de mate waarin deze nieuwe functies rekening houden met:

1. de ontwikkelingsgeschiedenis van het landschap;

2. de ordeningsprincipes van het landschap;

3. de bebouwingskarakteristieken (architectuur, stedenbouw, openbare ruimte) ter plaatse;

4. de inpassing van de nieuwe functies in de wijdere omgeving (grotere landschapseenheid);

5. de bestaande kwaliteiten van het gebied (inclusief de ondergrond) als hiervoor bedoeld en de maatregelen die nodig zijn om negatieve effecten op deze kwaliteiten op te heffen in relatie tot de nieuwe functies.

Ingevolge het tweede lid stellen provinciale staten de landschapstypen en kernkwaliteiten als bedoeld in het eerste lid vast in een Leidraad Landschap en Cultuurhistorie.

2.10.3. In de plantoelichting staat dat het plangebied bestaat uit een aantal percelen die in agrarisch gebruik zijn en aan de oostzijde grenst aan een recente uitbreidingswijk. Voorts ligt aan het bestemmingsplan een stedenbouwkundig plan ten grondslag. Hierin staat dat de woningen in een dorps karakter worden gebouwd. Voorts zijn de historische lagen in het landschap, de vaarcultuur en de dorpse afwisseling van Langedijk inspiratiebron geweest. De overgang tussen het open landschap en de nieuwe dorpsrand wordt gevormd door een reeks eilanden met groene velden, bomen en struiken. Waar de nieuwe dorpsrand eindigt met diepe achtertuinen ligt er voor de kavels een smal 'Langedijks eilandje', waarmee de overgang naar het landschap op een zachte manier wordt vormgegeven. Voorts zullen de randen van het plangebied de laagste dichtheid kennen.

2.10.4. Het college van gedeputeerde staten heeft in de schriftelijke uiteenzetting en ter zitting toegelicht dat de ARO artikel 15 van de Verordening bij haar advies heeft betrokken. Gesteld noch gebleken is dat de ARO daarbij geen beschikking had over voormelde toelichting bij de beoogde ontwikkeling, al dan niet in de vorm van het (voor)ontwerpbestemmingsplan. Nu [appellant] voorts geen redenen naar voren heeft gebracht waarom het college van gedeputeerde staten de ontheffing gelet op artikel 15 van de Verordening niet heeft kunnen verlenen, ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de ontheffing in strijd daarmee is verleend.

Conclusie ten aanzien van de ontheffing

2.11. Gelet op het hiervoor overwogene ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten de ontheffing, voor de in het bestemmingsplan voorziene 700 woningen, niet in redelijkheid heeft kunnen verlenen. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat de ontheffing in zoverre anderszins is voorbereid of verleend in strijd met het recht. Hieruit volgt dat de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan gebruik heeft mogen maken van de verleende ontheffing.

HET BEROEP VOOR ZOVER GERICHT TEGEN HET BESTEMMINGSPLAN

Nut en noodzaak

2.12. Voor zover [appellant] het nut en de noodzaak van het bestemmingsplan heeft bestreden verwijst de Afdeling naar hetgeen hiervoor onder het kopje "Nut en noodzaak" in het kader van de ontheffing is overwogen.

De noodzaak volgt afdoende uit de daar besproken documenten. Gelet hierop behoeft het betoog van [appellant] dat de VINEX-opgave uit 1993, de "Regionale woonvisie Noord-Kennemerland 2005-2015" en de gemeentelijke "Woonvisie 2005-2015 samen werken aan wonen" verouderd zijn geen bespreking meer.

Type woningen en woningbouwcategorieën

2.13. [appellant] betoogt dat het bestemmingsplan ten onrechte niet is toegepitst op het onderscheid in diverse typen woningen die in de diverse beleidsdocumenten over de woningbehoefte naar voren komen.

2.13.1. Het bestemmingsplan voorziet, voor zover van belang, in de bestemming "Woongebied - uit te werken".

Ingevolge artikel 6, lid 6.1, eerste lid, onder a, van de planregels, zijn de voor "Woongebied - uit te werken" aangewezen gronden bestemd voor wonen.

Ingevolge artikel 6, lid 6.2, aanhef en onder h, werkt het college van burgemeester en wethouders deze bestemming uit met inachtneming van het bepaalde in de volgende uitwerkingsregel:

h. het aantal woningen mag niet meer dan 700 bedragen.

2.13.2. De raad heeft een grote mate van beleidsvrijheid bij het bepalen van de gedetailleerdheid van een vast te stellen bestemmingsplan. De Afdeling ziet niet in dat de raad gehouden was om naast de uitwerkingsregel omtrent het totale aantal woningen te voorzien in een uitwerkingsregel omtrent aantallen van diverse typen woningen. Voor zover nodig kunnen de aantallen van diverse typen woningen in het uitwerkingsplan worden vastgelegd en kunnen tegen het uitwerkingsplan rechtsmiddelen worden aangewend.

2.14. [appellant] betoogt dat de woningbouwcategorieën die in het stedenbouwkundig plan zijn vermeld ingevolge artikel 3.1, eerste lid, van de Wro als percentages in het bestemmingsplan dienen te zijn vastgelegd.

2.14.1. Ingevolge artikel 3.1, eerste lid, van de Wro stelt de raad een of meer bestemmingsplannen vast, waarbij ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening de bestemming van de in het bestemmingsplan begrepen grond wordt aangewezen en met het oog op die bestemming regels worden gegeven. Deze regels kunnen tevens strekken ten behoeve van de uitvoerbaarheid van in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingen, met dien verstande dat deze regels ten aanzien van woningbouwcategorieën uitsluitend betrekking hebben op percentages gerelateerd aan het plangebied.

2.14.2. In artikel 3.1, eerste lid, van de Wro is de mogelijkheid om woningbouwcategorieën in een bestemmingsplan op te nemen beperkt tot het hanteren van percentages gerelateerd aan het plangebied. Anders dan [appellant] betoogt brengt dit artikelonderdeel niet met zich dat een dergelijke regel, voor zover nodig, niet eerst in een uitwerkingsplan kan worden gesteld.

Afstand van de voorziene woningen tot de stoeterij van [appellant]

2.15. [appellant] betoogt dat het bestemmingsplan ten onrechte binnen 100 m van zijn stoeterij woningbouw mogelijk maakt. Hij vreest dat voortzetting van het gebruik van de stoeterij in strijd zal zijn met de afstandnormen uit de milieuwetgeving.

2.15.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de uitwerking van de bestemming "Woongebied - uit te werken" zal plaatsvinden op basis van het stedenbouwkundig plan. In het stedenbouwkundig plan zijn binnen 100 m van de stoeterij van [appellant] geen woningen maar water en groen voorzien, aldus de raad.

2.15.2. Ingevolge artikel 6, lid 6.1, van de planregels, zijn de voor "Woongebied - uit te werken" aangewezen gronden bestemd voor:

a. wonen;

b. ontsluitingswegen;

met het daarbij behorende:

c. water met bijbehorende oeverstroken en vaste dan wel beweegbare bruggen;

en de daarbij behorende:

d. groenvoorzieningen.

Ingevolge lid 6.2 werkt het college van burgemeester en wethouders de bestemming "Woongebied - uit te werken" uit met inachtneming van het bepaalde in de volgende uitwerkingsregels:

a. de uitwerking van de bestemming vindt plaats in goede afstemming met de aangrenzende bestemmingen;

b. uitwerking vindt plaats op basis van een door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld stedenbouwkundig plan, met dien verstande dat daarvan bij de nadere uitwerking op detailniveau kan worden afgeweken indien omstandigheden dat vragen.

2.15.3. Niet in geschil is dat de stoeterij vergunningplichtig is. Ingevolge artikel 4, aanhef en onder a, van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: de Wgv) bedraagt de afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, en een geurgevoelig object ten minste 100 m indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen. Reeds hierom komt aan het uitsluiten van woningbouw binnen een afstand van 100 m van de stoeterij van [appellant] een belangrijk gewicht toe. Voorts heeft de raad ter zitting toegelicht dat het in het stedenbouwkundig plan voorziene gebruik van de desbetreffende gronden voor water en groen overeenkomt met de door de raad beoogde ontwikkeling. Onder deze omstandigheden was de raad naar het oordeel van de Afdeling uit een oogpunt van rechtszekerheid gehouden te voorzien in een uitwerkingsregel waarin voormelde afstand is neergelegd. Artikel 6, lid 6.2, onder b, van de planregels biedt in dit kader onvoldoende waarborgen en kan daarom niet als een dergelijke uitwerkingsregel gelden nu niet valt uit te sluiten dat het college van burgemeester en wethouders het stedenbouwkundig plan wijzigt en daarvan op detailniveau zal afwijken. Gelet op het hiervoor overwogene is het bestemmingsplan vastgesteld in strijd met de vereiste zorgvuldigheid, voor zover niet is voorzien in een uitwerkingsregel waarin de aan te houden afstand tussen de stoeterij van [appellant] en geurgevoelige objecten als bedoeld in de Wgv van 100 m is neergelegd.

Ontsluiting

2.16. [appellant] betoogt dat onvoldoende is onderzocht of de ontsluiting van het plangebied toereikend is voor de afwikkeling van het verkeer. Voorts is onduidelijk of de bestaande kruispunten daartoe kunnen worden aangepast, nu niet planologisch in de aanpassingen is voorzien, aldus [appellant].

2.16.1. De raad heeft toegelicht dat het plangebied op twee punten aan de Westelijke Randweg wordt ontsloten ter hoogte van twee bestaande kruispunten. Voorts is aan het bestemmingsplan het verkeerskundig onderzoek Aansluitingen op Westelijke Randweg van Grontmij van 25 maart 2011, ten grondslag gelegd, waarin gebruik is gemaakt van de kengetallen van het CROW en een regionaal verkeersmodel van de gemeente Alkmaar. [appellant] heeft niet onderbouwd in welk opzicht de gedane onderzoeken en de kengetallen ontoereikend zijn. Voorts is niet gebleken dat de bestaande kruispunten buiten het onderhavige plangebied een zodanige aanpassing behoeven dat de aanpassing niet kan worden gerealiseerd onder het voor de desbetreffende gronden geldende planologische regime. Gelet op het hiervoor overwogene heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat de ontsluiting van het plangebied ontoereikend is.

Objectieve begrenzing

2.17. [appellant] betoogt dat de uitwerkingsregels ontoereikend zijn, zodat de uitwerkingsplicht in het bestemmingsplan onvoldoende objectief begrensd is.

2.17.1. Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, van de Wro kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat met inachtneming van de bij het bestemmingsplan te geven regels:

a. het college van burgemeester en wethouders binnen bij het bestemmingsplan te bepalen grenzen het bestemmingsplan kan wijzigen;

b. het college van burgemeester en wethouders het bestemmingsplan moet uitwerken.

2.17.2. De Afdeling overweegt dat, anders dan ten aanzien van de wijzigingsregels, waarop artikel 3.6, eerste lid, onder a, betrekking heeft, ten aanzien van uitwerkingsregels, als bedoeld in het eerste lid, onder b, niet de eis wordt gesteld dat deze bij het bestemmingsplan objectief zijn begrensd.

Artikel 3.1.4 van het Besluit ruimtelijke ordening brengt evenwel met zich dat uitwerkingsregels voldoende inzicht dienen te bieden in de toekomstige ontwikkeling van het uit te werken gebied. Dit betekent dat naarmate de gevestigde belangen in een bepaald gebied groter of talrijker zijn, een groter inzicht hierin moet worden geboden.

2.17.3. Ingevolge artikel 6, lid 6.2, van de planregels werkt het college van burgemeester en wethouders de bestemming "Woongebied - uit te werken" uit met inachtneming van onder meer het bepaalde in de volgende uitwerkingsregels:

b. uitwerking vindt plaats op basis van een door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld stedenbouwkundig plan, met dien verstande dat daarvan bij de nadere uitwerking op detailniveau kan worden afgeweken indien omstandigheden dat vragen;

f. de bouwhoogte van woningen mag ten hoogste 12 m bedragen;

g. in afwijking van het bepaalde onder e (lees: onder f) geldt voor appartementengebouwen dat de bouwhoogte ten hoogste 15 m mag bedragen;

h. het aantal woningen mag niet meer dan 700 bedragen.

2.17.4. Het bestemmingsplan voorziet in een nieuw woongebied, zodat reeds daarom een ruime mate van inzicht bestaat in de toekomstige ontwikkeling van het uit te werken gebied. Voorts voorzien de uitwerkingsregels in het maximaal aantal woningen en de maximale bouwhoogten. Verder heeft het onderhavige plan betrekking op de gronden tussen het bestaande bebouwde gebied en de stoeterij van [appellant] die voor het overige onbebouwd zijn, zodat geen sprake is van grote of talrijke gevestigde belangen bij de concrete invulling van het plangebied. Onder die omstandigheden wordt naar het oordeel van de Afdeling voldoende inzicht geboden in de toekomstige ontwikkeling van het uit te werken gebied.

Voor zover [appellant] betoogt dat het college van burgemeester en wethouders zelf het stedenbouwkundig plan vaststelt en daarmee zelf de inhoud van de uitwerkingsvoorwaarde uit artikel 6, lid 6.2, onder b, van de planregels bepaalt, overweegt de Afdeling dat dit aan het hiervoor overwogene niet afdoet.

Conclusie bestemmingsplan

2.18. Gelet op hetgeen in 2.15.3 is overwogen is de Afdeling van oordeel dat het bestemmingsplan is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb, voor zover niet is voorzien in een uitwerkingsregel waarin de aan te houden afstand tussen de stoeterij van [appellant] en de voorziene woningen is neergelegd.

Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door een planregel inhoudende een uitwerkingsregel vast te stellen en te bepalen dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit voor zover dat is vernietigd. Deze uitwerkingsregel heeft betrekking op de aan te houden afstand tussen de voorziene woningen en de gronden waar bedrijfsgebouwen voor de stoeterij van [appellant] kunnen worden gebouwd uitgaande van de bouwvoorschriften voor de desbetreffende gronden in het bestemmingsplan "Buitengebied en Koedijk". Niet aannemelijk is dat derde-belanghebbenden daardoor in hun belangen worden geschaad. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat voormelde afstandseis reeds in het stedenbouwkundig plan is neergelegd op basis waarvan ingevolge artikel 6, lid 6.2, onder b, van de planregels het bestemmingsplan wordt uitgewerkt. Voorts is geen beroep ingesteld door mogelijke belanghebbenden die zich niet met die planregel kunnen verenigen.

In hetgeen [appellant] voor het overige heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestemmingsplan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit, behoudens voor zover hiervoor is geoordeeld, anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is in zoverre ongegrond.

HET BEROEP VOOR ZOVER GERICHT TEGEN HET BESLUIT OM GEEN EXPLOITATIEPLAN VAST TE STELLEN

Ontvankelijkheid

2.19. [appellant] betoogt dat ten onrechte geen exploitatieplan is vastgesteld omdat het noodzakelijk was een fasering en eisen en regels in een exploitatieplan op te nemen.

2.19.1. De raad stelt zich op het standpunt dat [appellant] geen belanghebbende is bij het besluit om geen exploitatieplan vast te stellen.

2.19.2. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder h, van de Wro, voor zover hier van belang, kan een belanghebbende bij de Afdeling beroep instellen tegen een besluit omtrent vaststelling van een exploitatieplan voor gronden, begrepen in een gelijktijdig vastgesteld bestemmingsplan.

Ingevolge het vijfde lid, voor zover hier van belang, wordt als belanghebbende bij een besluit als bedoeld in artikel 6.12, eerste en tweede lid, in elk geval aangemerkt degene die een grondexploitatieovereenkomst heeft gesloten met betrekking tot de in het desbetreffende besluit opgenomen gronden, of die eigenaar is van die gronden.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.19.3. [appellant] is geen eigenaar van in het bestemmingsplan begrepen gronden en heeft evenmin een grondexploitatieovereenkomst als bedoeld in artikel 8.2, vijfde lid, van de Wro gesloten met betrekking tot in het bestemmingsplan begrepen gronden.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 15 februari 2012 in zaak nr. 201011643/1/R2) kan een fasering ruimtelijke gevolgen hebben indien een fasering is opgenomen in een exploitatieplanregel. Ook andere eisen en regels uit een exploitatieplan, als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onder b en c, van de Wro, kunnen ruimtelijke gevolgen hebben. Voorts liggen de gronden van [appellant] in de directe nabijheid het plangebied.

Gelet op het vorenstaande wordt [appellant] rechtstreeks in zijn belang geraakt voor zover geen fasering en eisen en regels in een exploitatieplan zijn vastgesteld. Het beroep van [appellant] tegen het besluit geen exploitatieplan vast te stellen, voor zover bestreden, is ontvankelijk.

Beroepsgronden

2.20. [appellant] betoogt dat ten onrechte geen exploitatieplan is vastgesteld omdat het noodzakelijk was een fasering in een exploitatieplan op te nemen. Voorts was het noodzakelijk eisen en regels in een exploitatieplan op te nemen om de verwezenlijking en de kwaliteit van de groenstrook tussen zijn stoeterij en de voorziene woningen te waarborgen. Verder zijn eisen en regels noodzakelijk ten aanzien van de grootte en de vorm van de uitgeefbare kavels en woningbouwcategorieën, aldus [appellant].

2.20.1. Ingevolge artikel 6.12, eerste lid, van de Wro stelt de raad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorzien.

Ingevolge het tweede lid, voor zover hier van belang, kan de raad, in afwijking van het eerste lid, bij een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan besluiten geen exploitatieplan vast te stellen, indien:

b. het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is, en:

c. het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, voor zover van belang, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Ingevolge artikel 6.13, tweede lid, kan een exploitatieplan bevatten:

b. eisen voor de werken en werkzaamheden voor het bouwrijp maken van het exploitatiegebied, de aanleg van nutsvoorzieningen en het inrichten van de openbare ruimte in het exploitatiegebied;

c. regels omtrent het uitvoeren van de onder b bedoelde werken en werkzaamheden.

2.20.2. De Afdeling stelt voorop dat de raad bij de keuze om een fasering te bepalen of eisen en regels te stellen, zeker indien niet is gebleken dat een exploitatieplan uit een oogpunt van kostenverhaal noodzakelijk is, een ruime mate van beleidsvrijheid toekomt.

2.20.3. In de plantoelichting staat dat er geen beleidsmatige beperkingen zijn wat betreft het aantal in een bepaalde periode te bouwen woningen. Voor zover in stukken, waaronder het stedenbouwkundig plan, een fasering is genoemd heeft de raad ter zitting toegelicht dat daarin een fasering is opgenomen met het oog op de bouwlogistiek en dat de fasering niet gewichtig is. Voor het overige heeft [appellant] geen redenen aangevoerd waarom een fasering in een exploitatieplan noodzakelijk is. Gelet hierop bestaat in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad gehouden was een exploitatieplan met een fasering vast te stellen.

2.20.4. In het verweerschrift en ter zitting heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat het gemeentebestuur de groenstrook zelf zal verwezenlijken. Reeds hierom heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen eisen en regels noodzakelijk zijn om de verwezenlijking en de kwaliteit van de groenstrook te waarborgen.

Voorts heeft het college van burgemeester en wethouders met het oog op de uitwerking van het bestemmingsplan een stedenbouwkundig plan vastgesteld. Voor zover dat stuk betrekking heeft op de grootte en de vorm van uitgeefbare kavels en woningbouwcategorieën, en voor zover dit niet in de uitwerking van het bestemmingsplan kan worden neergelegd, behelst het stedenbouwkundig plan in zoverre een weergave van de door het college van burgemeester en wethouders beoogde ontwikkeling. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom op dit punt juridisch bindende eisen en regels noodzakelijk zijn. Gelet hierop bestaat in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad gehouden was een exploitatieplan met eisen en regels vast te stellen ten aanzien van de grootte en de vorm van de uitgeefbare kavels en woningbouwcategorieën.

2.20.5. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in strijd met artikel 6.12, tweede lid, van de Wro heeft besloten geen exploitatieplan vast te stellen.

PROCESKOSTEN

2.21. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant] gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Langedijk van 12 juli 2011 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Westerdel", voor zover niet is voorzien in een uitwerkingsregel in artikel 6 van de planregels waarin de aan te houden afstand tussen de stoeterij van [appellant] en geurgevoelige objecten als bedoeld in de Wet geurhinder en veehouderij van 100 m is neergelegd;

III. bepaalt dat artikel 6, lid 6.2, onder j, in de planregels wordt opgenomen en als volgt komt te luiden: "Binnen een afstand van 100 m ten oosten van een lijn die zich bevindt op 10 m afstand achter (het verlengde van) de naar de weg gekeerde zijde van de bedrijfswoning behorende bij de stoeterij ten westen van het plangebied worden geen geurgevoelige objecten als bedoeld in de Wet geurhinder en veehouderij voorzien.";

IV. bepaalt dat deze uitspraak wat betreft het bepaalde onder III. in de plaats treedt van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan voor zover dat is vernietigd;

V. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

VI. veroordeelt de raad van de gemeente Langedijk tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat de raad van de gemeente Langedijk aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. N.S.J. Koeman en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.S.S. Hupkes, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Hupkes

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2012

635.