Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW7621

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-06-2012
Datum publicatie
06-06-2012
Zaaknummer
201103203/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 oktober 2008 heeft het college [appellant] op straffe van een dwangsom gelast de woning op het adres [locatie A] te Amsterdam bij de gemeente beschikbaar te melden en voor deze woning een passend huishouden voor te dragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201103203/1/A3.

Datum uitspraak: 6 juni 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 februari 2011 in zaken nrs. 09/3184 en 09/4212 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 oktober 2008 heeft het college [appellant] op straffe van een dwangsom gelast de woning op het adres [locatie A] te Amsterdam bij de gemeente beschikbaar te melden en voor deze woning een passend huishouden voor te dragen.

Bij besluit van 24 april 2009 heeft het college [appellant] op straffe van een dwangsom gelast de woning op het adres [locatie B] te Amsterdam bij de gemeente beschikbaar te melden en voor deze woning een passend huishouden voor te dragen.

Bij besluit van 9 juni 2009 heeft het college het door [appellant] tegen het besluit van 28 oktober 2008 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 22 juni 2009 heeft het college het door [appellant] tegen het besluit van 24 april 2009 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 8 oktober 2009 heeft het college de bij besluit van 28 oktober 2008 opgelegde last onder dwangsom opgeheven.

Bij afzonderlijk besluit van 8 oktober 2009 heeft het college de bij besluit van 24 april 2009 opgelegde last onder dwangsom opgeheven.

Bij uitspraak van 1 februari 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank de door [appellant] tegen de besluiten van 9 en 22 juni 2009 ingestelde beroepen niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 maart 2011, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk overgelegd.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 maart 2012, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door mr. M.A.H. van der Hijden, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 8 oktober 2009 heeft het college op grond van artikel 5:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht de bij besluit van 28 oktober 2008 opgelegde last onder dwangsom opgeheven, omdat uit de gemeentelijke basisadministratie is gebleken dat [appellant] zich op 15 december 2008 heeft ingeschreven op het adres [locatie A] te Amsterdam. Voorts heeft het college bij afzonderlijk besluit van 8 oktober 2009 de bij besluit van 24 april 2009 opgelegde last onder dwangsom opgeheven, omdat voor de woning sinds 1 september 2009 een huurprijs is vastgesteld die hoger ligt dan de huurprijsgrens. Hierdoor behoeft voor het bewonen van de woning geen huisvestingsvergunning te worden verkregen, aldus het college.

2.2. De rechtbank heeft de beroepen van [appellant] tegen de besluiten van 9 en 22 juni 2009 niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van belang bij een beoordeling van deze beroepen. Hiertoe heeft zij redengevend geacht dat het college bij afzonderlijke besluiten van 8 oktober 2009 de aan [appellant] opgelegde lasten onder dwangsom heeft opgeheven. In de door [appellant] aangevoerde omstandigheden is geen belang bij een beoordeling van zijn beroepen tegen de besluiten van 9 en 22 juni 2009 gelegen, aldus de rechtbank. Ten aanzien van de opgelegde last onder dwangsom met betrekking tot [locatie A] heeft de rechtbank geoordeeld dat in de omstandigheid dat [appellant] door de verhuizing naar [locatie A] de inschrijvingsduur die hij heeft opgebouwd gedurende de periode dat hij op het adres [locatie B] woonde, is kwijtgeraakt, geen belang bij een beoordeling van zijn beroep tegen het besluit van 9 juni 2009 is gelegen. Er is immers geen causaal verband tussen de opgelegde last onder dwangsom en de verhuizing van [appellant] naar [locatie A], nu de last slechts het melden van de woning en het voordragen van een passend huishouden inhield en niet het inschrijven van [appellant] op dat adres. Voorts heeft de rechtbank bij haar oordeel betrokken dat het college ter zitting bij de rechtbank heeft verklaard dat de eerder begane overtredingen [appellant] bij een eventuele volgende overtreding niet zullen worden tegengeworpen.

2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte zijn beroepen niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het ontbreken van een belang bij een beoordeling ervan. Hij betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college er bij het opleggen van de dwangsommen voor [locatie B] en [locatie A] ten onrechte van uit is gegaan dat een getrouwd paar één huishouden vormt. Voorts voert hij aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen causaal verband bestaat tussen de opgelegde last onder dwangsom en zijn verhuizing naar [locatie A]. Daarnaast betoogt hij dat de rechtbank heeft miskend dat het college eerder had kunnen besluiten tot het opheffen van de last onder dwangsom opgelegd met betrekking tot het adres [locatie A], nu hij zich reeds op 15 december 2008 op dit adres heeft ingeschreven.

2.3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 februari 2007 in zaak nr. 200604193/1) kan er procesbelang bestaan indien een appellant stelt schade te hebben geleden ten gevolge van bestuurlijke besluitvorming. Daartoe is vereist dat tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt dat deze schade daadwerkelijk is geleden als gevolg van het bestreden besluit.

De rechtbank heeft ten aanzien van de bij besluit van 24 april 2009 opgelegde last onder dwangsom met juistheid geoordeeld dat [appellant] geen belang meer heeft bij een beoordeling van zijn beroep hiertegen gelet op het feit dat deze last onder dwangsom bij besluit van 8 oktober 2009 is ingetrokken. De bij dit besluit opgelegde last strekte niet tot het renoveren van de woning, maar slechts tot het melden van de woning en het voordragen van een passend huishouden voor deze woning. [appellant] heeft ten aanzien van deze woning niet tot op zekere hoogte aannemelijk gemaakt dat hij schade heeft geleden als gevolg van de bij besluit van 24 april 2009 opgelegde last onder dwangsom.

Ten aanzien van de opgelegde last die zag op de woning op [locatie A] heeft [appellant] onweersproken gesteld dat hij naar die woning is verhuisd om zodoende aan de last te voldoen, welke verhuizing kosten met zich heeft meegebracht. Zoals het college ter zitting van de Afdeling desgevraagd heeft bevestigd diende om aan de last te voldoen daadwerkelijk invulling te worden gegeven aan een voordracht van een passend huishouden. Gelet hierop is, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, tot op zekere hoogte aannemelijk dat [appellant] schade heeft geleden ten gevolge van de opgelegde last onder dwangsom ten aanzien van [locatie A].

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat [appellant] een belang heeft bij een beoordeling van het besluit van 9 juni 2009.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover daarbij het beroep in zaak nr. 09/3184 niet-ontvankelijk is verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het tegen het besluit van 9 juni 2009 ingestelde beroep beoordelen.

2.5. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Huisvestingswet, voor zover thans van belang, kan de gemeenteraad, voor zover dat in het belang van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte noodzakelijk is, in de huisvestingsverordening woonruimte aanwijzen die niet voor bewoning in gebruik mag worden genomen of gegeven, indien voor het in gebruik nemen daarvan geen huisvestingsvergunning is verleend.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een woonruimte, aangewezen overeenkomstig artikel 5, in gebruik te nemen voor bewoning.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder k, van de Partiële Regionale Huisvestingsverordening 2007 voor het grondgebied van de gemeente Amsterdam (hierna: de verordening), wordt in die verordening onder huishouden verstaan: een alleenstaande of twee personen, al dan niet met kinderen, die een gemeenschappelijke huishouding voeren of willen gaan voeren.

Ingevolge artikel 2.1.1, aanhef en onder a, worden alle huurwoningen, gelegen in de gemeente Amsterdam, met een huurprijs tot de aftoppingsgrens genoemd in artikel 20, tweede lid, onder b, van de Wet op de huurtoeslag, als woonruimten als bedoeld in artikel 5 van de Huisvestingswet aangewezen.

Ingevolge artikel 2.6.4, zesde lid, wordt per huishouden slechts één huisvestingsvergunning verleend.

Ingevolge artikel 2.7.1, eerste lid, voor zover thans van belang, is de eigenaar van een woonruimte, aangewezen in artikel 2.1.1, aanhef en onder a, verplicht het beschikbaar komen van die woonruimte binnen vijf dagen aan burgemeester en wethouders te melden.

Ingevolge artikel 2.7.2, tweede lid, draagt de eigenaar in ieder geval binnen vier weken na beschikbaar komen van de woonruimte een huishouden voor.

2.6. [appellant] is eigenaar van zowel de woning [locatie B] als de woning [locatie A]. Hij wil zelf in één van deze woningen wonen en zijn echtgenote met kind in de andere. Dit is volgens het college niet mogelijk nu beide woningen onder de werking van de verordening vallen en per huishouden slechts één huisvestingsvergunning wordt verleend. Omdat [appellant] is getrouwd vormen hij en zijn echtgenote volgens het college één huishouden. Nu [appellant] en zijn echtgenote ten tijde van belang in de gemeentelijke basisadministratie stonden ingeschreven op het adres [locatie B], diende [appellant] de woning [locatie A] beschikbaar te melden en voor deze woning een passend huishouden voor te dragen.

2.7. [appellant] betoogt, samengevat weergegeven, dat het college er bij zijn besluitvorming ten onrechte vanuit gaat dat hij met zijn echtgenote en kind, één huishouden vormt.

Voorts stelt [appellant] zich op het standpunt dat, indien wordt geoordeeld dat hij heeft gehandeld in strijd met de verordening, zicht bestond op legalisatie nu het college zijn verzoek om te gedogen dat zijn echtgenote en hij apart van elkaar, beiden in een distributiewoning wonen, ten tijde van het besluit van 9 juni 2009 nog niet had afgewezen.

Ten slotte betoogt hij dat de nadelige gevolgen van het besluit voor het gezin onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. Door de vorm waarin hij wenst samen te leven met zijn echtgenote en kind niet mogelijk te maken, handelt het college volgens [appellant] in strijd met het Verdrag inzake de rechten van het kind (hierna: IVRK).

2.7.1. Niet in geschil is dat de woning op [locatie A] onder de werking van artikel 2.1.1, aanhef en onder a, van de verordening valt. Voor bewoning van deze woning is derhalve een huisvestingsvergunning nodig. Het college heeft zich op het standpunt mogen stellen dat aan [appellant] geen huisvestingsvergunning voor deze woning kon worden verleend aangezien hij met zijn echtgenote en hun kind stond ingeschreven op het adres [locatie B] waarvoor hun reeds een huisvestingsvergunning was verleend. Gelet op het feit dat [appellant] is getrouwd heeft het zich op het standpunt mogen stellen dat [appellant] en zijn echtgenote een gemeenschappelijke huishouding voeren. Hierbij heeft het de schaarste aan distributiewoningen in aanmerking mogen nemen.

Gelet op het voorgaande heeft het college met juistheid geconcludeerd dat [appellant] door de woning [locatie A] niet te melden en hiervoor geen huishouden voor te dragen, in strijd met artikelen 2.7.1, eerste lid en 2.7.2, tweede lid, van de verordening heeft gehandeld. Het college was derhalve bevoegd [appellant] een last onder dwangsom op te leggen.

2.7.2. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.7.3. Met juistheid heeft het college zich op het standpunt gesteld dat geen concreet zicht op legalisatie van de onrechtmatige situatie bestaat. Dat het college ten tijde van het besluit van 9 juni 2009 nog geen reactie had gegeven op het verzoek van [appellant] om de door hem gewenste woonsituatie te gedogen, maakt dit niet anders, nu een eventuele positieve reactie op dit verzoek niet maakt dat de strijdigheid met de verordening wordt opgeheven. Bovendien heeft het college op 2 september 2008 door middel van een vooraankondiging kenbaar gemaakt dat het handhavend zal optreden tegen de door [appellant] begane overtreding. Het betoog ten aanzien van de vermeende strijd met het IVRK kan ten slotte niet leiden tot het daarmee beoogde doel. Met de enkele verwijzing naar de preambule heeft hij onvoldoende geconcretiseerd op welke wijze rechten uit het IVRK worden geschonden. Ook overigens is de Afdeling niet gebleken dat het college met het besluit van 9 juni 2009 in strijd met het IVRK heeft gehandeld.

Gelet op het voorgaande heeft het college zich op het standpunt mogen stellen dat handhavend optreden niet zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat hiervan in deze situatie behoorde te worden afgezien.

2.8. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 9 juni 2009 van het college alsnog ongegrond verklaren.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 februari 2011, voor zover daarbij het beroep in zaak nr. 09/3184 niet-ontvankelijk is verklaard;

III. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

IV. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep tegen het besluit van 9 juni 2009, kenmerk 08/0564/dwangs, ongegrond;

V. gelast dat de secretaris van de Raad van State aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 227,00 (zegge: tweehonderdzevenentwintig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Klein

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2012

176-591.