Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW7275

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-05-2012
Datum publicatie
01-06-2012
Zaaknummer
201200419/1/V2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De minister heeft Boumanjal reeds in het eerste besluit op bezwaar van 19 augustus 2010 uitdrukkelijk als gemachtigde geaccepteerd. Omdat nadien geen ander dan Boumanjal door de vreemdeling is gemachtigd namens hem op te treden, heeft de Rb. niet onderkend dat de minister onder deze omstandigheden Boumanjal in redelijkheid niet heeft kunnen verzoeken om een schriftelijke machtiging, alvorens opnieuw een besluit op het gemaakte bezwaar te nemen. De Rb. heeft dan ook ten onrechte overwogen dat de minister terecht het bezwaar niet ontvankelijk heeft verklaard.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 2:1
Vreemdelingenwet 2000
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2012/167
JV 2012/318
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201200419/1/V2.

Datum uitspraak: 24 mei 2012

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

(-),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Roermond, van 19 december 2011 in zaak nr. 11/21937 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister voor Immigratie en Asiel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 juni 2011 heeft de minister het door de vreemdeling gemaakte bezwaar tegen zijn voorgenomen overdracht aan de Griekse autoriteiten niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 19 december 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 11 januari 2012, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Onder de minister, thans: de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2.2. In de eerste grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister het bezwaar terecht niet ontvankelijk heeft verklaard. Daarbij heeft de rechtbank ten onrechte van belang geacht dat mr. A. Boumanjal (hierna: Boumanjal) niet van de door de minister geboden gelegenheid gebruik heeft gemaakt om alsnog een schriftelijke machtiging over te leggen. Volgens de vreemdeling heeft de rechtbank miskend dat Boumanjal door de minister reeds in het eerste besluit op bezwaar van 19 augustus 2010 als gemachtigde is geaccepteerd. Sindsdien is Boumanjal onafgebroken als zijn gemachtigde opgetreden, zodat de minister hem ten onrechte nadien om een schriftelijke machtiging heeft verzocht, aldus de vreemdeling.

2.2.1. Ingevolge artikel 2:1, eerste lid, van de Awb kan een ieder zich ter behartiging van zijn belangen in het verkeer met bestuursorganen laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen.

Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen.

2.2.2. Bij brief van 16 juni 2010 heeft Boumanjal aan de minister te kennen gegeven dat, voor zover thans van belang, hij namens de vreemdeling als gemachtigde optreedt in de onderhavige procedure.

Bij besluit van 19 augustus 2010 heeft de minister het door de vreemdeling gemaakte bezwaar, gericht tegen de voorgenomen overdracht aan de Griekse autoriteiten, ongegrond verklaard. Dat besluit is verzonden aan Boumanjal, die daarin ook is aangeduid als 'gemachtigde'.

De rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch heeft dat besluit bij uitspraak van 16 februari 2011 vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar te nemen.

Bij brief van 25 mei 2011 heeft de minister aan Boumanjal, onder verwijzing naar artikel 2:1 van de Awb, verzocht uiterlijk op 1 juni 2011 een schriftelijke machtiging over te leggen en kenbaar gemaakt dat, als niet binnen de gestelde termijn aan het verzoek is voldaan, het bezwaar niet ontvankelijk kan worden verklaard.

Bij besluit van 6 juni 2011 heeft de minister het bezwaar kennelijk niet ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft hij ten grondslag gelegd dat Boumanjal niet binnen de daartoe gestelde termijn een schriftelijke machtiging heeft overgelegd.

2.2.3. De minister heeft Boumanjal reeds in het eerste besluit op bezwaar van 19 augustus 2010 uitdrukkelijk als gemachtigde geaccepteerd. Omdat nadien geen ander dan Boumanjal door de vreemdeling is gemachtigd namens hem op te treden, heeft de rechtbank niet onderkend dat de minister onder deze omstandigheden Boumanjal in redelijkheid niet heeft kunnen verzoeken om een schriftelijke machtiging, alvorens opnieuw een besluit op het gemaakte bezwaar te nemen. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte overwogen dat de minister terecht het bezwaar niet ontvankelijk heeft verklaard.

De grief slaagt.

2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van de minister van 6 juni 2011 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt voor vernietiging in aanmerking.

2.4. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Roermond, van 19 december 2011 in zaak nr. 11/21937;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de minister voor Immigratie en Asiel van 6 juni 2011, kenmerk 0804-24-1267;

V. veroordeelt de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Bosma, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter w.g. Bosma

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2012

572-657.

Verzonden: 24 mei 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,