Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW7594

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-06-2012
Datum publicatie
06-06-2012
Zaaknummer
201108731/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 mei 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Centrum Nederweert" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201108731/1/R1.

Datum uitspraak: 6 juni 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te Nederweert,

en

de raad van de gemeente Nederweert,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 mei 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Centrum Nederweert" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 augustus 2011, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 8 september 2011.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

[appellanten] hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 april 2012, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. W.L.J. Bijlmakers, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plangebied is gelegen in het centrum van Nederweert. Het plan heeft grotendeels een conserverend karakter. In het plan worden onder meer ontwikkelingen mogelijk gemaakt door middel van wijzigingsbevoegdheden, waaronder ter plaatse van de Burgemeester Hobusstraat (hierna: locatie Wijen).

2.2. [appellanten] richten zich tegen de aanduiding "wro-zone - wijzigingsbevoegdheid 2", die is toegekend aan de locatie Wijen.

2.3. Aan de gronden zijn de bestemmingen "Gemengd (GD)", "Verkeer (V)", "Wonen (W)" en "Maatschappelijk (M)" toegekend. De gronden zijn voorzien van de aanduiding "wro-zone - wijzigingsbevoegdheid 2".

Ingevolge artikel 16, lid 16.2, van de planregels is het college van burgemeester en wethouders bevoegd om ter plaatse van de aanduiding "wro-zone-wijzigingsbevoegdheid 2" de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden te wijzigen ten behoeve van de ontwikkeling van het centrum indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

a. wijziging is uitsluitend mogelijk naar de bestemmingen "Centrum (C)" en/of "Gemengd (GD)", "Maatschappelijk (M)" en/of "Verkeer (V)";

b. de goot- en bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 11 m respectievelijk 15 m;

c. het totaal aantal supermarkten mag niet meer bedragen dan drie;

d. de ontwikkeling mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en moet voorzien in voldoende parkeerplaatsen conform het gemeentelijk beleid;

e. er mag geen sprake zijn van milieuhygiënische of planologische belemmeringen met betrekking tot de aspecten bodem, geluid, archeologie, natuurwaarden en externe veiligheid;

f. de woningbouw dient te passen binnen het gemeentelijke volkshuisvestingsbeleid;

g. de ontwikkeling dient inpasbaar te zijn vanuit stedenbouwkundig ruimtelijk oogpunt;

h. de ontwikkeling dient te voldoen aan het gemeentelijk beleid ten aanzien van duurzaamheid;

i. de economische haalbaarheid dient te zijn gegarandeerd;

j. vooraf wordt advies ingewonnen bij de Erfgoedcommissie Nederweert.

2.4. [appellanten] voeren aan dat de invulling van het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft ten onrechte wordt overgelaten aan het college van burgemeester en wethouders.

2.4.1. Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders met inachtneming van de bij het plan te geven regels het plan kan wijzigen binnen de bij het plan te bepalen grenzen. Gelet hierop heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat de wijzigingsbevoegdheid aan het college van burgemeester en wethouders toekomt.

2.5. [appellanten] betogen dat artikel 16, lid 16.2, van de planregels onvoldoende objectief begrensd is.

2.5.1. Mede gelet op de rechtszekerheid van belanghebbenden dient in een wijzigingsbevoegdheid in voldoende mate te worden bepaald in welke gevallen en op welke wijze hiervan gebruik mag worden gemaakt. Een wijzigingsbevoegdheid dient derhalve door voldoende objectieve normen te worden begrensd. De vraag of een wijzigingsbevoegdheid door voldoende objectieve normen wordt begrensd, hangt af van de omstandigheden van het geval. Hierbij kan onder meer belang worden gehecht aan de aard van de wijziging, de omvang van het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid ziet en de aanleiding voor het opnemen van de wijzigingsbevoegdheid. Onder omstandigheden kan voldoende zijn dat duidelijk is welke bij het plan gelegde bestemming in welke andere bestemming kan worden gewijzigd.

2.5.2. In artikel 16, lid 16.2, van de planregels is aangegeven welke bij het plan gelegde bestemming in welke andere bestemming kan worden gewijzigd. Deze bestemmingen zijn opgenomen in de artikelen 3, 4, 5 en 6 van de planregels. Voorts is aangegeven welke maximumgoot- en bouwhoogte geldt. Daarnaast zijn voorwaarden gesteld met betrekking tot de verkeersafwikkeling, milieuhygiënische en planologische belemmeringen, het volkshuisvestingsbeleid, het stedenbouwkundig ruimtelijk aspect, de duurzaamheid, de economische haalbaarheid en het advies van de Erfgoedcommissie Nederweert. Gezien het vorenstaande en in aanmerking genomen dat de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft op een beperkt deel van het centrum van Nederweert is de Afdeling van oordeel dat in dit geval voldoende objectief is begrensd in welke gevallen en onder welke omstandigheden gebruik kan worden gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid.

2.6. [appellanten] voeren aan dat de wijzigingsbevoegdheid een toename van de bouwmassa en bouwhoogte mogelijk maakt in het gehele gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid ziet, als gevolg waarvan volgens hen de waardevolle bebouwing aan de Kerkstraat zal worden aangetast. In de planregeling had de toename van het bouwvolume beperkt moeten worden tot bepaalde delen van het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid ziet, aldus [appellanten].

2.6.1. De raad stelt dat bouwplannen moeten voldoen aan redelijke eisen van welstand. In de "Welstandsnota Gemeente Nederweert 2006" (hierna: de welstandsnota) is het overgrote deel van de Kerkstraat aangemerkt als zeer gevoelig en beschermd gebied en gelden daarvoor de zwaarste welstandscriteria. Het deel van de Kerkstraat waarop de wijzigingsbevoegdheid van toepassing is, heeft welstandsniveau 2. Hiervoor gelden de op één na zwaarste welstandscriteria. Ook is in de planregeling opgenomen dat verplicht advies van de Erfgoedcommissie Nederweert moet worden ingewonnen, aldus de raad.

2.6.2. In het masterplan "Nederweert Budschop", vastgesteld door de raad op 21 juli 2009 (hierna: het masterplan), staat dat de Kerkstraat als historisch lint een hoge cultuurhistorische waarde heeft. In de welstandsnota is de Kerkstraat aangemerkt als historisch lint met een concentratie van historisch waardevolle panden. In de welstandsnota staat dat de panden aan de Kerkstraat 29-31 en Kerkstraat 56 rijksmonumenten zijn en de panden aan de Kerkstraat 38, 56, 63 en 64 als gemeentelijke monumenten zijn aangemerkt.

2.6.3. Met het bestaan van de wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan mag de aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemming binnen het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft in beginsel als een gegeven worden beschouwd, indien is voldaan aan de bij het bestemmingsplan gestelde wijzigingsvoorwaarden. Het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft, omvat grotendeels de ten westen van de Kerkstraat gelegen Burgemeester Hobusstraat, alsmede de kruisingen waar de Burgemeester Hobusstraat uitkomt op de Kerkstraat. Derhalve ziet de wijzigingsbevoegdheid slechts op een klein deel van de Kerkstraat. Voor dit deel van de Kerkstraat geldt het op één na hoogste welstandsniveau waarvoor de welstandsnota als uitgangspunt hanteert dat de samenhang tussen de bebouwing gehandhaafd dient te blijven. De in de welstandsnota aangegeven rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten maken geen deel uit van het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid ziet.

In hetgeen [appellanten] betogen met de betrekking tot de gevolgen van de ontwikkelingen in het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de cultuurhistorisch waardevolle bebouwing van de Kerkstraat door de uitoefening van de wijzigingsbevoegdheid niet zal worden aangetast. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat het door raad in het kader van de welstandsnota gevoerde beleid, alsmede de aan de wijzigingsbevoegdheid verbonden voorwaarden, inpasbaar dienen te zijn vanuit stedenbouwkundig ruimtelijk oogpunt en dat vooraf advies wordt ingewonnen bij de Erfgoedcommissie.

2.7. Voor zover [appellanten] betogen dat de ontwikkelaar niet is gericht op het leveren van kwaliteit en alleen een financieel belang heeft, overweegt de Afdeling dat [appellanten] hun stelling - wat daarvan verder ook zij - niet hebben onderbouwd. Het betoog faalt.

2.8. Voorts betogen [appellanten] dat een wijzigingsbevoegdheid in een plan alleen mag worden opgenomen indien de verwachting bestaat dat binnen de planperiode van die bevoegdheid gebruik wordt gemaakt. Gezien de ontwikkelingen op de onroerend goedmarkt is de wijzigingsbevoegdheid volgens hen niet uitvoerbaar.

2.8.1. Ingevolge artikel 3.1, eerste lid, van de Wro stelt de gemeenteraad voor het gehele grondgebied van de gemeente een of meer bestemmingsplannen vast, waarbij ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening de bestemming van de in het plan begrepen grond wordt aangewezen en met het oog op die bestemming regels worden gegeven.

Ingevolge het tweede lid wordt de bestemming van gronden, met inbegrip van de met het oog daarop gestelde regels, binnen een periode van tien jaar, gerekend vanaf de datum van vaststelling van het bestemmingsplan, telkens opnieuw vastgesteld.

Ingevolge het derde lid kan de gemeenteraad, telkens indien hij van oordeel is dat de in het bestemmingsplan aangewezen bestemmingen en de met het oog daarop gegeven regels in overeenstemming zijn met een goede ruimtelijke ordening, in afwijking van het tweede lid, besluiten tot verlenging van de periode van tien jaar, genoemd in dat lid, met tien jaar.

Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders met inachtneming van de bij het plan te geven regels binnen bij het plan te bepalen grenzen het plan kan wijzigen.

2.8.2. De raad geeft aan dat de wijzigingsbevoegdheid voortvloeit uit beleid dat sinds 2005 is ontwikkeld. Dat heeft geleid tot de structuurvisie "Centrum Nederweert-Budschop", vastgesteld door de raad op 20 juli 2010 (hierna: de structuurvisie). De structuurvisie vermeldt onder meer dat wordt ingezet op het bevorderen van wonen in het dorpshart van Nederweert. Door aantrekkelijke woningen te realiseren dient een aantrekkelijk woonmilieu gecreëerd te worden. De belangrijkste doelgroepen voor het dorpshart zijn senioren, alleenstaanden en kleine huishoudens. Wat betreft de behoefte aan woningen is de raad uitgegaan van externe prognoses waaruit blijkt dat het aantal huishoudens in de gemeente Nederweert zal toenemen.

Voorts is volgens de structuurvisie voor het centrumgebied van Nederweert een verdere versterking van het winkelgebied vereist. De raad is voornemens een hogere dichtheid van detailhandelsvoorzieningen te realiseren door het gebied waar nu onder meer het voormalige woonwarenhuis Wijen staat en de directe omgeving ervan aan te pakken, waardoor een kernwinkelgebied ontstaat tussen het nieuwe winkelcentrum op de locatie Wijen, die goed aangetakt is op de Kerkstraat, en de bestaande winkels aan de Lambertushof. Volgens de raad voorziet de wijzigingsbevoegdheid aldus in de mogelijkheid om winkels van buiten het kernwinkelgebied te verplaatsen naar het centrum. Er zijn geen aanwijzingen dat de behoefte hieraan wordt beperkt door de ontwikkelingen in de vastgoed- en retailmarkt, aldus de raad.

2.8.3. De Afdeling overweegt dat de planperiode onder de Wro tien jaar bedraagt, zoals is neergelegd in het tweede lid van artikel 3.1. Het is in beginsel niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening om in een bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid op te nemen die bestemmingen mogelijk maakt die pas na afloop van de planperiode van tien jaar zullen worden verwezenlijkt.

De raad heeft ter zitting toegelicht dat de behoefte aan herontwikkeling van het centrum ten behoeve van de in rechtsoverweging 2.8.2 vermelde ontwikkelingen reëel is. Daarbij is erop gewezen dat langdurig overleg met ontwikkelaars en ondernemers heeft plaatsgevonden en dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat de behoefte niet meer bestaat. In hetgeen [appellanten] betogen ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan uitvoerbaar is. Hierbij is in aanmerking genomen dat de door [appellanten] in een nader stuk genoemde omstandigheden dat de gemeente de relatie met de projectontwikkelaar heeft beëindigd en dat het voornemen bestaat voor de centrumontwikkeling uit te gaan van een vraaggestuurde aanpak, dateren van na het bestreden besluit en niet voorzienbaar waren, nog daargelaten of daaruit de door [appellanten] genoemde conclusies kunnen worden getrokken.

2.9. In hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, wat betreft de gronden ter plaatse van de locatie Wijen, voorzien van de aanduiding "wro-zone - wijzigingsbevoegdheid 2", strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Melse

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2012

191-668.