Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW7576

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-06-2012
Datum publicatie
06-06-2012
Zaaknummer
201109108/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 augustus 2009 heeft het college aan [vergunninghouder] ontheffing en bouwvergunning verleend voor het bouwen van een bedrijfshal met kantoor en kantine (hierna: het bouwplan) op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201109108/1/A1.

Datum uitspraak: 6 juni 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Landerd,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 7 juli 2011 in zaken nrs. 10/968 en 10/2441 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Landerd.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 augustus 2009 heeft het college aan [vergunninghouder] ontheffing en bouwvergunning verleend voor het bouwen van een bedrijfshal met kantoor en kantine (hierna: het bouwplan) op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 8 februari 2010 heeft het college, voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en dit besluit in stand gelaten, onder aanvulling van de motivering daarvan.

Bij besluit van 12 mei 2009 heeft het college aan [vergunninghouder] aanlegvergunning verleend voor een reeds gerealiseerde oppervlakteverharding op het perceel, overeenkomstig de bij dit besluit gevoegde tekeningen en onder de daarin genoemde voorwaarden.

Bij besluit van 16 juni 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en dit besluit in stand gelaten, onder aanvulling van de motivering daarvan.

Bij uitspraak van 7 juli 2011, verzonden op 11 juli 2011, heeft de rechtbank de door [appellant] tegen de besluiten van 8 februari 2010 en 16 juni 2010 ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 augustus 2011, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[vergunninghouder] heeft daartoe in de gelegenheid gesteld, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 februari 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. A.A.M. van der Aa, en het college, vertegenwoordigd door R.C.J.M. Zwijsen en T.P.L. Pijnappels, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar [vergunninghouder], vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, gehoord.

2. Overwegingen

Ten aanzien van de ontheffing en bouwvergunning

2.1. Het bouwplan voorziet in de bouw van een bedrijfshal met een afmeting van 35 m bij 75 m. De hal heeft een goothoogte van 4,5 m en een nokhoogte van 9 m. Het gebouw bestaat uit een kelder, begane grond en een verdieping.

2.2. Ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming

"Agrarische bedrijfsdoeleinden -A-".

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 3, van de planvoorschriften wordt in deze voorschriften verstaan onder "agrarisch bedrijf": een agrarisch bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten, door middel van het telen van gewassen en/of door middel van het houden van dieren.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, voor zover van belang, zijn de op de kaart voor "Agrarische bedrijfsdoeleinden -A-" aangewezen gronden overeenkomstig de aanduidingen op de kaart bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf.

Ingevolge het derde lid, aanhef en onder e, voor zover van belang, gelden voor het bouwen van gebouwen de aanwijzingen op de detailplankaarten, alsmede dat de afstand van de gebouwen tot de perceelsgrenzen ten minste 5 m dient te bedragen.

Ingevolge artikel 21, eerste lid, voor zover van belang, zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van de in tabel 1 genoemde bepalingen, nadat hieromtrent vooraf de in de tabel genoemde adviesinstanties zijn gehoord.

Ingevolge de bij artikel 21 behorende tabel 1, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van artikel 19, derde lid, onder e, ten behoeve van het bouwen op een kleinere afstand van de perceelsgrens, mits de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen hierdoor niet onevenredig worden aangetast.

2.3. Vast staat dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, omdat de bedrijfshal op kortere afstand dan 5 m van de perceelsgrens, namelijk op 1,70 m daarvan, wordt gebouwd. Het college heeft vrijstelling verleend krachtens artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening, gelezen in verbinding met de artikelen 21 en 22 van de planvoorschriften, teneinde het bouwplan niettemin mogelijk te maken.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan niet dient ten behoeve van een agrarisch bedrijf en dat het daarom ook om die reden in strijd is met het bestemmingsplan. Volgens [appellant] gaat het om een grootschalige bedrijfshal met een overwegend industrieel karakter, hetgeen volgens hem blijkt uit de bij de aanvraag behorende bouwtekeningen. Mede omdat hij aanwijzingen heeft dat op het bedrijf van [vergunninghouder] ook producten van derden worden verwerkt, valt de bedrijfshal niet onder de agrarische bestemming van het perceel, aldus [appellant].

2.4.1. Dit betoog faalt. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de bouw van de bedrijfshal dient ten behoeve van het agrarisch bedrijf op het perceel, nu de verwerking van agrarische producten in de hal aansluit bij de teelt daarvan op het bedrijf. Van belang is daarbij dat in het advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen (hierna: AAB) van 31 januari 2008 wordt geconcludeerd dat het bedrijf, ondanks dat het een grootschaligere uitstraling heeft dan een regulier tuinbouwbedrijf, beschouwd moet worden als een agrarisch bedrijf in de zin van de planvoorschriften. In overeenstemming hiermee heeft [vergunninghouder] ter zitting verklaard dat op haar bedrijf enkel in het eigen bedrijf geteelde groenten worden verwerkt en dat de hoeveelheden eigen teelt daarvoor toereikend zijn.

[appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de bedrijfshal ook dient voor de verwerking van groenten van derden, waardoor niet meer zou kunnen worden gesproken van een agrarisch bedrijf in de zin van de planvoorschriften. Hij heeft zijn stellingen ter zake onvoldoende met concrete feiten en omstandigheden onderbouwd om gerede twijfel aan het advies van AAB van 31 januari 2008 te doen ontstaan. De omstandigheid dat [appellant], als gesteld, heeft waargenomen dat soms niet-Nederlandse vrachtwagenchauffeurs het bedrijf aandoen, rechtvaardigt deze conclusie niet. De rechtbank heeft in het aangevoerde dan ook terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college dit advies niet aan het besluit ten grondslag heeft mogen leggen en AAB opnieuw om advies had moeten vragen.

Het betoog faalt.

2.5. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het college in redelijkheid ontheffing heeft kunnen verlenen voor het bouwplan. Hij voert daartoe aan dat het bouwplan, door de nokhoogte van 9 m en de afstand van 1,70 m van de perceelsgrens, zich ter plaatse zeer dominant zal manifesteren en een forse inbreuk zal maken op de ruimtelijke situatie. Daarnaast is de rechtbank er bij dit oordeel volgens hem ten onrechte vanuit gegaan dat het gedeelte van zijn perceel dat grenst aan het perceel waarop het bouwplan zal worden gerealiseerd, de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -A-" heeft. Dit heeft de bestemming "Wonen", aldus [appellant].

2.5.1. De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat op het gedeelte van het perceel van [appellant] dat direct grenst aan het gedeelte van het perceel van [vergunninghouder] waarop het bouwplan zal worden gerealiseerd, ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied" de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -A-" rust. Op het gedeelte van het perceel van [appellant] rond de woning rust ingevolge het bestemmingsplan "Kom Zeeland en Kom

't Oventje" de bestemming "Wonen".

De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat niet valt in te zien op welke wijze de gebruiksmogelijkheden van het perceel van [appellant] , voor zover agrarisch, onevenredig worden aangetast door realisering van het bouwplan, nu [appellant] dit standpunt slechts heeft onderbouwd door te stellen dat het bouwplan zich dominant zal manifesteren. Niet kan worden staande gehouden dat door mogelijke visuele hinder de gebruiksmogelijkheden van het perceel, voor zover agrarisch, onevenredig worden aangetast.

Zoals de rechtbank verder met juistheid heeft overwogen, bestaat evenmin grond voor het oordeel dat door realisering van het bouwplan de gebruiksmogelijkheden van het perceel, voor zover daarop de bestemming "Wonen" rust, onevenredig worden aangetast. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat tussen de nieuw te bouwen bedrijfshal en het gedeelte van het perceel met een woonbestemming een schuur van [appellant] zelf aanwezig is, die een afschermende werking heeft ten aanzien van de nieuw te bouwen bedrijfshal. Daarnaast is hierbij van belang dat, zoals het college onweersproken heeft gesteld, de maatvoering van de hal op zichzelf ingevolge het bestemmingsplan is toegestaan. De omstandigheid dat vrijstelling is verleend waardoor de hal op kortere afstand van de perceelsgrens kan worden gesitueerd, heeft niet een zodanig effect dat daardoor de gebruiksmogelijkheden van het perceel, voor zover daarop de bestemming "Wonen" rust, onevenredig worden aangetast.

Het betoog faalt.

Ten aanzien van de aanlegvergunning

2.6. Ingevolge het bestemmingsplan rust op de gronden waarop de aanlegvergunning ziet, de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke/cultuurhistorische en/of abiotische waarden -Alca-".

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften zijn de op plankaart 1 als zodanig aangewezen gronden bestemd voor instandhouding van landschappelijke, cultuurhistorische, aardkundige en waterhuishoudkundige waarden in combinatie met agrarische bedrijfsvoering, afgestemd op de differentiatievlakken als bedoeld in lid 2 van dit artikel.

Ingevolge het tweede lid, onder b, onder 2, zijn deze gronden, voor zover zij zijn gelegen binnen een van de op de hulpkaart B bij plankaart 1 aangegeven differentiatievlakken, tevens bestemd voor de instandhouding van "landschappelijk besloten gebied".

Ingevolge artikel 27, eerste lid, is het verboden om zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de in de "Tabel strijdig gebruik/Aanlegvergunningen" (hierna: de tabel) weergegeven werken en/of werkzaamheden uit te voeren, met dien verstande dat het vereiste van aanlegvergunning niet geldt voor de gronden met de medebestemming "Verkeersdoeleinden", "Nutsvoorzieningen", "Agrarische bedrijfsdoeleinden" en "Bedrijfsdoeleinden" en op gronden met medegebruik wonen.

Ingevolge het derde lid zijn de werken en/of werkzaamheden als bedoeld in lid 1 slechts toelaatbaar indien:

a. deze verband houden met de doeleinden, die aan de desbetreffende hoofd- of medebestemming zijn toegekend;

b. hierdoor dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen de natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, bosbouwkundige en/of landbouwkundige waarden en kwaliteiten van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind.

2.7. De aanlegvergunning heeft betrekking op een oppervlakteverharding welke dienst doet als uitweg en manoeuvreerruimte ten behoeve van het bedrijf van [vergunninghouder], welke reeds is gerealiseerd en waarvoor bij besluit van 26 augustus 2003 reeds aanlegvergunning is verleend. De bij het besluit van 12 mei 2009 verleende aanlegvergunning voorziet erin dat de eerder aangebrachte (half)verharding wordt vervangen door een asfaltverharding.

2.8. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de aanlegvergunning in strijd met het bestemmingsplan is verleend. Hij voert daartoe aan dat het volgens het aanlegvergunningstelsel slechts is toegestaan om een oppervlakteverharding te realiseren op de medebestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -A-" en niet op de hoofdbestemming "Alca". Het aanleggen van de verharding is volgens hem voorts niet gericht op het handhaven of beschermen van de bestemming "Alca" en maakt de gronden minder geschikt voor het verwezenlijken van die bestemming.

2.8.1. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat het niet is toegestaan een oppervlakteverharding als hier aan de orde op de gronden met de (hoofd)bestemming "Alca" te realiseren, faalt. Volgens artikel 27, eerste lid, van de planvoorschriften is voor het aanleggen van een oppervlakteverharding van meer dan 200 m², voor zover voorzien binnen de medebestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden -A-" geen, en voor zover voorzien binnen de bestemming "Alca", wel een aanlegvergunning benodigd. Ook binnen de bestemming "Alca" is het daarom, weliswaar onder de voorwaarde dat een aanlegvergunning kan worden verleend, mogelijk om een oppervlakteverharding te realiseren.

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het aanleggen van de oppervlakteverharding verband houdt met het doel van de bestemming "Alca", nu de verharding dient ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering op het perceel. De Afdeling verwijst hierbij naar overweging 2.2.1 van de uitspraak van heden, in zaak nr. 201110767/1/A1, in de hoger beroepen van [appellant] en het college tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank van 26 augustus 2011, in zaak nrs. 11/2119 en 11/2159, waarin is overwogen dat geen grond bestaat voor het oordeel dat het begrip "agrarische bedrijfsvoering" zo beperkt moet worden uitgelegd dat daaronder uitsluitend agrarisch grondgebruik in de zin van de teelt van gewassen of veeteelt moet worden verstaan.

De rechtbank heeft eveneens met juistheid overwogen dat door de aanleg van de oppervlakteverharding of door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen de natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, bosbouwkundige en/of landbouwkundige waarden en kwaliteiten van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind, nu aan de aanlegvergunning de voorwaarden zijn verbonden dat de verharding dient te worden omgeven door een aarden wal en dat bomen dienen te worden aangeplant, waarmee het terrein in het landschap wordt ingepast.

Voor het oordeel dat, zoals [appellant] betoogt, de rechtbank heeft miskend dat voor het gedeelte van de verharding dat een uitweg vormt, geen aanlegvergunning had kunnen worden verleend, nu een uitweg in het aanlegvergunningstelsel niet wordt genoemd, bestaat evenmin grond. Ook dat gedeelte van de gronden waarop de aanlegvergunning ziet, kan worden geacht te vallen onder het aanbrengen van oppervlakteverhardingen van meer dan 200 m², als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de planvoorschriften gelezen in combinatie met de tabel en de daarbij behorende "Verklaring werken en/of werkzaamheden bij tabel strijdig gebruik/aanlegvergunningen", zodat daarvoor een aanlegvergunning kon worden verleend.

De conclusie is dat de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat de aanlegvergunning niet in strijd met het bestemmingsplan is verleend.

Het betoog faalt.

2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van staat.

w.g. Wortmann w.g. Oudenaller

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2012

374-641.