Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW7629

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-06-2012
Datum publicatie
06-06-2012
Zaaknummer
201107666/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 februari 2010 heeft het CBR [appellant] verplicht mee te werken aan een onderzoek naar de geschiktheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201107666/1/A3.

Datum uitspraak: 6 juni 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 9 juni 2011 in

zaken nrs. 10/1148 en 10/2611 in het geding tussen:

[appellant]

en

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 februari 2010 heeft het CBR [appellant] verplicht mee te werken aan een onderzoek naar de geschiktheid.

Bij besluit van 30 maart 2010 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 6 mei 2010 heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] ongeldig verklaard voor alle categorieën.

Bij besluit van 13 september 2010 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 juni 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank de door [appellant] ingestelde beroepen tegen de besluiten van

30 maart 2010 en 13 september 2010 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 juli 2011, hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 mei 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. R. Polderman, advocaat te Alkmaar, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. J.A. Launspach, werkzaam bij het CBR, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Wvw 1994) doen de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen, indien bij hen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid die is vereist voor het besturen van een of meer categorieën motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR, onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.

Ingevolge artikel 131, eerste lid, besluit het CBR, indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid. De kosten verbonden aan het onderzoek, waarvan de hoogte bij ministeriële regeling wordt vastgesteld, komen in de bij ministeriële regeling genoemde gevallen voor rekening van de betrokkene.

Ingevolge artikel 132, eerste lid, eerste volzin, is degene die zich ingevolge het in artikel 131, eerste lid, bedoelde besluit dient te onderwerpen aan een onderzoek, behoudens bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde uitzonderingen, verplicht de daartoe vereiste medewerking te verlenen.

Ingevolge het tweede lid, besluit het CBR bij gebreke van de in het eerste lid bedoelde medewerking onverwijld tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de houder. Het niet voldoen van de kosten verbonden aan het op grond van artikel 131, eerste lid, opgelegde onderzoek, die op grond van artikel 131, eerste lid, voor rekening komen van de betrokkene, wordt als het niet verlenen van de vereiste medewerking aangemerkt.

Ingevolge artikel 6, derde lid, aanhef en onder a, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid (hierna: de Regeling) besluit het CBR dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid dan wel de geschiktheid als bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de Wvw 1994, in geval van feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1, anders dan die vermeld onder A, onderdeel III, Rijgedrag, of onder B, onderdeel III, Drogerende stoffen Alcohol.

Ingevolge artikel 6a, eerste lid, aanhef en onder b, komen de kosten verbonden aan een onderzoek naar de geschiktheid voor rekening van de betrokken rijbewijshouder in de in artikel 6, derde lid, onderdeel a, bedoelde gevallen, voor zover er sprake is van feiten en omstandigheden als genoemd in de bijlage 1 bij deze regeling, onder B, onderdeel III, Drogerende stoffen, andere drogerende stoffen.

In de bijlage 1, onder B, onderdeel III, Drogerende stoffen, andere drogerende stoffen, onder c, staat vermeld dat de betrokkene bij de politie bekend staat als gebruiker van drogerende stoffen.

2.2. Naar aanleiding van een mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wvw 1994 van de korpschef van de Regiopolitie Noord-Holland Noord heeft het CBR [appellant] een onderzoek naar de geschiktheid opgelegd. Aan deze mededeling is ten grondslag gelegd dat [appellant] op 26 januari 2010 als bestuurder van een motorrijtuig staande is gehouden waarbij de verbalisanten het vermoeden hadden dat hij een joint rookte, welke [appellant] vervolgens uit het raam gooide. De verbalisanten hebben daarbij waargenomen dat [appellant] bloeddoorlopen ogen had. Daarop ontkende [appellant] een joint te hebben gerookt, maar bekende hij dat hij dit een dag eerder had gedaan. Voorts verklaarde hij driemaal per week een joint te roken tegen pijn in zijn maag. [appellant] staat bij de verbalisanten ambtshalve bekend als gebruiker van drogerende stoffen. Bovendien komt hij tussen 2002 en 2010 veelvuldig voor in dagrapporten ter zake van bedreiging, mishandeling, rijden tijdens een ontzegging van de rijbevoegdheid, verkeersovertredingen en kennelijke staat van dronkenschap. Aangezien [appellant] bij de politie bekend staat als gebruiker van drogerende stoffen heeft het CBR een onderzoek naar de geschiktheid opgelegd, hetgeen het bij besluit van 30 maart 2010 heeft gehandhaafd.

Bij besluit van 13 september 2010 heeft het CBR de ongeldigverklaring van het rijbewijs van [appellant] gehandhaafd, omdat [appellant] de aan het onderzoek naar de geschiktheid verbonden kosten niet tijdig heeft voldaan. Daarmee heeft [appellant] niet de vereiste medewerking verleend als bedoeld in artikel 132, tweede lid, van de Wvw 1994.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat voldoende grondslag bestond voor het vermoeden dat hij niet langer beschikte over de vereiste geschiktheid, zodat het CBR terecht een onderzoek naar de geschiktheid heeft opgelegd. Daartoe voert hij aan dat uit de politiemutaties niet blijkt dat hij kan worden aangemerkt als bekende gebruiker van drogerende stoffen, nu deze dateren van een aantal jaren geleden. [appellant] stelt dat hij nooit onder invloed van een joint aan het verkeer heeft deelgenomen. Voorts voert hij onder verwijzing naar een verklaring van zijn behandelend fysiotherapeut aan dat hij incidenteel een joint rookt ter bestrijding van diverse pijnklachten.

2.3.1. Aan het vermoeden waarvan mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wvw 1994 is gedaan, is ten grondslag gelegd dat [appellant] op 26 januari 2010 is aangehouden onder verdenking van het rijden onder invloed van verdovende middelen. Blijkens het op ambtseed en ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van 27 januari 2010 hebben de verbalisanten waargenomen dat [appellant] zichtbaar een joint zat te roken, dat hij vervolgens iets gelijkend op een joint uit het motorrijtuig gooide en dat hij bloeddoorlopen ogen had. Voorts was het de verbalisanten ambtshalve bekend dat [appellant] regelmatig drugs gebruikt. Verder blijkt uit het proces-verbaal van verhoor van 27 januari 2010 dat [appellant] heeft verklaard binnen de laatste 48 uur voorafgaande aan het gepleegde feit een joint te hebben gerookt. Het CBR heeft aan het opleggen van het onderzoek naar de geschiktheid ten grondslag gelegd dat [appellant] bij de politie bekend staat als gebruiker van drogerende stoffen als bedoeld in bijlage 1, onder B, onderdeel III, Drogerende stoffen, andere drogerende stoffen, onder c, van de Regeling. Voor zover [appellant] stelt dat hij nooit onder invloed van een joint aan het verkeer heeft deelgenomen, wordt overwogen dat aanhouding onder invloed van drogerende stoffen een ander feit betreft dat niet aan het besluit ten grondslag is gelegd. Gelet op de mededeling en de genoemde processen-verbaal heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het CBR aannemelijk heeft mogen achten dat [appellant] gebruiker van drogerende middelen is. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de daarin weergegeven feiten en omstandigheden onjuist zijn. Dat de overgelegde politiemutaties dateren van enkele jaren geleden, doet niet af aan de inhoud van de mededeling en de genoemde processen-verbaal. Ter zitting van de Afdeling heeft [appellant] bovendien verklaard sinds twee jaar geen softdrugs meer te gebruiken. Verder volgt uit de door [appellant] overgelegde verklaring van zijn behandelend fysiotherapeut niet meer dan dat hij lijdt aan diverse pijnklachten. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat voldoende grondslag bestond voor het vermoeden dat [appellant] niet langer beschikte over de vereiste geschiktheid een motorrijtuig te besturen en dat het CBR terecht [appellant] heeft verplicht medewerking te verlenen aan een onderzoek naar zijn geschiktheid. Het betoog faalt.

2.4. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het CBR terecht zijn rijbewijs ongeldig heeft verklaard. Gelet op zijn financiële situatie was hij niet in staat de kosten voor het onderzoek tijdig te voldoen, aldus [appellant].

2.4.1. Vaststaat dat [appellant] de kosten verbonden aan het onderzoek niet heeft voldaan, zodat hij niet de vereiste medewerking heeft verleend als bedoeld in artikel 132, eerste lid, van de Wvw 1994. Derhalve was het CBR gehouden om op grond van artikel 132, tweede lid, van de Wvw 1994 onverwijld tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van [appellant] te besluiten. De rechtbank heeft daarbij terecht van belang geacht dat [appellant] bij brief van 8 februari 2010 door het CBR erop is gewezen dat bij het niet binnen de gestelde termijn voldoen aan de betalingsverplichting zijn rijbewijs ongeldig zou worden verklaard. Voorts heeft [appellant] geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid een verzoek in te dienen tot het treffen van een betalingsregeling. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het CBR terecht het rijbewijs van [appellant] ongeldig heeft verklaard. Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van staat.

w.g. Borman w.g. Sparreboom

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2012

97-697.