Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW7626

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-06-2012
Datum publicatie
06-06-2012
Zaaknummer
201107389/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 november 2009 heeft de staatssecretaris aan N.V. Nuon Duurzame Energie vergunning verleend op grond van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (hierna: de Wbr) voor het oprichten, in stand houden en verwijderen van het windturbinepark Windpark Beaufort en de aanleg, het in stand houden en het verwijderen van kabelleidingen ten behoeve van dat windturbinepark.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201107389/1/A2.

Datum uitspraak: 6 juni 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. het Productschap Vis, gevestigd te Rijswijk,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid E-Connection Offshore B.V., gevestigd te Bunnik, (hierna: E-Connection)

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 1 juni 2011 in zaken nrs. 09/4322, 10/78 en 10/188 in de gedingen tussen:

1. het Productschap Vis,

2. de naamloze vennootschap Havenbedrijf Rotterdam N.V.

3. E-Connection

en

de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat (thans: de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, hierna: de staatssecretaris).

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 november 2009 heeft de staatssecretaris aan N.V. Nuon Duurzame Energie vergunning verleend op grond van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (hierna: de Wbr) voor het oprichten, in stand houden en verwijderen van het windturbinepark Windpark Beaufort en de aanleg, het in stand houden en het verwijderen van kabelleidingen ten behoeve van dat windturbinepark.

Bij uitspraak van 1 juni 2011, verzonden op 6 juni 2011, heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, de door het Productschap Vis en E-Connection daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het Productschap Vis bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 juli 2011, en E-Connection bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 juli 2011, hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft verweerschriften ingediend.

Nuon Duurzame Energie heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, schriftelijke uiteenzettingen gegeven.

E-Connection heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak, gevoegd met zaken nrs. 201105318/1/A2, 201105344/1/A2, 201106644/1/A2, 201107286/1/A2, 201107295/1/A2, 201107303/1/A2, 201107310/1/A2, 201107321/1/A2, 201107366/1/A2 en 201107371/1/A2, ter zitting behandeld op 5 maart 2012, waar het Productschap Vis, vertegenwoordigd door drs. C.M. Seip-Markensteijn, mr. M.E. Weijdeveld en A.H. Dekker, allen werkzaam bij het Productschap Vis, E-Connection, vertegenwoordigd door mr. J.H.M. Berenschot, advocaat te Apeldoorn, vergezeld van S.F. Barendse, drs. M.K. van der Hulst, R. van der Woude en drs. J. Asjes, hoofd van de afdeling Ecosystems bij het Institute for Marine Resources & Ecosystem Studies (hierna: IMARES), en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. A.M. Nijboer, mr. C.L.M. Verlaan en E.P. Westerbeek MSc, allen werkzaam bij Rijkswaterstaat Dienst Noordzee, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Nuon Duurzame Energie, als partij, vertegenwoordigd door mrs. D.N. Broerse en A. Creutzberg, beiden advocaat te Amsterdam, vergezeld van drs. ing. M. Ars en T.R. Boersma, gehoord.

Na de zitting zijn de zaken gesplitst.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 55 van het op 10 december 1982 te Montego-Bay tot stand gekomen Verdrag inzake het recht van de zee (Trb. 1983, 83) is de exclusieve economische zone een gebied buiten en grenzend aan de territoriale zee en bezit dit gebied de specifieke juridische status, ingesteld in dit deel, ingevolge welke de rechten en rechtsmacht van de kuststaat en de rechten en vrijheden van andere staten worden geregeld bij de desbetreffende bepalingen van dit verdrag.

Ingevolge artikel 56, eerste lid, bezit de kuststaat in de exclusieve economische zone:

a. soevereine rechten ten behoeve van de exploratie en exploitatie, het behoud en het beheer van de natuurlijke rijkdommen, levend en niet-levend, van de wateren boven de zeebodem en van de zeebodem en de ondergrond daarvan, en met betrekking tot andere activiteiten voor de economische exploitatie en exploratie van de zone, zoals de opwekking van energie uit het water, de stromen en de winden;

b. rechtsmacht zoals bepaald in de desbetreffende bepalingen van dit verdrag ten aanzien van:

i) de bouw en het gebruik van kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen (hierna ook: werken);

ii) wetenschappelijk zeeonderzoek;

iii) de bescherming en het behoud van het mariene milieu;

c. andere rechten en plichten, bepaald in dit verdrag.

Ingevolge artikel 60, eerste lid, heeft de kuststaat in de exclusieve economische zone het uitsluitende recht te bouwen en de bouw, de werkzaamheden en het gebruik te machtigen en te regelen van:

a. kunstmatige eilanden;

b. installaties en inrichtingen voor de doeleinden bepaald in artikel 56 en voor andere economische doeleinden;

c. installaties en inrichtingen die inbreuk kunnen maken op de uitoefening van de rechten van de kuststaat in de zone.

Ingevolge het vierde lid kan de kuststaat, waar nodig, redelijke veiligheidszones instellen rond zulke kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen, waarbinnen hij passende maatregelen kan nemen ter verzekering van de veiligheid van zowel de scheepvaart als van de kunstmatige eilanden, installaties en inrichtingen.

Ingevolge het vijfde lid wordt de breedte van de veiligheidszone vastgesteld door de kuststaat, met inachtneming van toepasselijke internationale normen. Zulke zones dienen zodanig te zijn dat wordt verzekerd dat zij op redelijke wijze zijn aangepast aan de aard en de functie van de kunstmatige eilanden, installaties of inrichtingen en zij mogen niet groter zijn dan 500 meter rondom, gemeten van elk punt van de buitenste lijn van deze eilanden, installaties of inrichtingen, behalve zoals toegestaan bij algemeen aanvaarde internationale normen of zoals aanbevolen door de bevoegde internationale organisatie. Aan de omvang van de veiligheidszones dient voldoende bekendheid te worden gegeven.

2.1.1. Ingevolge de Wet van 15 november 2000, houdende uitbreiding van het toepassingsgebied van de Wbr tot de exclusieve economische zone (Stb. 2000, 510) is het vergunningenstelsel van de Wbr in voornoemde zone van toepassing. Deze wet is op 6 december 2000 in werking getreden.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wbr, worden in deze wet en de daarop rustende bepalingen onder waterstaatswerken verstaan: bij het Rijk in beheer zijnde wateren, waterkeringen en wegen alsmede, voor zover in beheer bij het Rijk, de daarin gelegen kunstwerken en hetgeen verder naar hun aard daartoe behoort.

Ingevolge het tweede lid wordt onder wateren mede verstaan de territoriale zee en de exclusieve economische zone.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, is het verboden zonder vergunning van de minister van Verkeer en Waterstaat gebruik te maken van een waterstaatswerk door anders dan waartoe het is bestemd daarin, daarop, daaronder of daarover werken te maken of te behouden.

Ingevolge het tweede lid kan een vergunning onder beperkingen worden verleend. Aan een vergunning kunnen voorschriften worden verbonden.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, voor zover hier van belang, kan weigering, wijziging of intrekking van een vergunning, alsmede toepassing van artikel 2, tweede lid, slechts geschieden ter bescherming van waterstaatswerken en ter verzekering van het doelmatig en veilig gebruik van die werken, met inbegrip van het belang van verruiming of wijziging anderszins van die werken.

Ingevolge het tweede lid kunnen de in het eerste lid bedoelde besluiten mede strekken ter bescherming van aan de waterstaatswerken verbonden belangen van andere dan waterstaatkundige aard, doch enkel voor zover daarin niet is voorzien door bij of krachtens een andere wet gestelde bepaling.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, kan de minister de toegang tot een waterstaatswerk geheel of gedeeltelijk verbieden of beperken door een daartoe strekkende bekendmaking, geplaatst bij het betrokken waterstaatswerk, dan wel gedaan op een andere geschikte wijze.

Ingevolge het tweede lid is het eerste lid niet van toepassing op het gebruik door het openbaar verkeer, tenzij het verbod of de beperking van de toegang betrekking heeft op:

a. een veiligheidszone als bedoeld in artikel 60 van het op 10 december 1982 te Montego-Bay tot stand gekomen Verdrag inzake het recht van de zee (Trb. 1983, 83), of

b. de territoriale zee.

2.1.2. Bij besluit van 24 april 2002 heeft de staatssecretaris Beleidsregels inzake de toepassing van de Wbr met betrekking tot installaties in de exclusieve economische zone (Stcrt. 2002, 85) vastgesteld. Deze beleidsregels zijn op 8 mei 2002 in werking getreden. In artikel 4, derde lid, van de beleidsregels is bepaald dat tot een nader te bepalen tijdstip geen vergunning wordt verleend voor het oprichten van windturbines in deze zone. Uit de toelichting hierop blijkt onder meer dat in deel 3 van de Vijfde nota Ruimtelijke Ordening onder andere voorkeursgebieden voor de bouw van windturbineparken op zee zijn aangegeven. Deze gebieden zullen in tranches voor exploitatie worden uitgegeven, om te komen tot een optimale benutting van de ruimte van de Noordzee. Daartoe wordt de invoering van een concessiestelsel voor windenergie-exploitatie op zee in het jaar 2003 voorzien. Alleen diegenen die van rijkswege een concessie hebben verkregen kunnen dan een vergunning op grond van de Wbr aanvragen. In verband hiermee voorziet artikel 4, derde lid, van de beleidsregels er in dat als 'conservatoire maatregel', in afwachting van de daadwerkelijke ontplooiing van dit beleid, geen vergunningen worden verleend voor het maken van windturbines, aldus de toelichting.

Bij besluit van 21 december 2004 heeft de staatssecretaris nieuwe beleidsregels inzake de toepassing van de Wbr op installaties in de exclusieve economische zone (hierna: de beleidsregels; Stcrt. 2004, 252, gewijzigd Stcrt. 2008, 67) vastgesteld. In de toelichting is vermeld dat deze beleidsregels ten opzichte van de beleidsregels van 2002 in hoofdzaak bevatten het opheffen van het moratorium en het beperken van de omvang van windturbineparken tot 50 km2.

Volgens artikel 2 betreffen deze beleidsregels de toepassing van de artikelen 2, 3 en 6 van de wet op installaties in de exclusieve economische zone (lees: de Wbr).

Volgens artikel 3, eerste lid, wordt geen Wbr-vergunning verleend voor een installatie in een gebied dat voor andere functies wordt vrijgehouden.

Volgens artikel 4, eerste lid, zijn voor de beslissing op een aanvraag om vergunning tot het maken en behouden van een installatie in elk geval de volgende door de aanvrager te verschaffen gegevens en bescheiden nodig:

(…)

d. gegevens over de gevolgen voor rechtmatig gebruik van de zee door derden;

e. gegevens over de gevolgen voor het milieu;

(…).

Volgens artikel 5, wordt bij de voorbereiding en de vaststelling van een beschikking inzake het verlenen, weigeren of intrekken van een vergunning rekening gehouden met:

a. het behouden van mogelijkheden voor een doelmatig en veilig gebruik van de Noordzee door anderen dan de vergunninghouder,

b. de op de Noordzee betrekking hebbende onderdelen van de Nota Ruimte waarvoor het regeringsstandpunt op 27 april 2004 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer is toegezonden (Kamerstukken II 2003/04, 29 435, nrs. 1-2), en

c. andere op de Noordzee betrekking hebbende plannen en gebiedsaanwijzingen op grond van de Wet op de waterhuishouding, de Wet op de Ruimtelijke Ordening, de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Wet milieubeheer.

Volgens artikel 8, eerste lid, verbiedt de minister in een gebied rondom een installatie, onder toepassing van artikel 6 van de wet, de toegang tot een veiligheidszone, waarbij elk punt op de grens van de veiligheidszone ten hoogste 500 meter verwijderd is van een overeenkomstig punt op de buitengrens van de installatie.

Het door het Productschap Vis ingestelde hoger beroep

2.2. Het Productschap Vis betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het verlenen van de vergunning niet in strijd is met de in 2001 door de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer vastgestelde Planologische Kernbeslissing Near Shore Windparken (hierna: de PKB-NSW), omdat deze niet op de exclusieve economische zone van toepassing is. Het Productschap Vis voert ter onderbouwing aan dat de PKB-NSW weliswaar de locatiekeuze van een demonstratiewindpark in de territoriale wateren betreft, maar dit slechts een eerste stap is bij het tot ontwikkeling brengen van windenergie op zee. Volgens het Productschap Vis moet de PKB-NSW dan ook aldus worden begrepen dat, voordat het demonstratieproject is afgerond, geen andere windparken zullen worden vergund. Nu uit de PKB-NSW zelf blijkt dat van dit beleid slechts door het formeel herzien van de PKB-NSW kan worden afgeweken en het besluit van 21 december 2004 tot vaststelling van beleidsregels inzake de toepassing van de Wbr met betrekking tot installaties in de exclusieve economische zone niet als zodanig kan worden aangemerkt, is de opheffing van het moratorium in die beleidsregels volgens het Productschap Vis in strijd met het recht. Nu voorts in de op 23 april 2004 vastgestelde Nota Ruimte (hierna: de Nota Ruimte; Kamerstukken II 2003/04, 29 435, nrs. 1-3) geen concrete beleidsbeslissingen zijn genomen, is volgens het Productschap Vis het in de PKB-NSW neergelegde moratorium nog steeds van kracht en had de vergunning, gelet daarop, moeten worden geweigerd.

2.2.1. In 2001 is de Project-planologische kernbeslissing Locatiekeuze Demonstratieproject Near Shore Windpark Tevens Partiële Herziening Tweede Structuurschema Elektriciteitsvoorziening, Deel 4 (de PKB-NSW) vastgesteld. Daarin is vermeld dat teneinde de langetermijndoelstellingen voor duurzame energie zoals neergelegd in de Derde Energienota (1995), in het bijzonder die voor windenergie (ca. 3000 MW in 2020), te kunnen bereiken en vanwege het aandeel van windenergie in het 'basispakket' van de Uitvoeringsnota Klimaatbeleid (1999), het gewenst is het beleid voor windenergie te intensiveren. Omdat de totale plaatsingsmogelijkheden op land en in zoete wateren worden geschat op 1500 MW, is het noodzakelijk de optie windenergie op zee tot ontwikkeling te brengen. De eerste stap die daartoe nodig wordt geacht, is het tot stand brengen van een eenmalig demonstratieproject windenergie binnen de territoriale wateren, het zogenoemde Near Shore Windpark (ook wel: Offshore Windpark Egmond aan Zee; OWEZ). Met dit Near Shore Windpark kan ervaring en kennis worden verkregen, zodat over enkele jaren grote windparken verder op zee (off shore) in bedrijf kunnen worden genomen, aldus de PKB-NSW. Verder is in de PKB-NSW met het oog op de realisatie van een demonstratieproject Near Shore Windpark een gebied aangewezen waarbinnen het gebouwd kan worden. De grenzen van het gebied worden bepaald door aanwezige kabels en pijpleidingen. Het gaat hier, zo blijkt uit de PKB-NSW, om beleid waarvan het kabinet niet mag afwijken zonder het formeel herzien van de PKB.

2.2.2. Dat blijkens de PKB-NSW het Near Shore Windpark is bedoeld om ervaring en kennis te verkrijgen teneinde over enkele jaren grote windparken verder op zee in bedrijf te kunnen nemen, betekent, anders dan het Productschap Vis betoogt, niet dat het PKB-NSW moet worden geacht tevens het plaatsingsbeleid voor windturbineparken in de exclusieve economische zone te bevatten. Het in de PKB-NSW neergelegde moratorium op vergunningverlening geldt uitsluitend voor de territoriale wateren. Het plaatsingsbeleid voor windturbines in de exclusieve economische zone is, naar de rechtbank met juistheid heeft overwogen, opgenomen in de Nota Ruimte en de uitwerking daarvan in het Integraal Beheerplan Noordzee 2015 (hierna: het IBN 2015). Blijkens het Derde Structuurschema Elektriciteitsvoorziening (SEV III) (Kamerstukken II 2008/09, 31 410, nr. 15, paragraaf 1.3) blijft de PKB-NSW van toepassing voor zover het de instandhouding en beëindiging van het Near Shore Windpark betreft. De Nota Ruimte brengt daar geen verandering in, evenmin als de beleidsregels waarbij het moratorium voor de exclusieve economische zone is opgeheven. Het vorenstaande betekent dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de PKB-NSW niet van toepassing is op de exclusieve economische zone en het daarin neergelegde moratorium derhalve niet aan vergunningverlening in de weg staat.

2.3. Het Productschap Vis komt vervolgens op tegen het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van aantasting van de belangen van natuur en milieu als gevolg van de vergunningverlening. Het betoogt in dat verband in de eerste plaats dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet is in te zien dat in het milieueffectrapport en de passende beoordeling is uitgegaan van te positieve aannames en aldus de gevolgen van de aanleg, exploitatie en demontage van het windturbinepark voor vissen en vislarven onzorgvuldig en ontoereikend zijn beoordeeld. Ter onderbouwing van dat betoog voert het Productschap Vis aan dat er leemten zitten in de kennis over de effecten van het oprichten, in stand houden en verwijderen van offshore windturbineparken op het onderwaterleven, zodat negatieve effecten op het onderwaterleven onvoldoende zijn uitgesloten. Het Productschap Vis voert verder aan dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet is uitgegaan van het worst case scenario, nu de mortaliteit rond de heilocatie tot wel 2 kilometer kan doorwerken, hetgeen verder is dan waarvan in het milieueffectrapport en de passende beoordeling als worst case scenario is uitgegaan. Het Productschap Vis betoogt verder dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, de staatssecretaris geen toepassing heeft gegeven aan het voorzorgbeginsel. Ter onderbouwing voert Het Productschap Vis allereerst aan dat vislarven, ook in de periode dat er volgens de vergunningvoorschriften mag worden geheid, daarvan nadelige gevolgen ondervinden. Het Productschap Vis voert verder aan dat, hoewel in de passende beoordeling wordt uitgegaan van een heicyclus van drie dagen, bestaande uit twee opeenvolgende dagen van drie uur heien en daarna een dag zonder heien, het de vraag is in hoeverre deze cyclus in acht wordt genomen aangezien deze cyclus niet in de vergunningvoorschriften is opgenomen. Tot slot voert het Productschap Vis aan dat een monitoring- en evaluatieprogramma, zoals dat in de vergunningvoorschriften is opgenomen, niet kan voorkomen dat de gevolgen van een afnemende visstand op de visserijsector worden afgewenteld in de vorm van vangstbeperkingen. Volgens het Productschap Vis had de toepassing van het voorzorgbeginsel er dan ook toe moeten leiden dat, in afwachting van de uitkomsten van het monitoring- en evaluatieprogramma van het reeds in werking zijnde Near Shore Windpark, geen vergunning zou worden verleend.

2.3.1.1. Het toetsingskader voor vergunningverlening wordt gevormd door artikel 3, eerste en tweede lid, van de Wbr en is verder uitgewerkt in artikel 5 van de beleidsregels. In de toelichting op artikel 5 is vermeld dat met de toepassing van de Wbr-bevoegdheden primair het veilig en doelmatig gebruik van het zeegebied wordt beschermd, maar ook andere belangen, waaronder die van natuur en milieu en visserij, bij de beoordeling van de aanvraag worden betrokken. Met het oog daarop zijn volgens artikel 4, eerste lid, aanhef en onder e, van de beleidsregels voor de beslissing op een aanvraag gegevens over de gevolgen voor het milieu nodig. Deze gegevens dient de aanvrager te verschaffen. In de toelichting op artikel 4 is vermeld dat de oprichting van installaties in de exclusieve economische zone belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu. Bij de beoordeling van de aanvraag zal dan ook bekeken moeten worden of de activiteit niet leidt tot onaanvaardbare gevolgen voor het milieu. In dat licht, alsmede gelet op de verplichtingen op grond van Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB 1985 L 175), zoals gewijzigd bij Richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997 (PB 1997 L 73), zal voor installaties als bedoeld in de bijlagen I en II bij genoemde richtlijn, waaronder een windturbinepark, niet eerder een vergunning worden verleend dan nadat de gegevens, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder e, in de vorm van een milieueffectrapportage zijn overgelegd, aldus de toelichting.

2.3.1.2. In het bij de aanvraag overgelegde milieueffectrapport is gesteld dat zich leemten bevinden in de kennis over de effecten van windturbineparken op zee op - onder meer - het onderwaterleven. Leemten doen zich onder andere voor in de kennis over onderwatergeluid. In verband met de geconstateerde leemten is in het milieueffectrapport een voorzet gedaan voor een monitoring- en evaluatieprogramma. Het doel daarvan is enerzijds toetsen of de optredende milieueffecten overeenkomen met de in het milieueffectrapport voorspelde effecten zodat indien nodig aanvullende mitigerende maatregelen kunnen worden getroffen en anderzijds invullen van de leemten in kennis en onzekerheden in de gebruikte voorspellingsmethoden. Vervolgens zijn de effecten van aanleg, exploitatie, onderhoud en verwijdering van het windturbinepark op onder meer het onderwaterleven onderzocht. Vermeld is dat vissen die zich in de omgeving van de installatie bevinden tijdens het heien zullen sterven. Het effect van heien op vis ter plaatse wordt dan ook als beperkt negatief beoordeeld. Van het operationele windturbinepark wordt eveneens verwacht dat vissen hinder zullen ondervinden. Ten aanzien van het criterium 'onderwatergeluid en trillingen' is echter onvoldoende informatie beschikbaar, zodat een nadere analyse op significantie plaatsgevonden in een locatiespecifieke passende beoordeling.

De basis van de locatiespecifieke passende beoordeling wordt gevormd door de generieke passende beoordeling ('Development of a framework for Appropriate Assessments of Dutch offshore windfarms' van juni 2008). Ook daarin is geconstateerd dat er een grote kennislacune is op het gebied van de effecten van heien in zee op vissen en vislarven. Rekening houdend met deze kennislacune is in de generieke passende beoordeling een model ontwikkeld voor de beoordeling van de significantie van de effecten van heien op vislarven. Het ontwikkelde model is vervolgens gebruikt in de locatiespecifieke passende beoordeling.

In de locatiespecifieke passende beoordeling is in de eerste plaats geconcludeerd dat - hoewel in het algemeen de kennis over de verspreiding van een aantal vissen dat behoort tot beschermde soorten volgens de Habitatrichtlijn in de Noordzee beperkt is - op basis van een deskundigenoordeel geen significante effecten van de aanleg van de windturbineparken op vissen worden verwacht. Vervolgens is ingegaan op de effecten van de aanleg, exploitatie en ontmanteling van de windturbineparken op onder meer vislarven. Op grond van de modelberekeningen wordt een afname van de larvenaanvoer naar de Natura 2000-gebieden Voordelta, Noordzeekustzone en Waddenzee van 0-9% voor haring, 0-3% voor schol en 0-1% voor tong verwacht. In verband met het belang van de Waddenzee als kinderkamer voor de verschillende vissoorten is de doorwerking van de larvenreductie - als gevolg van de heiactiviteiten ten behoeve van de aanleg van de windturbineparken - op de juvenielen bepaald. Bij de beoordeling of de kinderkamerfunctie van de Natura-2000 gebieden wordt aangetast door heien zijn drie aspecten van belang geacht: de geschiktheid van het gebied als kinderkamer, het gebruik van het gebied als kinderkamer en het effect op de totale visbestanden. In alle gevallen kunnen significante negatieve effecten worden uitgesloten, aldus de passende beoordeling. Er wordt dan ook geconcludeerd dat de aanleg en aanwezigheid van het windturbinepark niet leidt tot significante negatieve effecten op de relevante Natura 2000-gebieden in Nederland, Duitsland of het Verenigd Koninkrijk.

Het milieueffectrapport en de passende beoordeling zijn getoetst door de Commissie m.e.r.. Deze heeft geoordeeld dat de essentiële informatie in het milieueffectrapport en de aanvulling daarop aanwezig is om het milieubelang een volwaardige plaats te kunnen geven in de besluitvorming. De Commissie m.e.r. is tot de slotsom gekomen dat ondanks de onzekerheden in het model het navolgbaar is dat de passende beoordeling concludeert dat mortaliteit van vislarven niet leidt tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden.

2.3.1.3. Lacunes in de kennis over de effecten van onderwatergeluid op onderwaterleven staan, anders dan het Productschap Vis meent, op zichzelf niet in de weg aan vergunningverlening. Van belang is evenwel dat bij de beoordeling van de effecten voldoende rekening wordt gehouden met de geconstateerde lacunes. Om die reden is in het milieueffectrapport en de passende beoordeling uitgegaan van 100% mortaliteit tot op een afstand van 1.000 meter van de heilocatie en een heiperiode die de periode van larventransport en juveniele periode voor zowel schol, haring als tong omvat (januari-juni). Verder is uitgegaan van een repeterende heicyclus van drie dagen, bestaande uit twee opeenvolgende dagen drie uur heien en daarna één dag zonder heien. De vraag die hier voorligt, is of 100% mortaliteit tot op een afstand van 1.000 meter een worst case aanname is. In de generieke passende beoordeling is aan de hand van studies naar het effect van onderwatergeluid op vislarven een geluidsniveau van 183 dB gehanteerd als drempel voor het optreden van sterfte. Door het Productschap Vis wordt niet betwist dat bij een lager geluidsniveau geen vissterfte optreedt. Het geschil beperkt zich tot de vraag tot welke afstand van de heilocatie dat geluidsniveau wordt bereikt. In de generieke passende beoordeling is vermeld dat de monitoring die heeft plaatsgevonden tijdens de aanleg van het windpark Q7 (Prinses Amalia Windpark) laat zien dat een geluidsniveau van 183 dB niet voorkomt op een afstand groter dan 1.000 meter van de heilocatie, zodat 100% mortaliteit tot op een afstand van 1.000 meter van de heilocatie als worst case aanname kan worden beschouwd. Ter zitting heeft de staatssecretaris uiteengezet dat bij het opstellen van de locatiespecifieke passende beoordeling rekening is gehouden met de laatste inzichten op het gebied van de effecten van onderwatergeluid op het onderwaterleven die zijn opgedaan bij onder meer de aanleg van de windparken Q7 (Prinses Amalia Windpark) en het Near Shore Windpark voor de kust van Egmond aan Zee, alsmede informatie die is verkregen bij de aanleg van windparken voor de kust van Denemarken, Groot-Brittannië en Duitsland en dat daaruit onder meer is gebleken dat een geluidsniveau van 183 dB zich slechts voordoet tot op een afstand van enkele honderden meters van de heilocatie en niet tot een afstand van 1.000 meter. Gelet daarop bestaat geen grond voor het oordeel dat door uit te gaan van 100% mortaliteit tot op een afstand van 1.000 meter van de heilocatie niet is uitgegaan van een worst case scenario. Het door het Productschap Vis overgelegde rapport "Passende Beoordeling windparken: Effecten van heien op vislarven, vogels en zeezoogdieren" van 17 augustus 2009 geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. In dat rapport is er weliswaar op gewezen dat de onzekerheid met betrekking tot de straal waarbinnen mortaliteit optreedt groot is en dat de straal waarbinnen mortaliteit optreedt ook 500 meter of 2.000 meter kan zijn, maar ook in dat rapport staat dat alles er op lijkt te wijzen dat de aanname van 1.000 meter als worst case scenario kan worden beschouwd.

2.3.1.4. Ter onderbouwing van het betoog dat bij de beoordeling van de effecten van onderwatergeluid op onderwaterleven onvoldoende rekening is gehouden met de lacunes in de kennis daarover heeft het Productschap Vis de publicaties "Ship noise and cortisol secretion in European freshwater fishes" van 4 april 2006, "The effects of human-generated sound on fish" uit 2009 en "Constant noise of offshore wind farms may stress fish" van 12 mei 2011 overgelegd. Hierin is weliswaar vermeld dat het achtergrondgeluid dat een windturbinepark in bedrijf produceert mogelijk stress veroorzaakt bij vissen in een wijde omtrek, maar het biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat in het bij de beoordeling van de effecten van onderwatergeluid op het onderwaterleven gebruikte model onvoldoende rekening is gehouden met de bestaande lacunes.

2.3.1.5. Gelet op het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat in het milieueffectrapport en bij de passende beoordeling is uitgegaan van te positieve aannames en aldus de gevolgen van de aanleg, exploitatie en demontage van het windturbinepark voor vissen en vislarven onzorgvuldig en ontoereikend zijn beoordeeld. Het betoog faalt in zoverre.

2.3.2. In het IBN 2015 staat dat het voorzorgbeginsel een cruciaal uitgangspunt is bij de planning en het ontwerp van voorgenomen activiteiten op zee. Het houdt in dat preventieve maatregelen genomen dienen te worden wanneer er redelijke gronden tot bezorgdheid bestaan dat een activiteit schade toebrengt aan het mariene milieu, de gezondheid van de mens en/of ander rechtmatig gebruik, zelfs wanneer er geen afdoende bewijs is voor een oorzakelijk verband tussen een activiteit en de gevolgen ervan. Het gaat er om maatregelen te nemen om langdurige, onomkeerbare en ongewenste effecten van activiteiten te voorkomen en, als de betrokken activiteit toelaatbaar lijkt, te beperken. De voorzorgtoets is vooral bedoeld om ernstige schade te voorkomen. In dit verband heeft de staatssecretaris bepaald dat in de periode van 1 januari tot 1 juli geen heiwerkzaamheden mogen plaatsvinden teneinde de effecten van het heien op het transport van vislarven naar de Waddenzee en de Voordelta te beperken. Verder heeft de staatssecretaris in dit verband aan de vergunning het voorschrift verbonden dat op de Noordzee gedurende één bouwseizoen één windturbinepark geheid mag worden. In geschil is of met deze maatregelen aan het voorzorgbeginsel toepassing is gegeven.

2.3.2.1. In de passende beoordeling is vermeld dat voor vislarven geldt dat zij als juvenielen een belangrijke voedingsbron vormen voor binnen Natura 2000-gebieden beschermde visetende vogels en zeezoogdieren. Sterfte als gevolg van heiwerkzaamheden kan na verloop van tijd leiden tot verminderde aanvoer van larven en juvenielen naar Natura 2000-gebieden en aldus tot een verminderd broedsucces van in die gebieden beschermde vogels en tot aantasting van de populatiefitness van in die gebieden beschermde zeezoogdieren. In de passende beoordeling staat verder dat één van de kernopgaven voor de Waddenzee is dat dit gebied dient als kraamkamer en opgroeigebied voor vis. Een verminderde aanvoer van vislarven kan derhalve tevens een mogelijk risico op aantasting van deze kernopgave betekenen. Bij de analyse van de effecten van de heiwerkzaamheden is gebruik gemaakt van een model dat het hydrodynamisch larventransport berekent vanaf het moment van paai tot het moment dat de larven in de beschermde gebieden aankomen. De periode waarin het transport plaatsvindt van larven uit de voor de aanvoer naar de beschermde Natura 2000-gebieden Voordelta, Noordzeekustzone en Waddenzee als relevant beschouwde paaigebieden naar die Natura 2000-gebieden verschilt per soort en loopt voor schol van 15 december tot 1 juni, voor tong van 1 maart tot 1 juli en voor haring van 1 januari tot 1 juni, aldus de passende beoordeling.

2.3.2.2. Uit het door het Productschap Vis overgelegde rapport van IMARES, getiteld 'Paaigebieden vis' blijkt dat de paaigebieden van verschillende vissoorten, waaronder haring, wijdverspreid zijn in de Noordzee. Ook de staatssecretaris heeft daar ter zitting op gewezen. Hij heeft er evenwel tevens op gewezen dat niet uit elk van die gebieden larven naar de beschermde Natura 2000-gebieden Voordelta, Noordzeekustzone en Waddenzee worden getransporteerd. De larven die in die gebieden voorkomen zijn grotendeels afkomstig uit het paaigebied dat ligt in het Kanaal. De paai vindt daar plaats in december. Aan de hand van kaarten heeft de staatssecretaris uiteengezet dat het transport van de haringlarven langs de heilocatie vervolgens plaatsvindt van januari tot april, wanneer er volgens het vergunningvoorschrift niet mag worden geheid. De staatssecretaris heeft verder aan de hand van het kaartmateriaal uiteengezet dat, hoewel de paaiperiode van schol al in december begint, ook voor de schollarven geldt dat zij langs de heilocatie worden getransporteerd in de periode dat niet mag worden geheid. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat, door aan de vergunning het voorschrift te verbinden dat in de periode van 1 januari tot 1 juli geen heiwerkzaamheden mogen plaatsvinden, toepassing is gegeven aan het voorzorgbeginsel, zoals hiervoor in overweging 2.3.2 omschreven. Dat, naar het Productschap Vis ter zitting heeft aangevoerd, in de periode dat er wel geheid mag worden nog transport plaatsvindt van de larven van mul, rode poon en inktvis, geeft geen grond voor een ander oordeel nu, naar de staatssecretaris heeft toegelicht, het niet om soorten gaat waarvan de juvenielen voedsel vormen voor de in de Natura-2000 gebieden beschermde vogelsoorten en zeezoogdieren.

2.3.2.3. In de passende beoordeling is vermeld dat wat betreft het heien is uitgegaan van een repeterende cyclus van drie dagen, bestaande uit twee opeenvolgende dagen drie uur heien en daarna een dag zonder heien. Ter zitting heeft de staatssecretaris uiteengezet dat - daargelaten dat naar de huidige stand van de techniek het niet mogelijk is om op zee meer dan één paal per dag te heien, hetgeen ongeveer drie uur duurt, en dat na het heien van twee palen een dag nodig is voor de aanvoer van nieuwe palen, zodat niet aannemelijk is dat een andere heicyclus zal worden gehanteerd dan waar in de passende beoordeling van is uitgegaan, te minder nu voorafgaand aan de heiwerkzaamheden een heiplan ter goedkeuring moet worden voorgelegd aan de staatssecretaris - de heicyclus niet relevant is, aangezien in de periode dat volgens de vergunningvoorschriften geheid mag worden, er geen of nauwelijks larventransport plaatsvindt rond de heilocatie, zodat geen sterfte optreedt als gevolg van het heien. Aldus kan evenmin worden staande gehouden dat de staatssecretaris, door aan de vergunning niet een voorschrift betreffende de heicyclus te verbinden, geen toepassing heeft gegeven aan het voorzorgbeginsel.

2.3.2.4. Met het voorschrijven van een monitoring- en evaluatieprogramma heeft de staatssecretaris, anders dan het geval was in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2008 in zaak nr. 200607555/1, niet beoogd om tijdens het uitvoeren van de vergunde activiteit gegevens te verkrijgen ter invulling van de kennislacunes teneinde in te kunnen grijpen door middel van het wijzigen of intrekken van de verleende vergunning om zo te verzekeren dat schadelijke gevolgen van de activiteit worden voorkomen. Blijkens de vergunning en de door de staatssecretaris ter zitting gegeven toelichting, is het monitoring- en evaluatieprogramma, vooral bedoeld om kennis te vergaren over de effecten van de ontwikkeling van windturbineparken met het oog op de toekomstige ontwikkeling van windturbineparken op zee. Gelet daarop kan niet worden staande gehouden dat de staatssecretaris met het voorschrijven van een monitoring- en evaluatieprogramma op ongeoorloofde wijze toepassing heeft gegeven aan het voorzorgbeginsel. Dat, naar het Productschap Vis aanvoert, het monitoring- en evaluatieprogramma op zichzelf niet kan voorkomen dat de gevolgen van afnemende visstand worden afgewenteld op de visserijsector is als zodanig niet onjuist, maar gaat er aan voorbij dat het daar ook niet voor is bedoeld. Voor zover al sprake zou zijn van nadelige effecten voor de visserijsector als gevolg van de aanleg van het windturbinepark, voorziet, naar de rechtbank terecht heeft overwogen, de Regeling nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat 1999 (Stcrt. 1999, nr. 172) in de mogelijkheid tot schadevergoeding.

2.3.2.5. Het argument van het Productschap Vis dat de toepassing van het voorzorgbeginsel er toe had moeten leiden dat in afwachting van de uitkomsten van het monitoring- en evaluatieprogramma van het reeds in werking zijnde Near Shore Windpark geen vergunning wordt verleend voor het windturbinepark Windpark Beaufort, gaat er aan voorbij dat, zoals blijkt uit het milieueffectrapport en de generieke passende beoordeling en de staatssecretaris ook in zijn verweerschrift en ter zitting uiteen heeft gezet, ten tijde van de vergunningverlening niet alleen monitoringsgegevens bekend waren van de aanleg van het Near Shore Windpark bij Egmond aan Zee, maar ook van de aanleg en exploitatie van het windturbinepark Q7 en windturbineparken voor de kust van Denemarken, Groot-Brittannië en Duitsland en met deze gegevens ook rekening is gehouden bij de beoordeling van de effecten van aanleg, exploitatie, onderhoud en verwijdering van het windturbinepark.

2.3.2.6. Gelet op het vorenstaande bestaat evenmin grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris geen correcte toepassing heeft gegeven aan het voorzorgbeginsel. Derhalve faalt het betoog ook voor het overige.

2.4. Het Productschap Vis komt tot slot op tegen het oordeel van de rechtbank dat de staatssecretaris op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat behoud van de mogelijkheid van doelmatig gebruik van de Noordzee door de visserijsector voldoende is verzekerd. Het betoogt dat de rechtbank daartoe ten onrechte heeft overwogen dat de visserij zich slechts zal verplaatsen en niet zal worden aangetast in omvang en aard van haar activiteiten. Ter onderbouwing voert het Productschap Vis aan dat verplaatsing van de visserij betekent dat bepaalde visgronden intensiever zullen worden bevist, met omzetderving als gevolg, zodat nadeelcompensatie op zijn plaats is.

2.4.1. In de Nota Ruimte is vermeld dat realisatie van windturbineparken tot een totaal vermogen van 6000 MW in de exclusieve economische zone geschiedt om dwingende redenen van groot openbaar belang. In het IBN 2015 wordt geconstateerd dat het Nederlands Continentaal Plat intensief wordt bevist, voornamelijk door boomkorkotters en vriestrawlers. De visserij-intensiteiten in de Noordzee verschillen per gebied en per seizoen, maar de Nederlandse visserijvloot is vooral actief in het zuidelijke en oostelijke deel van de Noordzee. Hoewel er wel spanning is te verwachten met, onder andere, de visserij - met name vanwege het feit dat in windturbineparken niet gevaren mag worden - is de verwachting dat de effecten van het inperken van de ruimte door nieuwe obstakels voor de niet-routegebonden vaart, waaronder visserij, beperkt blijven, doordat deze schepen nog steeds in de gebieden buiten de vrijgehouden vaarroutes mogen blijven varen, aldus het IBN 2015. Aldus heeft een afweging plaatsgevonden tussen de belangen van de visserij en het belang bij realisatie van de windparken. In het milieueffectrapport is vervolgens onderzocht wat de gevolgen van de vergunde activiteit zijn voor de visserij op het Nederlands Continentaal Plat. Geconstateerd wordt dat de locatie waar het windturbinepark is voorzien intensief wordt bevist. De bouw van het windpark leidt ertoe dat binnen het windpark en de bijbehorende veiligheidszone van 500 meter rondom het park niet langer mag worden gevist. Het verlies aan visgronden met 0,22% zal volgens het milieueffectrapport een geringe toename van de visserijdruk op de overige vergelijkbare visgronden laten zien. De vangstefficiëntie van een schip zal daardoor kleiner worden. Hoewel het effect moeilijk te kwantificeren is, zal het effect naar verwachting evenwel gering zijn, aldus het milieueffectrapport. Geconcludeerd wordt dan ook dat de effecten van het windpark op de visserij, gezien het beperkte oppervlak dat wordt gesloten voor de visserij, neutraal moet worden beoordeeld. In hetgeen het Productschap Vis aanvoert is geen grond gelegen voor het oordeel dat de staatssecretaris, gelet op het vorenstaande, zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat de mogelijkheid van doelmatig gebruik van de Noordzee door de visserijsector voldoende is verzekerd. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het Productschap Vis zijn betoog onvoldoende heeft gestaafd. Het betoog faalt.

Het door E-Connection ingestelde hoger beroep

2.5. E-Connection betoogt dat de rechtbank - door te overwegen dat niet op voorhand kan worden geconcludeerd dat Nuon Duurzame Energie niet aan het aan de vergunning verbonden voorschrift dat de corridor die het noordelijke en zuidelijke deel van het Windpark Beaufort van elkaar scheidt, zal kunnen voldoen en hetgeen zij heeft aangevoerd ten aanzien van het afsluiten van de corridor derhalve niet leidt tot vernietiging van het bestreden besluit - eraan voorbij gaat dat de staatssecretaris met het verbinden van dat voorschrift aan de vergunning van de aanvraag is afgeweken en derhalve de grondslag van de aanvraag heeft verlaten.

2.5.1. Bij brief van 12 mei 2006 heeft WEOM B.V. een aanvraag ingediend voor een Wbr-vergunning voor het oprichten, in stand houden en verwijderen van een offshore windturbinepark met de naam Windpark Katwijk. In de aanvraag is vermeld dat het Windpark Katwijk bestaat uit 114 windturbines. Uit de in de aanvraag opgenomen kaarten blijkt dat de turbines zijn verdeeld over een noordelijk en een zuidelijk deel, met daartussenin een stuk open zee. In de aanvraag en een daarbij behorende bijlage zijn tabellen opgenomen waarin per afzonderlijke turbine de coördinaten zijn opgenomen. Ook zijn de coördinaten van de hoekpunten van het Windpark Katwijk vermeld. Bij brief van 6 mei 2009 is de aanvraag op naam van Nuon Duurzame Energie gesteld en is de naam van het windturbinepark gewijzigd in Windpark Beaufort.

2.5.2. Bij besluit van 2 november 2009 heeft de staatssecretaris vergunning verleend voor het oprichten, in stand houden en verwijderen van een offshore windturbinepark van maximaal 93 turbines. De zuidelijke punt van het zuidelijke deel van het park, bestaande uit 21 windturbines, is niet vergund, omdat dit deel in de zogenoemde separatiezone van het VSS Maas Noord ligt. De separatiezone heeft tot doel de in richting tegenovergestelde verkeersstromen te separeren en heeft daarmee een veiligheidsfunctie. Door de ligging van het park wordt de mogelijkheid om in geval van nood de separatiezone in te varen belemmerd over een afstand van 2,8 NM. Het plaatsen van windturbines in de separatiezone is derhalve uit een oogpunt van scheepvaartveiligheid ongewenst en in zoverre is daarom de vergunning geweigerd. Naar het oordeel van de Afdeling is, door het niet vergunnen van de 21 windturbines in de zuidelijke punt, mede gelet op het aantal turbines dat is geweigerd, geen sprake van een zodanige wijziging van het werk waarvoor een vergunning is gevraagd, dat moet worden geoordeeld dat door de gedeeltelijke weigering van de vergunning een ander werk is ontstaan en aldus de grondslag van de aanvraag is verlaten.

2.5.3. De staatssecretaris heeft aan de vergunning onder andere het voorschrift verbonden dat de corridor tussen het noordelijke en zuidelijke deel van het windturbinepark dient te worden afgesloten voor scheepvaartverkeer, omdat verkeer dat gebruik wil maken van de corridor ongewenste onoverzichtelijke situaties kan veroorzaken op de kruisingen met de drukke verkeersstromen van en naar Rotterdam direct ten oosten en ten westen van de corridor. Het afsluiten van de corridor voor de scheepvaart zou een veiliger situatie in de verkeersstromen van en naar Rotterdam opleveren. Het wordt aan Nuon Duurzame Energie overgelaten op welke wijze de corridor wordt afgesloten. In de vergunning is evenwel opgemerkt dat in het kader van een doelmatig gebruik van de exclusieve economische zone de meest optimale situatie ontstaat als de corridor daar waar mogelijk vanwege de ligging van de kabels ten behoeve van windenergie op zee wordt volgebouwd met windturbines, aangezien dan een aaneengesloten windturbinepark ontstaat. Indien Nuon Duurzame Energie ook daadwerkelijk de corridor wenst af te sluiten door het plaatsen van windturbines, dient daartoe een schriftelijk verzoek te worden ingediend bij de staatssecretaris.

2.5.3.1. In vergunningvoorschrift 1, onder c, wordt het werk omschreven als een windturbinepark, genaamd 'Beaufort', bestaande uit maximaal 93 windturbines, één transformatorstation en de kabels tussen de windturbines onderling en tussen het transformatorstation. Dit is het windturbinepark waarvoor vergunning is verleend. In voorschrift 3a, eerste lid, is bepaald dat het werk, exclusief de kabels in de territoriale zee en van de territoriale zee tot aan de duinvoet, is gelegen op het Nederlands deel van het continentaal plat en zich bevindt binnen de in het voorschrift opgenomen posities. In figuur 6 is aangegeven hoe de windturbines zijn gesitueerd. In voorschrift 3a, vijfde lid, is bepaald dat rondom het park een veiligheidszone wordt ingesteld van 500 meter conform de beleidsregels. In figuur 6 is deze veiligheidszone weergegeven als een zone die om het noordelijke en het zuidelijke deel van het windturbinepark loopt en die mede de corridor omvat. De veiligheidszone is afgebakend door de hoekpunten A, B, L en M. Hoewel in figuur 6 geen windturbines zijn ingetekend in de corridor, volgt uit het hiervoor weergegeven samenstel van vergunningvoorschriften alsmede het feit dat blijkens figuur 6 de corridor binnen de veiligheidszone valt, dat de corridor deel uitmaakt van het vergunde werk. Gelet daarop, alsmede in aanmerking nemende dat het aan Nuon Duurzame Energie is overgelaten op welke wijze de corridor wordt afgesloten en zij derhalve niet verplicht is deze af te sluiten door middel van het plaatsen van windturbines, kan niet worden staande gehouden dat, naar E-Connection betoogt, Nuon Duurzame Energie, door het aan de vergunning verbonden voorschrift dat de corridor dient te worden afgesloten voor scheepvaartverkeer, wordt verplicht tot het verrichten van een werk buiten de grenzen van dat werk.

2.5.3.2. Tot slot kan E-Connection evenmin worden gevolgd in haar betoog dat het in strijd is met het beginsel van rechtszekerheid dat Nuon Duurzame Energie wordt verplicht windturbines in de corridor te plaatsen en deze in mindering worden gebracht op de 93 vergunde windturbines, zodat wordt afgeweken van de in de vergunning voorgeschreven configuratie. Anders dan E-Connection betoogt, heeft de staatssecretaris niet voorgeschreven dat de corridor dient te worden afgesloten door middel van het plaatsen van windturbines. Hoewel, naar zowel de staatssecretaris als Nuon Duurzame Energie ter zitting uiteen hebben gezet, dit wel hun beider voorkeur heeft, is het in de vergunning uitdrukkelijk aan Nuon Duurzame Energie overgelaten op welke wijze de corridor wordt afgesloten. Als dit gebeurt met windturbines, dan gaat het, naar de rechtbank met juistheid heeft overwogen, om afsluiting van de corridor door middel van gewijzigde plaatsing van de 93 vergunde windturbines. Nu, zoals hiervoor is overwogen, de corridor deel uitmaakt van het windturbinepark, gaat het daarbij derhalve niet om afsluiting van een deel van de Noordzee, maar om het oprichten van een aaneengesloten windturbinepark. In dat geval zal, naar E-Connection terecht opmerkt, worden afgeweken van de in figuur 6 weergegeven configuratie. Voor het oordeel dat dit in strijd is met het beginsel van rechtszekerheid bestaat evenwel geen grond, aangezien ook in het geval van een afwijkende configuratie geen turbines mogen worden geplaatst buiten de hoekpunten A, B, L en M en het derhalve gaat om een beperkte wijziging ten opzichte van wat is aangevraagd en vergund. Dat Nuon Duurzame Energie, indien zij ervoor kiest de corridor door middel van het plaatsen van windturbines af te sluiten voor scheepvaartverkeer, op grond van vergunningvoorschrift 3b, tweede lid, een schriftelijk verzoek moet indienen bij het bevoegd gezag, het bevoegd gezag daarop moet beslissen en die beslissing een besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht, waarop de bepalingen van bezwaar en beroep van toepassing zijn, vormt evenmin grond voor het oordeel dat het gaat om een wijziging van de aanvraag die niet van ondergeschikte aard is. Dat goedkeuring moet worden gevraagd en verleend voor het plaatsen van windturbines in de corridor vormt dan ook geen beletsel voor vergunningverlening.

2.5.4. Gelet op het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat de grondslag van de aanvraag is verlaten. Het betoog faalt.

Conclusie

2.6. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. K.J.M. Mortelmans en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Wieland, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Wieland

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2012

502.