Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW7613

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-06-2012
Datum publicatie
06-06-2012
Zaaknummer
201111036/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek van appellant om schadevergoeding.

Appellant heeft verzocht om vergoeding van waardevermindering van zijn woning doordat de rijksweg A12 ongeveer 2.75 m dichter bij zijn woning is komen te liggen als gevolg van een door de minister op grond van de Spoedwet Wegverbreding genomen wegaanpassingsbesluit van 2 december 2005, alsmede van schade door van de werkzaamheden ter plaatse ondervonden overlast.

Bij uitspraak van 31 maart 2010 in zaaknr. 200909051/1/H2, LJN: BL9576, heeft de Afdeling overwogen dat een verzoek om nadeelcompensatie op grond van de Regeling, gelet op de aard van het wegaanpassingsbesluit en ingevolge art. 11, lid 8 van de Spoedwet wegverbreding, zoals dat toen gold, voor zover het wegaanpassingsbesluit en het bestemmingsplan niet met elkaar in overeenstemming zijn, onder het bereik van art. 49 WRO valt en kan worden getoetst aan de criteria die gelden voor de beoordeling van planschade. Dit ligt anders, aldus de Afdeling bij die uitspraak, in die gevallen waarin de gestelde schade niet of niet uitsluitend kan worden aangemerkt als een rechtstreeks gevolg van het wegaanpassingsbesluit, maar wel van daaruit voortvloeiende besluiten of uitvoeringshandelingen als bedoeld in art. 2 van de Regeling. In die gevallen dient het verzoek om schadevergoeding mede te worden aangemerkt als een verzoek om nadeelcompensatie.

Het voorgaande is onder de werking van het huidige art. 11, lid 8 van de Spoedwet wegverbreding en de artt. 3.29 en 3.42 van de Wro, niet anders. De minister heeft het verzoek van appellant, voor zover de gestelde schade kan worden aangemerkt als een rechtstreeks gevolg van het wegaanpassingsbesluit, terecht gekwalificeerd als een verzoek om vergoeding van planschade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201111036/1/A2.

Datum uitspraak: 6 juni 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te De Klomp, gemeente Ede,

tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Arnhem van 23 september 2011 en de uitspraak van8 september 2011 in zaak nr. 10/4667 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Infrastructuur en Milieu.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2010 heeft de minister van Verkeer en Waterstaat een verzoek van [appellant] om schadevergoeding afgewezen.

Bij besluit van 2 december 2010 heeft de minister van Infrastructuur en Milieu, als opvolger van de minister van Verkeer en Waterstaat, (hierna: de minister) het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij tussenuitspraak van 23 juni 2011, verzonden op dezelfde dag (hierna: de tussenuitspraak) heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na de datum van verzending van die uitspraak het besluit van 2 december 2010 op een onderdeel nader te motiveren. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij brief van 29 juli 2011 aan de rechtbank heeft het college het besluit van een nadere motivering voorzien.

Bij brief van 10 augustus 2011 aan de rechtbank heeft [appellant] daarop gereageerd.

Bij uitspraak van 8 september 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] tegen het besluit van 2 december 2010 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen voormelde uitspraken heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 oktober 2011, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 april 2012, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. H.S. Steen-Klok en N.B. Elsinghorst, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] is eigenaar van de woning [locatie] te De Klomp en heeft verzocht om vergoeding van waardevermindering van zijn woning doordat de rijksweg A12 ongeveer 2.75 m dichter bij zijn woning is komen te liggen als gevolg van een door de minister op grond van de Spoedwet Wegverbreding genomen wegaanpassingsbesluit van 2 december 2005, alsmede van schade door van de werkzaamheden ter plaatse ondervonden overlast. Het wegaanpassingsbesluit voorziet in de aanleg van plus- en weefstroken op en langs het gedeelte van de rijksweg A12 tussen Veenendaal en Ede.

In artikel 9 van dit besluit is de Regeling Nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat 1999 (hierna: de Regeling) op het besluit van toepassing verklaard.

De minister heeft het verzoek om schadevergoeding onder verwijzing naar het advies van de adviescommissie, als bedoeld in artikel 15 van de Regeling, van 31 mei 2010 (hierna: de adviescommissie), afgewezen.

2.2. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Regeling kent de minister aan degene die schade lijdt of zal lijden als gevolg van de rechtmatige uitoefening door of namens de minister van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid of taak op verzoek een vergoeding toe, voor zover de schade redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en voor zover de vergoeding niet of niet voldoende anderszins is verzekerd.

Ingevolge artikel 11, achtste lid, van de Spoedwet Wegverbreding geldt dat voor zover het wegaanpassingsbesluit en het bestemmingsplan of de beheersverordening niet met elkaar in overeenstemming zijn, het besluit voor de uitvoering daarvan als projectbesluit als bedoeld in artikel 3.29, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening, onderscheidenlijk als besluit als bedoeld in artikel 3.42, eerste lid, van die wet.

2.3. Bij uitspraak van 31 maart 2010 in zaaknr. 200909051/1/H2 heeft de Afdeling - samengevat weergegeven - overwogen dat een verzoek om nadeelcompensatie op grond van de Regeling, gelet op de aard van het wegaanpassingsbesluit en ingevolge artikel 11, achtste lid, van de Spoedwet wegverbreding, zoals dat toen gold, voor zover het wegaanpassingsbesluit en het bestemmingsplan niet met elkaar in overeenstemming zijn, onder het bereik van artikel 49 Wet op de Ruimtelijke Ordening valt en kan worden getoetst aan de criteria die gelden voor de beoordeling van planschade. Dit ligt anders, aldus de Afdeling bij die uitspraak, in die gevallen waarin de gestelde schade niet of niet uitsluitend kan worden aangemerkt als een rechtstreeks gevolg van het wegaanpassingsbesluit, maar wel van daaruit voortvloeiende besluiten of uitvoeringshandelingen als bedoeld in artikel 2 van de Regeling. In die gevallen dient het verzoek om schadevergoeding mede te worden aangemerkt als een verzoek om nadeelcompensatie.

Het voorgaande is onder de werking van het huidige artikel 11, achtste lid, van de Spoedwet wegverbreding en de artikelen 3.29 en 3.42 van de Wet ruimtelijke ordening, niet anders. De rechtbank heeft terecht vooropgesteld dat de minister het verzoek van [appellant], voor zover de gestelde schade kan worden aangemerkt als een rechtstreeks gevolg van het wegaanpassingsbesluit, terecht heeft gekwalificeerd als een verzoek om vergoeding van planschade.

2.4. Tezamen met de wegverbreding is een aantal bouwwerken op gericht. Ter hoogte van de woning van [appellant] zijn geluidsschermen aangebracht alsmede een DRIP (dynamische route-informatie paneel) en een portaal met matrixborden. Ten oosten van de woning is het viaduct, waarmee de Maandertbuurtweg over de rijksweg wordt gevoerd, vervangen. Ten westen van de woning is een verkeersbord opgericht voor de afslag Veenendaal-Oost.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank er bij de tussenuitspraak aan voorbij is gegaan dat hij in zijn beroepschrift had aangevoerd dat de oprichting van de bouwwerken nodig was omdat de wegverbreding niet in overeenstemming is met Europese richtlijnen. Zijns inziens is met die bouwwerken een geheel andere situatie ontstaan.

2.5.1. Het betoog van [appellant] gaat eraan voorbij dat in deze procedure niet het wegaanpassingsbesluit als zodanig aan de orde is maar de beweerdelijk daaruit voorvloeiende planschade. De minister heeft daartoe terecht onderzocht of het wegaanpassingsbesluit voor [appellant] een planologische verslechtering inhoudt. Van de voor de wegverbreding benodigde bouwwerken is gebleken dat die op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan al konden worden opgericht, zodat het wegaanpassingsbesluit in dat opzicht geen planologisch verslechterde situatie mee heeft gebracht. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de planologische vergelijking die aan de besluitvorming ten grondslag is gelegd, niet juist is. Dat voor [appellant] feitelijk een geheel andere situatie is ontstaan, maakt het voorgaande niet anders. De rechtbank is terecht tot de slotsom gekomen dat de minister zich ter zake van de bouwwerken terecht op het standpunt heeft gesteld dat deze niet tot planschade hebben geleid. Het betoog faalt.

2.6. Bij de tussenuitspraak heeft de rechtbank naar aanleiding van twee door [appellant] in beroep overgelegde tabellen, overwogen dat de minister niet heeft kunnen verklaren dat uit het door de minister gevolgde akoestisch onderzoek van Ingenieursbureau DHV naar voren komt dat de geluidsbelasting op de woning van [appellant] door de wegaanpassing op de begane grond en op de eerste verdieping is afgenomen van respectievelijk 61,90 dB(A) naar 59,42 dB(A) en 63,63 dB(A) naar 61,19 dB(A) en de woning als saneringswoning is aangemerkt, terwijl uit een ander onderzoek van dat bureau blijkt dat de geluidsbelasting in 1986 is vastgesteld op 47 dB(A) en 49 dB(A) en dat de woning niet als saneringswoning is aangemerkt.

Bij brief van 29 juli 2011 heeft de minister zijn besluit van 2 december 2010 aan de hand van een aanvullend advies van de adviescommissie van 18 juli 2011 nader gemotiveerd. Blijkens dit advies en de toelichting daarop in de brief van 29 juli 2011 zijn de twee tabellen afkomstig uit het akoestische onderzoek ten behoeve van het wegaanpassingsbesluit, waarbij de ene ziet op het geluid afkomstig van de rijksweg A12 en de andere op het geluid afkomstig van de Maanderbuurtweg, welke weg vanwege de aanpassing van de A12 ook aanpassing behoeft en daarom deel uitmaakt van het wegaanpassingsbesluit zodat dat ook vanwege de geluidsbelasting van die weg diende te worden onderzocht of de woning van [appellant] een saneringssituatie betrof.

Bij de einduitspraak is de rechtbank tot de slotsom gekomen dat minister met zijn nadere motivering een afdoende verklaring heeft gegeven voor de verschillende resultaten in het akoestisch onderzoek.

2.7. [appellant] betoogt dat de rechtbank bij de tussenuitspraak het aan het besluit op bezwaar van 2 december 2010 klevende gebrek ten onrechte heeft beperkt tot twee tabellen afkomstig van DHV. Zijns inziens heeft de rechtbank daarmee miskend dat de minister ten onrechte een onderzoek van Oranjewoud over de geluidsbelasting van zijn woning buiten beschouwing heeft gelaten. Verder heeft de rechtbank volgens hem miskend dat de geluidsbelasting van de A12 en van de Maanderbuurtweg niet los van elkaar kunnen worden gezien. De rechtbank heeft in de nadere aanvulling van het besluit op bezwaar, waarin die punten niet zijn meegenomen, dan ook, aldus [appellant], bij de einduitspraak ten onrechte aanleiding gezien om - na vernietiging van het besluit op bezwaar van 2 december 2010 - de rechtsgevolgen van dat besluit in stand te laten.

2.7.1. Oranjewoud heeft geluidonderzoek gedaan naar de binnenwaarde van onder meer de woning van [appellant]. Dit hield verband met het aanbrengen van gevelisolatie. Dit onderzoek is gedaan onder de verantwoordelijkheid van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede en heeft geleid tot afwijzing door dat college van het verzoek van [appellant] om gevelisolatie. Dat onderzoek diende niet ter onderbouwing van het door de minister genomen wegaanpassingsbesluit en is - anders dan [appellant] heeft aangevoerd - terecht bij de behandeling van het aan de orde zijnde verzoek om planschadevergoeding buiten beschouwing gelaten.

De in het onderzoeksrapport van DHV opgenomen tabellen met de aan de gevel van de woning van [appellant] berekende geluidswaarden vanwege de A12 en de Maanderbuurtweg, zijn daarin opgenomen teneinde te kunnen vaststellen of sprake was van saneringssituaties in de zin van de Wet geluidhinder die zouden nopen tot het treffen van voorzieningen. Dat bleek voor de A12 wel en voor de Maanderbuurtweg niet het geval. Voorts is uit dat onderzoek naar voren gekomen dat met het oprichten van een geluidsscherm langs de A12 de geluidsbelasting aan de woning van [appellant] zou afnemen. Gelet hierop heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de geluidsbelasting aan de woning van [appellant] door het wegaanpassingsbesluit niet is verslechterd, zodat daaruit geen schade voortvloeit. Dat de minister daarbij op ongeoorloofde wijze onderscheid heeft gemaakt tussen het geluid afkomstig van de A12 en de Maanderbuurtweg kan - anders dan [appellant] kennelijk van mening is - niet staande worden gehouden. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het laten verrichten van nieuwe geluidsmetingen of taxaties als waarom [appellant] in hoger beroep heeft verzocht.

Het betoog faalt.

2.8. In hetgeen [appellant] verder heeft aangevoerd, te weten dat de minister in deze procedure een onwrikbare houding heeft aangenomen en niet inhoudelijk op zijn argumenten is ingegaan en dat de adviescommissie en de minister met door hem gesignaleerde fouten en onjuistheden nooit iets hebben gedaan, ziet de Afdeling geen grond voor vernietiging van de aangevallen uitspraken. De minister heeft zijn aangevulde besluit op bezwaar voldoende gemotiveerd en heeft in verweer gereageerd op hetgeen [appellant] in beroep heeft aangevoerd. Daarbij is niet op alle argumenten uitdrukkelijk ingegaan, maar dat maakt niet dat de rechtbank niet kon besluiten de rechtsgevolgen van het besluit op bezwaar geheel in stand te laten. Zulks houdt verband met het feit dat veel argumenten betrekking hebben op het achterwege blijven van isolatie van de woning van [appellant], welke voorziening in deze procedure niet aan de orde is. Dat geldt evenzeer voor wat [appellant] heeft aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank dat niet is gebleken dat de leden van de adviescommissie hun taken met vooringenomenheid hebben verricht. De verwijten die [appellant] de commissieleden in zijn hogerberoepschrift maakt, hebben betrekking op het onderzoek van Oranjewoud naar die isolatiemogelijkheden, welk onderzoek, zoals hiervoor al is overwogen, in deze procedure geen rol kan spelen.

2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraken dienen te worden bevestigd.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraken.

Aldus vastgesteld door mr. T.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. A. Hammerstein, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Van Meurs-Heuvel

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2012

47-710.