Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW7616

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-06-2012
Datum publicatie
06-06-2012
Zaaknummer
201104839/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 maart 2011 heeft het college hogere geluidgrenswaarden als bedoeld in artikel 83, derde lid, van de Wet geluidhinder en artikel 4.10 van het Besluit geluidhinder vastgesteld ten behoeve van de bouw van drie appartementencomplexen met 40 wooneenheden op het perceel Haagdoornstraat 1 tot en met 59 en Tunnelweg 11 tot en met 11h en 11k te Geldermalsen. Dit besluit is op 25 maart 2011 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201104839/1/R4.

Datum uitspraak: 6 juni 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te Geldermalsen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Geldermalsen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 maart 2011 heeft het college hogere geluidgrenswaarden als bedoeld in artikel 83, derde lid, van de Wet geluidhinder en artikel 4.10 van het Besluit geluidhinder vastgesteld ten behoeve van de bouw van drie appartementencomplexen met 40 wooneenheden op het perceel Haagdoornstraat 1 tot en met 59 en Tunnelweg 11 tot en met 11h en 11k te Geldermalsen. Dit besluit is op 25 maart 2011 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellant] anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 april 2011, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 26 mei 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 april 2012, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door A. Menhart, adviseur, en het college, vertegenwoordigd door J. Meering, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting Burgland Projectontwikkeling Regio West, vertegenwoordigd door mr. N.B. de Neef, advocaat te Dordrecht, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. De hogere geluidgrenswaarden zijn vastgesteld in verband met een besluit tot verlening van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: vrijstellingsbesluit).

2.2. Het college betoogt tevergeefs dat de Crisis- en herstelwet van toepassing is op het bestreden besluit. Zoals de Afdeling reeds eerder heeft overwogen in de uitspraak van 1 december 2010 in zaak nr. 201005029/1/H1 volgt uit categorie 3.1 van bijlage I bij de Crisis- en herstelwet dat die wet van toepassing is op projecten van meer dan 20 woningen die tot stand zijn gekomen krachtens afdeling 3.1 of afdeling 3.3 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro). Nu het bestreden besluit is genomen ten behoeve van een vrijstellingsbesluit dat is gebaseerd op het bestemmingsplan "Geldermalsen-West 1978", dat onder de vigeur van de Wet op de Ruimtelijke Ordening is vastgesteld, is daarvan in dit geval geen sprake en valt het besluit daarmee niet onder de werking van de Crisis- en herstelwet.

2.3. In dit geding is uitsluitend aan de orde de vaststelling van hogere grenswaarden voor drie appartementencomplexen met 40 wooneenheden waarvoor bij besluit van 24 maart 2011 vrijstelling en een reguliere bouwvergunning is verleend. Voor deze vaststelling is bepalend de geluidbelasting van de Tunnelweg (wegverkeer) en de spoorlijn Utrecht-’s-Hertogenbosch (spoorwegverkeer) op deze woningen. Dit betekent dat de Afdeling niet toekomt aan een inhoudelijke bespreking van de beroepsgronden die [appellant] en anderen hebben aangevoerd over de ingrijpendheid van het bouwplan op hun woonomgeving en over de korte afstand van de woningen tot het nieuwe appartementencomplex en de reflectie vanwege het appartementencomplex op hun woningen.

2.4. [appellant] en anderen stellen dat in de kennisgeving van het ontwerpbesluit ten onrechte niet is vermeld dat afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: awb) van toepassing is op de procedure.

2.4.1. Ingevolge artikel 3:10, eerste lid, van de Awb is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing op de voorbereiding van besluiten indien dat bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan is bepaald.

Ingevolge artikel 110c, eerste lid, van de Wet geluidhinder is, voor zover van belang, op de voorbereiding van een besluit waarbij hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting worden vastgesteld, de in afdeling 3.4 van de Awb geregelde procedure van toepassing, met dien verstande dat indien burgemeester en wethouders bevoegd zijn de hogere waarde vast te stellen en het besluit ten behoeve van de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan wordt genomen, het ontwerp van het besluit tegelijkertijd met het ontwerp van het bestemmingsplan ter inzage wordt gelegd.

Ingevolge artikel 3:12, eerste lid, van de Awb, voor zover van belang, geeft het bestuursorgaan in een of meer dag-, nieuws-, of huis- aan huisbladen of op een andere geschikte wijze kennis van het ontwerpbesluit, als thans aan de orde, voorafgaand aan de terinzagelegging. Volstaan kan worden met de zakelijke inhoud.

2.4.2. In de informatierubriek van het "Nieuwsblad Geldermalsen" van 4 maart 2010, is onder het kopje "Vrijstelling bestemmingsplan en hogere grenswaarde ten behoeve van oprichting 40 appartementen Tunnelweg 11, Geldermalsen" bekend gemaakt dat het college in verband met de geluidbelasting op de gevel, voornemens is op grond van artikel 110a, eerste lid, van de Wet geluidhinder hogere waarden vast te stellen. Voorts is vermeld dat het ontwerpbesluit, en de daarbij behorende stukken, gedurende zes weken ter inzage liggen en dat gedurende deze termijn zienswijzen omtrent het voorgenomen besluit naar voren kunnen worden gebracht. Hieruit blijkt dat het bestreden besluit met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure wordt voorbereid als bedoeld in afdeling 3.4 van de Awb en dat hiermee is voldaan aan het bepaalde in artikel 110c, eerste lid van de Wet geluidhinder. Dat het college niet expliciet in de kennisgeving heeft verwezen naar afdeling 3.4 van de Awb, maakt, gezien het vorenstaande, niet dat uit de kennisgeving volgt dat de desbetreffende voorbereidingsprocedure niet zou worden toegepast.

De beroepsgrond faalt.

2.5. [appellant] en anderen voeren aan dat de inhoud van het verzoek om hogere waarden als bedoeld in artikel 110a, derde lid, van de wet geluidhinder niet voldoet aan artikel 5.4 van het Besluit geluidhinder.

2.5.1. Ingevolge artikel 110a, eerste lid, van de Wet geluidhinder, zijn burgemeester en wethouders binnen de grenzen van de gemeente bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting.

Ingevolge het derde lid, voor zover van belang, kan de in het eerste lid bedoelde waarde ambtshalve of op verzoek van degenen die daartoe bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, worden vastgesteld.

Ingevolge artikel 5.4, eerste lid, van het Besluit geluidhinder, voor zover van belang, bevat het verzoek om een hogere waarde als bedoeld in artikel 110a, derde lid, van de wet en het ontwerp van een verzoek ten minste de verzochte hogere waarde, de redenen die aan het verzoek ten grondslag liggen, de resultaten van het akoestisch onderzoek en een verklaring dat maatregelen worden getroffen indien de geluidbelasting, vanwege de weg of vanwege de spoorweg, binnen de woning of andere geluidsgevoelige gebouwen bij gesloten ramen meer bedraagt dan de waarde bedoeld in de artikelen 111 en 112 van de Wet geluidhinder.

2.5.2. Artikel 5.4, eerste lid, van het Besluit geluidhinder, heeft slechts betrekking op de situatie dat om hogere waarde als bedoeld in artikel 110a, derde lid, van de Wet geluidhinder wordt verzocht. Dit is hier niet aan de orde, omdat het college ambtshalve op grond van artikel 110a, derde lid, van de Wet geluidhinder hogere grenswaarden heeft vastgesteld. Reeds hierom faalt deze grond.

2.6. De resultaten van het akoestisch onderzoek, dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, zijn weergegeven in het door SAB Arnhem opgestelde rapport "akoestisch onderzoek Woningbouw Tunnelweg 11, Geldermalsen", van 30 november 2009 (hierna: het geluidrapport).

2.7. [appellant] en anderen voeren aan dat de in het geluidrapport gehanteerde wegverkeersgegevens niet representatief zijn. Volgens hen is daarin de autonome groei van het wegverkeer miskend.

2.7.1. Volgens bijlage D van het geluidrapport heeft de gemeente Geldermalsen in 2006 op de Tunnelweg een verkeerstelling uitgevoerd. In het geluidrapport is uitgegaan van de uitkomsten van deze telling voor het basisjaar 2006. Om de verkeersintensiteit van het maatgevend jaar te bepalen is uitgegaan van een autonome groei van 1,5% per jaar. In de in bijlage D opgenomen tabellen zijn de etmaalintensiteiten voor het basisjaar 2006 en voor de autonome groei in het toekomstig jaar 2020 opgenomen. Anders dan [appellant] en anderen betogen, is wel degelijk met de autonome groei rekening gehouden. [appellant] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de in het geluidrapport gebruikte verkeersprognoses geen juist beeld geven van de te verwachten verkeersstromen in het toekomstig jaar 2020.

De beroepsgrond faalt.

2.8. De Afdeling begrijpt het beroep van [appellant] en anderen voorts aldus dat onduidelijk is welke uitgangspunten bij het opstellen van het akoestisch onderzoek en de daarin uitgevoerde berekeningen zijn gehanteerd. Zo is volgens hen de geluidbelasting voor het maatgevende jaar niet inzichtelijk gemaakt en is onduidelijk welke toetspunten zijn gehanteerd.

2.8.1. Ingevolge artikel 74, eerste lid, van de Wet geluidhinder heeft een weg een zone.

Ingevolge artikel 110d, voor zover hier van belang, wordt ten behoeve van de vaststelling van de geluidbelasting vanwege een weg voor het bepalen van het equivalente geluidniveau bij ministeriële regeling aangegeven:

a. op welke wijze en met inachtneming van welke bestaande of te verwachten omstandigheden, de afwisselende niveaus van het ter plaatse optredende geluid worden vastgesteld, en

b. op welke wijze uit de over een bepaalde periode verkregen uitkomsten het in vorengenoemde omschrijving bedoelde gemiddelde wordt afgeleid.

Hieraan is uitvoering gegeven in het Reken en meetvoorschrift geluidhinder 2006 (hierna: het RMV 2006).

Ingevolge artikel 3.2, eerste lid, aanhef en onder a, van het RMV 2006 wordt bij de bepaling van het equivalente geluidniveau vanwege een weg rekening gehouden met de maatgevende verkeersintensiteiten van de onderscheiden categorieën motorvoertuigen.

Onder maatgevende verkeersintensiteit wordt daarbij ingevolge artikel 3.1, eerste lid, van het RMV 2006 verstaan: verkeersintensiteit, zoals die in het voor de geluidbelasting bepalende jaar, gemiddeld over een representatief tijdvak optreedt.

Ingevolge artikel 3.3, eerste lid, wordt het equivalente geluidsniveau bepaald volgens de in hoofdstuk 2 van bijlage III beschreven Standaardrekenmethode II.

Het tweede artikellid bepaalt dat in afwijking van het eerste lid het equivalente geluidniveau kan worden bepaald volgens de in hoofdstuk 1 van bijlage III beschreven Standaardrekenmethode I, indien de desbetreffende situatie binnen het toepassingsgebied van die Standaardrekenmethode valt.

Ingevolge het derde lid kan in afwijking van het eerste en tweede lid het equivalente geluidsniveau tevens worden bepaald volgens de Standaardmeetmethode, bedoeld in hoofdstuk 3 van bijlage III, indien de desbetreffende situatie valt binnen het toepassingsgebied van die Standaardmeetmethode.

2.8.2. In de hoofdstukken 4 en 5 van het geluidrapport is vermeld dat het onderzoek overeenkomstig het RMV 2006 en de daarin voorgeschreven Standaardrekenmethoden I en II is uitgevoerd. In bijlage A van het geluidrapport zijn de toetspunten per waarneemhoogte weergegeven en bijlage I van het geluidrapport bevat een overzichtstekening met de invoergegevens van het model.

In de in bijlage C, D en G van het geluidrapport zijn de uitkomsten van de berekeningen ten gevolge van het spoorwegverkeer, de etmaalintensiteiten voor de groei van het verkeer onderscheidenlijk de uitkomsten van de berekeningen ten gevolge van het wegverkeer voor het maatgevend jaar 2020 weergegeven.

Het betoog van [appellant] en anderen mist in zoverre feitelijke grondslag.

2.9. [appellant] en anderen betogen dat het college ten onrechte een aantal toekomstige ontwikkelingen ten onrechte niet in het geluidrapport heeft betrokken. Zij wijzen op het bestemmingsplan "Stationsgebied-Oost" en voeren aan dat als gevolg van de realisatie daarvan het verkeer op de ontsluitingswegen van dit plangebied - de Genteldijk en de Stationsweg - zodanig zal toenemen dat dit tot negatieve effecten zal leiden op de geluidbelasting in de omgeving van de appartementencomplexen. Voorts wijzen zij op de toekomstige spoorverbreding voor het goederenvervoer van Amsterdam naar de Betuwelijn.

2.10. Ingevolge artikel 74, eerste lid, aanhef en onder a, sub 2˚van de Wet geluidhinder, voor zover van belang, heeft een weg in stedelijk gebied, bestaande uit een of twee rijstroken, een zone van 200 meter.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, geldt het eerste lid niet voor wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km per uur geldt.

Op de Genteldijk en de Stationsweg geldt een toegestane snelheid van 30 km per uur. Uit de systematiek van hoofdstuk VI, in samenhang met hoofdstuk VIIIa van de Wet geluidhinder volgt dat bij het voorbereiden van een besluit tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting op de gevels van woningen geen akoestisch onderzoek behoeft te worden ingesteld indien het een weg betreft als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder b, van de Wet geluidhinder. Gelet hierop bestond geen verplichting tot akoestisch onderzoek naar de gevolgen van het wegverkeer op de Genteldijk en de Stationsweg. Het college heeft derhalve terecht geen akoestisch onderzoek naar de gevolgen van het wegverkeer op die wegen uitgevoerd.

2.10.1. Voorts volgt uit de stukken en het verhandelde ter zitting dat het nog onbekend is hoe de uitbreiding van het spoor met betrekking tot het goederenvervoer zal worden gerealiseerd, omdat besluitvorming daarover nog moet plaatsvinden. Het was volgens het college ten tijde van het nemen van het bestreden besluit derhalve niet mogelijk om te bepalen wat de akoestische effecten daarvan zullen zijn. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college dit standpunt niet op goede gronden heeft kunnen innemen.

2.10.2. In aanmerking genomen de in het geluidrapport gehanteerde uitgangspunten hebben [appellant] en anderen met hetgeen zij hebben aangevoerd, niet aannemelijk gemaakt dat het geluidrapport geen goed beeld geeft van de te verwachten geluidbelasting op de te realiseren appartementencomplexen. Geen aanleiding bestaat dan ook voor het oordeel dat het college niet heeft mogen uitgaan van de deugdelijkheid van het geluidrapport.

De beroepsgrond faalt.

2.11. [appellant] en anderen betogen verder nog dat ten onrechte geen gemeentelijk ontheffingsbeleid geldt.

2.11.1. Voor het vaststellen van hogere waarden, zoals hier aan de orde, is de Wet geluidhinder het toetsingskader. Hetgeen [appellant] en anderen betogen over het ontbreken van een gemeentelijk ontheffingsbeleid, geeft geen grond voor het oordeel dat niet moest worden getoetst aan de Wet geluidhinder.

Reeds hierom faalt deze beroepsgrond.

2.12. [appellant] en anderen voeren aan dat het bestreden besluit ten onrechte in onvoldoende maatregelen voorziet om de geluidbelasting op de gevel van de appartementencomplexen te beperken en evenmin in maatregelen voorziet om aan de wettelijk vereiste binnenwaarden te kunnen voldoen.

2.12.1. Ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Wet geluidhinder is, behoudens het in de artikelen 83, 100 en 100a bepaalde, de voor woningen binnen een zone ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van de gevel, vanwege de weg, 48 dB

Ingevolge artikel 83, eerste lid, kan voor de ter plaatse ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting als bedoeld in artikel 82, eerste lid, een hogere dan de in dat artikel genoemde waarde worden vastgesteld, met dien verstande dat deze waarde, buiten de in de volgende leden bedoelde gevallen, voor woningen in buitenstedelijk gebied 53 dB en voor woningen in stedelijk gebied 58 dB niet te boven mag gaan.

Ingevolge artikel 83, tweede lid, kan bij toepassing van het eerste lid met betrekking tot in stedelijk gebied nog te bouwen woningen die nog niet zijn geprojecteerd, voor de aanwezige of te verwachten geluidsbelasting vanwege een aanwezige weg een hogere dan de in dat lid genoemde waarde worden vastgesteld, met dien verstande dat deze waarde 63 dB niet te boven mag gaan.

Ingevolge artikel 83, tweede lid, kan bij toepassing van het eerste lid met betrekking tot in stedelijk gebied nog te bouwen woningen die nog niet zijn geprojecteerd, voor de aanwezige of te verwachten geluidsbelasting vanwege een aanwezige weg een hogere dan de in dat lid genoemde waarde worden vastgesteld, met dien verstande dat deze waarde 63 dB niet te boven mag gaan.

2.12.2. Uit artikel 4.9, eerste lid, van het Besluit geluidhinder volgt dat, behoudens artikel 4.10, de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting, vanwege een spoorweg, ingeval van aanleg van deze spoorweg of nog niet geprojecteerde woningen, van de gevel van woningen binnen de zone van die spoorweg 55 dB is.

Uit artikel 4.10 van het Besluit geluidhinder volgt dat voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege een spoorweg, van de gevel van woningen een hogere dan de in artikel 4.9, eerste lid, genoemde waarde kan worden vastgesteld, met dien verstande dat deze waarde 68 dB niet te boven mag gaan.

2.12.3. Ingevolge artikel 110a, vijfde lid, van de Wet geluidhinder, voor zover hier van belang, kan het college slechts toepassing geven aan de in het eerste lid van dit artikel toegekende bevoegdheid tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting indien toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de geluidsbelasting vanwege de weg van de gevel van de betrokken woning tot de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting onvoldoende doeltreffend zal zijn dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard.

2.12.4. Naar aanleiding van de naar voren gebrachte zienswijzen heeft het college opnieuw onderzoek verricht naar het toepassen van maatregelen. Uit dat onderzoek volgt dat het aanbrengen van stil asfalt over een lengte van 275 meter doelmatig is. Door het toepassen van deze maatregel zal volgens het college de geluidbelasting vanwege wegverkeer op de Tunnelweg op de gevels van de appartementencomplexen met 5 dB afnemen. Andere maatregelen, waaronder overdrachtsmaatregelen, zijn volgens het college om redenen van stedenbouwkundige aard niet mogelijk in verband met de ligging van de geprojecteerde appartementencomplexen ten opzichte van bestaande bebouwing en wegen. Het college wijst er verder op dat de appartementen zullen worden uitgevoerd met een geluidwerende gevel en wijst daartoe op het bouwkundig akoestisch onderzoek van 27 augustus 2010, uitgevoerd door DGMR in opdracht van exploitatiemaatschapppij HEBO 3 B.V.

2.12.5. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de afweging omtrent de toe te passen maatregelen op onjuiste wijze heeft plaatsgevonden. Het college heeft zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bestreden besluit voldoende in maatregelen voorziet om de geluidbelasting op de gevels van de appartementencomplexen te beperken.

2.12.6. Voor zover [appellant] en anderen bedoelen dat bij het bestreden besluit had moeten worden betrokken welke maatregelen worden getroffen teneinde te waarborgen dat de geluidbelasting binnen de woning vanwege de desbetreffende weg niet meer dan 33 dB en vanwege de spoorweg niet meer dan 43 dB bedraagt, overweegt de Afdeling dat uit de systematiek van de Wet geluidhinder volgt dat eerst na vaststelling van hogere waarden behoeft te worden bepaald of gevelisolerende maatregelen moeten worden getroffen. Of in dit geval een verplichting bestaat tot het treffen van maatregelen aan de gevel, wordt geregeld in artikel 111, tweede lid, van de Wet geluidhinder. De vraag of deze verplichting bestaat, staat los van de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit en kan om die reden in deze beroepsprocedure niet aan de orde komen.

De beroepsgronden falen.

2.13. Het beroep is ongegrond.

2.14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Drouen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2012

375-632.