Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW7624

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-06-2012
Datum publicatie
06-06-2012
Zaaknummer
201106263/1/T1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van onderscheidenlijk 30 juni 2009, 10 juli 2009, en 28 juli 2009 heeft de raad vier aanvragen van [appellant] om een toevoeging voor rechtsbijstand, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201106263/1/T1/A2.

Datum uitspraak: 6 juni 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 49, zesde lid, van de Wet op de Raad van State op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 22 april 2011 in de zaken nrs. 09/5508, 09/5729, 09/5730 en 09/5731 in het geding tussen:

[appellant]

en

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (voorheen: de raad voor rechtsbijstand Utrecht, hierna: de raad).

1. Procesverloop

Bij besluiten van onderscheidenlijk 30 juni 2009, 10 juli 2009, en 28 juli 2009 heeft de raad vier aanvragen van [appellant] om een toevoeging voor rechtsbijstand, afgewezen.

Bij besluiten van 6 onderscheidenlijk 27 oktober 2009 heeft de raad de door [appellant] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard, en de aanvragen om peiljaarverlegging afgewezen.

Bij uitspraak van 22 april 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank de door [appellant] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 juni 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 13 juli 2011.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Nadat partijen bij brieven van 31 augustus 2011 daartoe toestemming als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) hebben verleend, heeft de Afdeling bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder j, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: Wrb), zoals deze luidde ten tijde van belang, wordt onder peiljaar het tweede kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarin de aanvraag om een toevoeging wordt gedaan verstaan.

Ingevolge artikel 34c, eerste lid, neemt de raad op aanvraag van de rechtzoekende een besluit dat is gebaseerd op het inkomen of vermogen in het jaar waarin de aanvraag om een toevoeging is gedaan, indien in het jaar waarin de aanvraag om een toevoeging is gedaan sprake is van een terugval in het inkomen of vermogen.

Ingevolge het vierde lid wordt bij de aanvraag een verklaring waarin de oorzaak van de inkomens- of vermogensdaling wordt toegelicht overgelegd.

Ingevolge artikel 34e, eerste lid, wordt de beslissing op het bezwaar tegen de beslissing op de aanvraag om een toevoeging geacht mede betrekking te hebben op de beslissing op de aanvraag, bedoeld in artikel 34c, eerste lid.

2.2. [appellant] heeft, nadat de raad bij afzonderlijke besluiten zijn vier aanvragen om een toevoeging als bedoeld in de Wrb heeft afgewezen, bezwaar gemaakt tegen deze besluiten alsmede vier onderscheidenlijke aanvragen om peiljaarverlegging ingediend. De raad heeft deze aanvragen afgewezen, omdat [appellant] onvoldoende informatie heeft verstrekt waardoor het niet mogelijk was om een schatting te maken van het inkomen in het nieuwe peiljaar, en de bezwaren ongegrond verklaard.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de raad ten onrechte de aanvragen om peiljaarverlegging heeft afgewezen, nu hij alle gevraagde informatie heeft overgelegd. Indien deze informatie voor de raad niet duidelijk was, had het juist in de rede gelegen om daar tijdens een hoorzitting meer duidelijkheid over te verkrijgen, zo betoogt [appellant].

2.3.1. Het bezwaar en de aanvraag om peiljaarverlegging zijn gestoeld op dezelfde grond, te weten het verlies van inkomen in het jaar waarin de aanvraag om toevoeging is gedaan. Wanneer zowel bezwaar wordt gemaakt als een aanvraag om peiljaarverlegging wordt gedaan, zoals in het onderhavige geval, heeft het besluit op bezwaar tevens betrekking op de aanvraag om peiljaarverlegging. In dat geval staat tegen dat besluit, ook voor zover het een beslissing op de aanvraag om peiljaarverlegging behelst, beroep open. Gelet op de inhoudelijke en procedurele samenhang moeten de bepalingen van Hoofdstuk 7 van de Awb van toepassing worden geacht op het besluit voor zover daarin de aanvraag om peiljaarverlegging is afgewezen. Derhalve is ook de verplichting tot horen overeenkomstig artikel 7:2, eerste lid, van de Awb van toepassing. Van het horen mag slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het bezwaar niet kan leiden tot een andersluidend besluit. Die situatie doet zich hier niet voor. Op het formulier behorend bij de aanvragen om peiljaarverlegging heeft [appellant] aangegeven dat hij vanaf 1 mei 2009 over een inkomen beschikte. De raad heeft daarop per brief verzocht om alle inkomensspecificaties van [appellant]. Hij heeft die gegevens overgelegd.

Bij besluiten van 6 onderscheidenlijk 27 oktober 2009 heeft de raad de verzoeken om peiljaarverlegging afgewezen, omdat onvoldoende duidelijk is geworden wat het geschat inkomen van [appellant] in 2009 zal zijn, nu geen inkomensspecificaties of een verklaring over het inkomen voor 1 mei 2009 zijn overgelegd, aldus de raad. Nu [appellant] op het formulier behorend bij de aanvragen om peiljaarverlegging heeft aangegeven dat hij vanaf 1 mei 2009 over inkomen beschikte, kan niet worden staande gehouden dat het bezwaar kennelijk ongegrond was. In zoverre slaagt het betoog.

2.4. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 49, zesde lid, van de Wet op de Raad van State op te dragen het gebrek in de besluiten van 6 onderscheidenlijk 27 oktober 2009 binnen de hierna te noemen termijn te herstellen. De raad dient daartoe met inachtneming van hetgeen in overweging 2.3.1 alsnog [appellant] te horen en zo nodig de besluiten te wijzigen dan wel in plaats daarvan andere besluiten te nemen. In het laatste geval dienen de nieuwe besluiten op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt te worden.

In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

draagt het bestuur van de raad voor rechtsbijstand op om binnen 6 weken na de verzending van deze tussenuitspraak:

- met inachtneming van overweging 2.3.1 [appellant] alsnog te horen, zo nodig de bestreden besluiten te wijzigen dan wel in plaats daarvan andere besluiten te nemen. In het laatste geval dienen de nieuwe besluiten op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt te worden;

- de Afdeling de uitkomst mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. J.A. Hagen en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Poot

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2012

362-729.