Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW7261

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-05-2012
Datum publicatie
01-06-2012
Zaaknummer
201103771/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Door te overwegen dat de minister in redelijkheid heeft kunnen twijfelen aan de nationaliteit en herkomst van de vreemdeling, heeft de Rb. niet onderkend dat de minister van Buitenlandse Zaken, voorafgaande aan de verlening van de mvv, de nationaliteit en herkomst van de vreemdeling geacht moet worden te hebben vastgesteld en op basis daarvan de mvv heeft verstrekt. Voor verlening van de door de vreemdeling gewenste verblijfsvergunning geldt immers uitdrukkelijk als vereiste dat de vreemdeling dezelfde nationaliteit heeft als de referent en feitelijk tot diens gezin behoorde. Het stond de minister niet vrij om, nadat uit de na de inreis van de vreemdeling in Nederland verrichte taalanalyse bleek dat het Somalisch dat de vreemdeling spreekt ook buiten Somalië wordt gesproken, haar nationaliteit en herkomst alsnog niet aannemelijk te achten. De omstandigheid, dat uit de taalanalyse blijkt dat de vreemdeling niet haar gehele leven in Zuid-Somalië kan hebben gewoond, laat voorts onverlet dat zij daar feitelijk kan hebben behoord tot het gezin van de referent. Aldus heeft de minister niet deugdelijk gemotiveerd dat de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt die hebben geleid tot verlening van de mvv.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2012/319
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201103771/1/V2.

Datum uitspraak: 29 mei 2012

Raad van State

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

(-), mede voor haar minderjarige kinderen,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats 's Hertogenbosch, van 1 maart 2011 in zaak nr. 10/4793 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister voor Immigratie en Asiel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 januari 2010 heeft de staatssecretaris van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 1 maart 2011, verzonden op 3 maart 2011, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 30 maart 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De minister, thans: de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Onder de minister wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2.2. Hetgeen als tweede grief is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

2.3. In de eerste en derde grief klaagt de vreemdeling, samengevat weergegeven en in onderlinge samenhang bezien, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat zij niet in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning krachtens artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000. De rechtbank heeft daarbij, volgens de vreemdeling, ten onrechte redengevend geacht dat de omstandigheid dat aan haar een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: de mvv) is verleend, aan de weigering haar de gevraagde vergunning te verlenen niet kan afdoen, nu zij onjuiste informatie over haar nationaliteit en herkomst heeft verstrekt en er aldus niet gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat haar een verblijfsvergunning zou worden verleend. De vreemdeling betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat niet is gebleken dat zij een andere nationaliteit heeft dan haar echtgenoot Libaan Saleebaan Mohamed (hierna: de referent).

2.3.1. Bij brief van 20 februari 2008 heeft de referent verzocht om een advies voor afgifte van een mvv voor, voor zover thans van belang, de vreemdeling met het oog op gezinshereniging. Bij brief van 13 oktober 2008 heeft de minister van Buitenlandse Zaken bericht dat hij, gelet op de overgelegde gegevens en bescheiden, van oordeel is dat de vreemdeling aan de toelatingsvereisten voldoet en dat, indien zij een aanvraag om een mvv indient, deze in beginsel wordt ingewilligd. Naar aanleiding van een daartoe strekkende aanvraag heeft de minister van Buitenlandse Zaken aan de vreemdeling een mvv verleend, waarna zij op 5 december 2008 Nederland is ingereisd. Op 13 januari 2009 heeft zij vervolgens de onderhavige aanvraag ingediend.

2.3.2. De minister heeft zich in het besluit van 29 januari 2010 en het daarbij ingelaste voornemen daartoe, samengevat weergegeven en voor zover thans van belang, op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet voldoet aan de vereisten om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning, als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000. Aan dat standpunt heeft hij ten grondslag gelegd dat uit het rapport van de vanwege het Bureau Land en Taal verrichte taalanalyse van 8 mei 2009 (hierna: de taalanalyse) blijkt dat de vreemdeling eenduidig niet is te herleiden tot de spraakgemeenschap binnen Zuid Somalië, terwijl het Somalisch dat zij spreekt gangbaar is in Noord Somalië en tevens wordt gesproken in Kenia, Djibouti en Ethiopië. Nu het bovendien niet mogelijk is om aan de hand van de spraak van de vreemdeling een uitspraak te doen over haar etniciteit, is de door haar opgegeven Somalische nationaliteit niet aannemelijk. Derhalve kan niet worden vastgesteld dat zij evenals de referent, de Somalische nationaliteit heeft. Nu de referent destijds in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning asiel vanwege zijn herkomst uit Zuid- dan wel Centraal-Somalië, is het, gelet op de uitkomst van de taalanalyse, niet aannemelijk dat de vreemdeling met hem in Zuid-Somalië heeft samengewoond. Aan de gezinsband tussen beiden wordt dan ook getwijfeld, aldus de minister.

2.3.3. De Afdeling heeft eerder overwogen (uitspraak van 5 augustus 2010 in zaak nr. 200904213/1/V2; www.raadvanstate.nl) dat, indien een vreemdeling Nederland met een mvv is ingereisd, en de minister van Buitenlandse Zaken heeft bericht als hiervoor weergegeven onder 2.3.1., moet worden aangenomen dat ten tijde van het verlenen daarvan is of had kunnen worden onderzocht en vastgesteld dat aan de ter zake van het beoogde verblijfsdoel gestelde vereisten is voldaan en dat er geen andere redenen waren die zich verzetten tegen verlening van de gevraagde mvv. In dat geval mag de desbetreffende vreemdeling erop vertrouwen dat hem bij gelijkblijvende omstandigheden de verblijfsvergunning wordt verleend. Dat is slechts anders, indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt die hebben geleid tot de verlening van de mvv.

2.3.4. Door te overwegen dat de minister in redelijkheid heeft kunnen twijfelen aan de nationaliteit en herkomst van de vreemdeling, heeft de rechtbank niet onderkend dat de minister van Buitenlandse Zaken, voorafgaande aan de verlening van de mvv, de nationaliteit en herkomst van de vreemdeling geacht moet worden te hebben vastgesteld en op basis daarvan de mvv heeft verstrekt. Voor verlening van de door de vreemdeling gewenste verblijfsvergunning geldt immers uitdrukkelijk als vereiste dat de vreemdeling dezelfde nationaliteit heeft als de referent en feitelijk tot diens gezin behoorde. Het stond de minister niet vrij om, nadat uit de na de inreis van de vreemdeling in Nederland verrichte taalanalyse bleek dat het Somalisch dat de vreemdeling spreekt ook buiten Somalië wordt gesproken, haar nationaliteit en herkomst alsnog niet aannemelijk te achten. De omstandigheid, dat uit de taalanalyse blijkt dat de vreemdeling niet haar gehele leven in Zuid-Somalië kan hebben gewoond, laat voorts onverlet dat zij daar feitelijk kan hebben behoord tot het gezin van de referent. Aldus heeft de minister niet deugdelijk gemotiveerd dat de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt die hebben geleid tot verlening van de mvv. De grieven slagen.

2.4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Over het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 29 januari 2010 wordt overwogen dat, voor zover met het vorenoverwogene niet op de bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden is beslist, aan deze gronden niet wordt toegekomen. Over deze gronden heeft de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin bestaat een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over deze gronden, dan wel onderdelen van het besluit van 29 januari 2010 waarop ze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze gronden vallen thans dientengevolge buiten het geschil.

2.5. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's Hertogenbosch, van 1 maart 2011 in zaak nr. 10/4793;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Justitie van 29 januari 2010, V-nummers [nummer 1], [nummer 2], [nummer 3] en [nummer 4];

V. veroordeelt de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1311,00 (zegge: dertienhonderdelf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter w.g. Van Loon

ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2012

284-657.

Verzonden: 29 mei 2012

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

mr. H.H.C. Visser