Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW6955

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-05-2012
Datum publicatie
30-05-2012
Zaaknummer
201009790/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 maart 2010 heeft het college aan [vergunninghoudster] vergunning als bedoeld in artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) verleend voor het wijzigen van een agrarisch bedrijf aan de [locatie] te Winterswijk-Meddo nabij het Natura 2000-gebied "Korenburgerveen".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201009790/1/A4.

Datum uitspraak: 30 mei 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de onderlinge waarborgmaatschappij Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. (hierna: MOB), gevestigd te Nijmegen,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 maart 2010 heeft het college aan [vergunninghoudster] vergunning als bedoeld in artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) verleend voor het wijzigen van een agrarisch bedrijf aan de [locatie] te Winterswijk-Meddo nabij het Natura 2000-gebied "Korenburgerveen".

Bij besluit van 30 augustus 2010 heeft het college het door MOB hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, het besluit van 8 maart 2010 gehandhaafd, en het verzoek om vergoeding van de kosten die in verband met de behandeling van het bezwaar zijn gemaakt afgewezen.

Tegen dit besluit heeft MOB bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 oktober 2010, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en een aanvulling daarop ingediend.

Bij besluit van 11 januari 2011 heeft het college het besluit van

30 augustus 2010 ingetrokken, de bezwaren van MOB wederom ongegrond verklaard en de aanvraag van de vergunning op grond van nieuwe feiten en omstandigheden alsnog afgewezen. Tevens heeft het college het verzoek van MOB om vergoeding van de kosten die in verband met de behandeling van het bezwaar zijn gemaakt opnieuw afgewezen.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 mei 2012, waar MOB, vertegenwoordigd door mr. V. Wösten, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. de Jonge, ir. A. Fopma en N.Y.C. Jeukens, allen werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord.

2. Overwegingen

Omvang van het geding

2.1. Ingevolge de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt het beroep mede geacht te zijn gericht tegen het besluit van 11 januari 2011.

Het besluit van 30 augustus 2010

2.2. MOB betoogt dat het dictum van het besluit op bezwaar van 30 augustus 2010 ten onrechte afwijkt van het advies van de Commissie van Advies voor Bezwaarschriften en Klachten waarnaar dit besluit verwijst. Verder voert zij een aantal gronden aan over de ongegrondverklaring van haar bezwaar tegen het besluit van 8 maart 2010.

2.2.1. Het college erkent in het verweerschrift dat in het dictum van het besluit van 30 augustus 2010 abusievelijk is opgenomen dat het besluit van 8 maart 2010 werd gehandhaafd. Bedoeld was om in overeenstemming met het advies van de Commissie van Advies voor Bezwaarschriften en Klachten het besluit van 8 maart 2010 te herroepen en de aanvraag van de vergunning alsnog af te wijzen, aldus het college.

2.2.2. Het besluit van 30 augustus 2010 is gelet hierop in strijd met artikel 3:2 van de Awb onzorgvuldig voorbereid. Het beroep tegen dit besluit is gegrond. Dit besluit dient te worden vernietigd. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer.

Het besluit van 11 januari 2011

2.3. MOB betoogt dat het college in het besluit op bezwaar van 11 januari 2011 ten onrechte stelt dat voor de aangevraagde activiteit geen vergunningplicht krachtens de Nbw 1998 geldt. Verder voert zij aan dat ten onrechte toepassing is gegeven aan de in artikel 19kd van de Nbw 1998 vermelde referentiedatum van 7 december 2004.

2.3.1. Het college erkent in de aanvulling op het verweerschrift dat het zich, gelet op de uitspraak in de zaak nr. 201003301/1/R2 van 7 september 2011, overwegingen 2.6.2 en volgende (www.raadvanstate.nl), ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de vergunningplicht voor het wijzigen van het agrarisch bedrijf door de inwerkingtreding van artikel 19kd van de Nbw 1998 is komen te vervallen en dat het derhalve ten onrechte op die grond de aanvraag alsnog heeft afgewezen.

2.3.2. Het besluit van 11 januari 2011 is in strijd met artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998. Het beroep tegen dit besluit is gegrond. Dit besluit dient te worden vernietigd. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking.

Slotoverwegingen

2.4. Het college dient opnieuw op het bezwaar van MOB te beslissen. Voorafgaand aan het besluit dient het college MOB in de gelegenheid te stellen te worden gehoord omtrent het te nemen besluit en meer in het bijzonder de actuele stikstofdepositieberekeningen zoals weergegeven in de aanvulling op het verweerschrift.

2.5. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 30 augustus 2010;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 11 januari 2011;

IV. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van bij de onderlinge waarborgmaatschappij Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A., in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Gelderland aan de onderlinge waarborgmaatschappij Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 298,00 (zegge: tweehonderdachtennegentig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. J.A. Hagen en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.S. Aal, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Aal

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2012

584.