Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW7604

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-06-2012
Datum publicatie
06-06-2012
Zaaknummer
201104165/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 maart 2009 heeft de korpsbeheerder een verzoek van [appellant] om openbaarmaking van alle documenten die betrekking hebben op een demonstratie op 31 december 2007 bij het detentieplatform Zaandam aan de Rijshoutweg 14-16 te Zaandam afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201104165/1/A3.

Datum uitspraak: 6 juni 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 8 maart 2011 in zaak nr. 09-5941 in het geding tussen:

[appellant]

en

de korpsbeheerder van de politieregio Zaanstreek-Waterland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 maart 2009 heeft de korpsbeheerder een verzoek van [appellant] om openbaarmaking van alle documenten die betrekking hebben op een demonstratie op 31 december 2007 bij het detentieplatform Zaandam aan de Rijshoutweg 14-16 te Zaandam afgewezen.

Bij besluit van 29 oktober 2009 heeft de korpsbeheerder het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 maart 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd doch bepaald dat de rechtsgevolgen ervan in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 april 2011, hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 21 april 2011 heeft [appellant] toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 februari 2012, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. H. van Drunen, werkzaam bij Juridisch Adviesbureau Maury te Utrecht, en de korpsbeheerder, vertegenwoordigd door mr. A.M. Vinjé, werkzaam bij de politieregio Zaanstreek- Waterland, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 10, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) heeft een ieder recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. De bepaling belet Staten niet radio-omroep, bioscoop- of televisieondernemingen aan een systeem van vergunningen te onderwerpen.

Ingevolge het tweede lid kan de uitoefening van deze vrijheden, daar zij plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en stafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder document verstaan: een bij een bestuursorgaan berustend schriftelijk stuk of ander materiaal dat gegevens bevat.

Ingevolge artikel 3, vijfde lid, wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, voor zover thans van belang, blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege, voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

c. de opsporing en vervolging van strafbare feiten;

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen, dan wel van derden.

Ingevolge artikel 365, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) verstrekt de voorzitter desgevraagd een afschrift van het vonnis en het proces-verbaal der terechtzitting aan ieder ander dan de verdachte of zijn raadsman, tenzij verstrekking naar het oordeel van de voorzitter ter bescherming van de belangen van degene, ten aanzien van wie het vonnis is gewezen of van de derden die in het vonnis of in het proces-verbaal worden genoemd, geheel of gedeeltelijk dient te worden geweigerd. In het laatste geval kan de voorzitter een geanonimiseerd afschrift of een uittreksel van het vonnis en het proces-verbaal verstrekken.

Ingevolge het vijfde lid zijn onder het vonnis begrepen de stukken die aan de uitspraak zijn gehecht. Van andere tot het strafdossier behorende stukken wordt geen afschrift of uittreksel verstrekt.

2.2. De rechtbank heeft overwogen dat de korpsbeheerder ten onrechte artikel 365 Sv aan de weigering ten grondslag heeft gelegd, omdat de documenten ten tijde van het besluit van 29 oktober 2009 niet aan de strafrechter waren voorgelegd. Voorts bevatten de documenten niet uitsluitend politiegegevens en mocht de korpsbeheerder volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling openbaarmaking ervan derhalve niet met toepassing van de Wet politiegegevens geheel weigeren. Het standpunt van de korpsbeheerder dat de uitzonderingsgronden, als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, e en g, van de Wob, aan openbaarmaking van de informatie in de weg staan, heeft de rechtbank ook onjuist geacht. Omdat de informatie, om openbaarmaking waarvan [appellant] heeft verzocht, thans echter onderdeel uitmaakt van een strafdossier, waarop artikel 365 Sv van toepassing is, heeft zij de rechtsgevolgen van het door haar vernietigde besluit in stand gelaten.

2.3. [appellant] heeft betoogd dat de rechtbank aldus heeft miskend dat de gevraagde informatie geen deel uitmaakte van strafdossiers en dat de Wob op documenten uit strafdossiers van toepassing blijft, voor zover het het geven van persvoorlichting over een strafzaak en van andere opsporingsberichtgeving betreft. De rechtbank heeft voorts ten onrechte artikel 10 van het EVRM niet toepasselijk geacht, nu de organisatie, waarvoor hij werkzaam is een maatschappelijke organisatie is, aldus [appellant].

2.4. Gemaakt bezwaar moet in beginsel worden beoordeeld met toepassing van het recht, zoals dat geldt, en de feiten en omstandigheden, zoals die zich voordoen op het tijdstip, waarop dat gebeurt. Daarbij wordt het genomen besluit volledig heroverwogen en niet louter op rechtmatigheid getoetst (Kamerstukken II, 1988-1989, 21 221, nr. 3, blz. 153). De rechtbank is terecht in dit geval niet van dit uitgangspunt afgeweken. Anders dan [appellant] betoogt, kan dit geval niet gelijk worden gesteld met dat, waarin is verzocht om openbaarmaking van kandidatenlijsten, op welk verzoek het bijzondere van de Wob afwijkende openbaarmakingregime van de Kieswet van toepassing is.

2.5. De documenten waarop het afgewezen verzoek ziet, maken deel uit van een strafdossier. Zoals de korpsbeheerder heeft gesteld en [appellant] niet gemotiveerd heeft bestreden, heeft de strafrechter op 7 juli 2009 een aantal bij de demonstratie betrokken verdachten veroordeeld. Gelet hierop staat thans vast dat de documenten ten tijde van het besluit van 29 oktober 2009 onderdeel uitmaakten van het strafdossier, zoals dat aan de strafrechter is voorgelegd en derhalve ook ten tijde van de aangevallen uitspraak. In zoverre faalt het betoog.

2.5.1. Dat algemene persvoorlichting over een strafzaak, als gesteld, onder het bereik van de Wob valt, betekent niet dat documenten die tot een strafdossier behoren daar ook onder vallen en dus openbaar moeten worden gemaakt als een journalist daarom vraagt, zoals [appellant] heeft betoogd.

Voor zover [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de korpsbeheerder ten onrechte heeft gesteld dat er geen documenten met betrekking tot de persvoorlichting zijn, wordt overwogen dat wanneer een bestuursorgaan na onderzoek stelt dat een document niet onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig is, het in beginsel aan diegene die om informatie verzoekt is om het tegendeel aannemelijk te maken. De stelling van de korpsbeheerder dat hij niet over documenten met betrekking tot de persvoorlichting beschikt, is niet ongeloofwaardig en [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat bepaalde documenten toch onder hem berusten. Ook in zoverre faalt het betoog.

2.5.2. Het betoog van [appellant] dat artikel 10 van het EVRM in dit geval van toepassing is faalt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 19 januari 2011 in zaak nr. 201002672/1/H3), vereist artikel 10 van het EVRM niet dat alle informatie wordt verstrekt of wordt openbaar gemaakt en biedt dat artikel staten die partij zijn bij het verdrag de mogelijkheid bij wet beperkingen te verbinden aan de verplichting om gegevens en documenten te verstrekken of openbaar te maken. Door de regeling in artikel 365 Sv is de beperking van het in artikel 10, eerste lid, van het EVRM vervatte recht om inlichtingen te ontvangen bij de wet voorzien. Voorts is de inbreuk op dat recht noodzakelijk in het belang van het beschermen van de rechten van anderen, te weten de privacy van in het strafdossier genoemde personen. De rechtbank heeft dan ook met juistheid geen grond gevonden voor het oordeel dat de korpsbeheerder artikel 10 van het EVRM heeft geschonden door het verzoek af te wijzen.

2.5.3. Gezien het vorenstaande heeft de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Van Tuyll van Serooskerken

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2012

290.