Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW7602

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-05-2012
Datum publicatie
06-06-2012
Zaaknummer
201007498/3/R2 en 201007499/3/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van 28 oktober 2011, in zaak nrs. 201007498/2/R2 en 201007499/2/R2, heeft de Afdeling na vereenvoudigde behandeling de beroepen van de Waddenvereniging en andere tegen de besluiten van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (thans: de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie) van 21 juni 2010 en het college van gedeputeerde staten van Groningen van 6 juli 2010 gegrond verklaard. De uitspraak is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201007498/3/R2 en 201007499/3/R2.

Datum uitspraak: 30 mei 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het verzet (artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht) van:

Havenschap Delfzijl/Eemshaven, gevestigd te Delfzijl (hierna: Groningen Seaports),

opposante.

1. Procesverloop

Bij uitspraak van 28 oktober 2011, in zaak nrs. 201007498/2/R2 en 201007499/2/R2, heeft de Afdeling na vereenvoudigde behandeling de beroepen van de Waddenvereniging en andere tegen de besluiten van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (thans: de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie) van 21 juni 2010 en het college van gedeputeerde staten van Groningen van 6 juli 2010 gegrond verklaard. De uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Groningen Seaports bij brieven, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op 8 december 2011, verzet gedaan.

De Afdeling heeft het verzet ter zitting behandeld op 23 maart 2012, waar Groningen Seaports, vertegenwoordigd door mr. N.H. van den Biggelaar, advocaat te Amsterdam, [gemachtigden], is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In de uitspraak, waarvan verzet, heeft de Afdeling overwogen dat gelet op de uitspraak van 24 augustus 2011 in zaak nrs. 200900425/1/R2 en 200902744/1/R2, de kolengestookte centrale die RWE Power AG (hierna: RWE) in de Eemshaven beoogt te realiseren en de uitbreiding en de verdieping van de haven als één project voor de beoordeling van de vergunningplicht krachtens de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: de Nbw 1998) dienen te worden aangemerkt. De Afdeling zag in de uitspraak, waarvan verzet, geen aanleiding daarover anders te oordelen. Aangezien de gevolgen van het project in zijn geheel niet zijn bezien, is geoordeeld dat de bestreden besluiten over de uitbreiding en de verdieping van de haven zijn genomen in strijd met artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998.

2.2. Groningen Seaports stelt in verzet dat de haven en de centrale niet als één project dienen te worden beschouwd voor wat betreft de beoordeling van de vergunningplicht op grond van de Nbw 1998. Daartoe voert zij aan dat met de uitbreiding en verdieping van de haven een zelfstandig, dat wil zeggen een grotendeels los van het project van RWE staand doel is gediend. Dit zelfstandige doel heeft betrekking op de verdere ontwikkeling en exploitatie van de Eemshaven, met inbegrip van het beheer en onderhoud daarvan. De vergunde havenuitbreiding en -verdieping en het achterstallig onderhoud vinden plaats in verband met een groot aantal ingezette en voorgenomen ontwikkelingen in de Eemshaven, waaronder niet alleen de nieuwe inrichting van RWE maar ook die van Nuon en VOPAK en de vestiging van bedrijven in de offshore industrie. De aanleg van de Verlengde Wilhelminahaven zou ook plaatsvinden zonder de komst van de centrale van RWE; slechts de Zuidkade wordt door de komst van RWE beïnvloed, aldus Groningen Seaports in haar verzet.

2.3. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht biedt de mogelijkheid uitspraak zonder behandeling ter zitting te doen wanneer het beroep kennelijk gegrond is. Tegen een uitspraak, bedoeld in artikel 8:54, kan verzet worden gedaan. De verzetsmogelijkheid heeft alleen betrekking op de vraag of de Afdeling terecht tot vereenvoudigde behandeling is overgegaan.

Gelet op hetgeen Groningen Seaports in verzet heeft aangevoerd, is de Afdeling van oordeel dat niet zonder een behandeling ter zitting ten gronde kan worden vastgesteld of, gegeven de eerdergenoemde uitspraak van 24 augustus 2011, de vergunde werkzaamheden geheel of gedeeltelijk als een zelfstandig te beoordelen project kunnen worden aangemerkt.

2.4. Het verzet van Groningen Seaports is gegrond, waaruit volgt dat de uitspraak van de Afdeling van 28 oktober 2011 is vervallen. Het onderzoek zal worden voortgezet in de stand waarin het zich bevond.

2.5. De staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en het college van gedeputeerde staten van Groningen dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Naar het oordeel van de Afdeling moet het bedrag dat voor de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand dient te worden vergoed, gelijkelijk over de zaken worden verdeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het verzet gegrond;

II. veroordeelt de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en het college van gedeputeerde staten van Groningen tot vergoeding van bij Havenschap Delfzijl/Eemshaven in verband met de behandeling van het verzet opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, waarvan een bedrag van € 218,50 (zegge: tweehonderdachttien euro en vijftig cent) vergoed dient te worden door de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en een bedrag van € 218,50 (zegge: tweehonderdachttien euro en vijftig cent) vergoed dient te worden door het college van gedeputeerde staten van Groningen.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.E. Konings, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Konings

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2012

612.