Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW7266

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-05-2012
Datum publicatie
01-06-2012
Zaaknummer
201106138/1/V1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 6 juli 2009 in zaak nr. 200901055/1/V3 (LJN: BJ2153), volgt uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat onder uitzonderlijke omstandigheden de medische toestand van een vreemdeling er toe kan leiden dat uitzetting van die vreemdeling in strijd is met art. 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Van zodanige omstandigheden kan blijkens die jurisprudentie slechts sprake zijn indien de desbetreffende vreemdeling lijdt aan een ziekte in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium. Nu de vreemdeling aan zijn aanvraag niet ten grondslag heeft gelegd dat zijn medische toestand dermate ernstig is dat aan dat criterium is voldaan en ook niet heeft gesteld dat hij in een dergelijke situatie verkeert, kunnen de door hem gestelde medische omstandigheden op zichzelf bezien niet leiden tot verblijfsaanvaarding in de asielprocedure. De vreemdeling heeft derhalve belang bij de beoordeling van zijn beroep tegen het besluit van 1 juni 2010. De Rb. heeft dit niet onderkend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201106138/1/V1.

Datum uitspraak: 29 mei 2012

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

(-),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Middelburg, van 4 mei 2011 in zaak nr. 10/19670 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister voor Immigratie en Asiel (hierna: de minister).

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 april 2010 heeft de minister van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 1 juni 2010 heeft de minister van Justitie het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 4 mei 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond (lees:

niet-ontvankelijk) verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 31 mei 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister, thans: de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Onder de minister wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2.2. De vreemdeling klaagt in de enige grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, samengevat weergegeven, hij geen belang bij het beroep heeft, omdat hij in de asielprocedure zijn medische problematiek naar voren kan brengen. De vreemdeling voert hiertoe aan dat door de waterscheiding tussen asielprocedures en reguliere procedures de omstandigheden die hij wil aanvoeren in het kader van de voorliggende reguliere procedure, niet aan bod kunnen komen in de asielprocedure.

2.2.1. Volgens paragraaf B8/2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 wordt onder medische noodsituatie verstaan: de situatie waarbij de vreemdeling lijdt aan een stoornis, waarvan op basis van de huidige medisch-wetenschappelijke inzichten vaststaat dat het achterwege blijven van behandeling op korte termijn zal leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade.

2.2.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 6 juli 2009 in zaak nr. 200901055/1/V3 (www.raadvanstate.nl), volgt uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat onder uitzonderlijke omstandigheden de medische toestand van een vreemdeling er toe kan leiden dat uitzetting van die vreemdeling in strijd is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Van zodanige omstandigheden kan blijkens die jurisprudentie slechts sprake zijn indien de desbetreffende vreemdeling lijdt aan een ziekte in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium. Nu de vreemdeling aan zijn aanvraag niet ten grondslag heeft gelegd dat zijn medische toestand dermate ernstig is dat aan dat criterium is voldaan en ook niet heeft gesteld dat hij in een dergelijke situatie verkeert, kunnen de door hem gestelde medische omstandigheden op zichzelf bezien niet leiden tot verblijfsaanvaarding in de asielprocedure. De vreemdeling heeft derhalve belang bij de beoordeling van zijn beroep tegen het besluit van 1 juni 2010. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

De grief slaagt.

2.2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 1 juni 2010 in het licht van de door de vreemdeling aangevoerde beroepsgrond beoordelen.

2.3. De vreemdeling heeft in beroep aangevoerd dat de minister ten onrechte niet heeft beslist op zijn aanvraag tot verblijf om medische redenen. Mede gelet op de inhoud van het bezwaarschrift, strekt de aanvraag van de vreemdeling tot het verkrijgen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor medische behandeling hier te lande. De minister heeft, naar volgt uit hetgeen onder 2.2.2. is overwogen, in het besluit van 1 juni 2010, voor zover thans van belang, ten onrechte de door de vreemdeling aangevoerde medische omstandigheden slechts beoordeeld als asielgerelateerde gronden.

De beroepsgrond slaagt.

2.4. Het beroep is gegrond. Het besluit van 1 juni 2010 dient te worden vernietigd.

2.5. De minister voor Immigratie, Integratie en Asiel dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Middelburg, van 4 mei 2011 in zaak nr. 10/19670;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de minister van Justitie van 1 juni 2010, kenmerk 0708-27-0649;

V. veroordeelt de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep gemaakte kosten op een bedrag van € 1.748,00 (zegge: zeventienhonderdachtenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel aan de vreemdeling het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 379,00 (zegge: driehonderdnegenenzeventig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, voorzitter, en

mr. R. van der Spoel en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin

voorzitter w.g. De Vink

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2012

154-688.

Verzonden: 29 mei 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser