Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW6942

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-05-2012
Datum publicatie
30-05-2012
Zaaknummer
201110243/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 juli 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Zorgcentrum Horizon, Voorburggracht 25 in Broek op Langedijk" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201110243/1/R1.

Datum uitspraak: 30 mei 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1 A] en [appellante sub 1 B](hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]), beiden wonend te Broek op Langedijk, gemeente Langedijk,

2. [appellant sub 2] en anderen, allen wonend te Broek op Langedijk, gemeente Langedijk,

en

de raad van de gemeente Langedijk,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 juli 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Zorgcentrum Horizon, Voorburggracht 25 in Broek op Langedijk" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 september 2011, en [appellant sub 2] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 september 2011, beroep ingesteld. [appellant sub 1] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 20 oktober 2011.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De stichting Protestants Christelijke Stichting voor wonen en zorg Zorgcentrum Horizon (hierna: Horizon) heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 april 2012, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door mr. A.M.H. Dellaert, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, en [appellant sub 2] en anderen, bij monde van [appellant sub 2], en de raad van de gemeente Langedijk, vertegenwoordigd door J.F. Vijn, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting Horizon, vertegenwoordigd door mr. S. Essakkili, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting hebben [appellant sub 2] en anderen het beroep, voor zover ingesteld door [appellant sub 2 A], [appellant sub 2 B], [appellant sub 2 C], [appellant sub 2 D], [appellant sub 2 E], [appellant sub 2 F], [appellant sub 2 G], [appellant sub 2 H], [appellant sub 2 I], [appellant sub 2 J], [appellant sub 2 K] en [appellant sub 2 L], ingetrokken.

Ter zitting heeft [appellant sub 1] zijn beroep ingetrokken voor zover het betrekking heeft op de gevolgen van het plan voor vogelsoorten.

2.2. Het plan voorziet in de juridisch-planologische regeling voor de bouw van achttien (zorg)woningen in twee gebouwen op het perceel Voorburggracht 25, ten behoeve van uitbreiding van het zorgcentrum, gevestigd aan de Boeier 2 te Broek op Langedijk. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen zijn woonachtig in de omgeving van het plangebied en kunnen zich niet met dit plan verenigen.

2.3. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen achten de woningen niet passend in de omgeving. [appellant sub 2] en anderen wijzen er op dat er geen gebouw met brandtrappen aan de voorgevel of een dakterras met uitzicht op het aanpalende perceel aanwezig is. [appellant sub 2] en anderen betogen in dit verband dat wordt voorbij gegaan aan de welstandsnota en bestaande bestemmingsplannen.

2.3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de voorziene bebouwing overeenstemt met de stedenbouwkundige randvoorwaarden en uitgangspunten zoals opgenomen in het beeldkwaliteitsplan "Uitbreiding zorgcentrum Horizon" (hierna: het beeldkwaliteitsplan).

2.3.2. In het plan is aan de gronden van het plangebied hoofdzakelijk de bestemming "Wonen-Woongebouw (W-W)" met de aanduiding "maximum aantal wooneenheden 18" toegekend. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de gronden bestemd voor wonen, al dan niet in combinatie met maatschappelijke voorzieningen ten behoeve van zorggerelateerd wonen. Het plandeel met de bestemming "Wonen-Woongebouw (W-W)" is voorzien van twee bouwvlakken. Blijkens de verbeelding gelezen in samenhang met artikel 4.2, eerste lid, onder c, van de planregels is aan de zijde van de Voorburggracht een maximale goot- en bouwhoogte toegestaan van 6 onderscheidenlijk 8,5 m. Voor de voorziene bebouwing aan de achterzijde van het perceel geldt een maximale goot- en bouwhoogte van 9 onderscheidenlijk 12 m.

2.3.3. In het voorgaande plan "Mayersloot 1987" waren de gronden binnen het plangebied bestemd als "Wonen", "Tuin" en "Erf". De bouw van de woongebouwen was op grond hiervan niet toegestaan.

De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen.

2.3.4. Volgens het beeldkwaliteitsplan ligt de uitdaging voor een ontwikkeling op deze locatie in het vinden van aansluiting bij de twee verschillende karakters waarop het plangebied aansluit. Enerzijds is dit de bebouwingskarakteristiek van het lint Voorburggracht en het landschappelijke karakter van de eilandenstructuur, anderzijds het moderne, robuustere karakter van de jaren 70 uitbreiding van het zorgcentrum en het tegenoverliggende woonlint. Teneinde de ruimtelijke samenhang tussen de verschillende karakters te realiseren, gelden - voor zover hier van belang - de volgende stedenbouwkundige randvoorwaarden en aandachtspunten:

- bebouwing is een aanvulling op het lint Voorburggracht: terughoudend in verschijningsvorm;

- gezien vanuit Voorburggracht kan naar achteren toe hogere bouw worden gerealiseerd, tot maximaal drie lagen met kap;

- aansluiting zoeken op het bebouwingsritme en dorpse karakter van het lint Voorburggracht.

De randvoorwaarden zijn verwerkt op een kaart, waarin wat betreft de gronden aan de zijde van de Voorburggracht een maximale goot- en nokhoogte van 6 onderscheidenlijk 8,5 m is ingetekend. Aan de achterzijde van het perceel is een maximale goot- en bouwhoogte van 9 onderscheidenlijk 12 m ingetekend.

Het plan stemt overeen met de voorwaarden voor de stedenbouwkundige inpassing die in het beeldkwaliteitsplan worden gesteld.

De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen geven geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in dit geval niet aan het beeldkwaliteitsplan heeft kunnen vasthouden.

Voor zover [appellant sub 2] en anderen in dit verband aanvoeren dat de beoogde brandtrappen aan de voorgevel en een dakterras met uitzicht op het naastgelegen perceel verder niet voorkomen, overweegt de Afdeling dat een dergelijke invulling van de toegekende bestemming in het plan niet is vastgelegd. Dit betreft een uitvoeringsaspect. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen.

Het betoog van [appellant sub 2] en anderen dat de voorziene woningbouw in strijd is met het in de welstandsnota neergelegde beleid, wat daarvan ook zij, maakt het voorgaande niet anders, nu de welstandsnota bedoeld is voor de toetsing van aanvragen om een omgevingsvergunning voor bouwen. Het toetsen van een (voorzien) gebouw aan deze nota en het daarin vastgelegde welstandsniveau is pas aan de orde in de procedure met betrekking tot een omgevingsvergunning.

Gelet op het voorgaande alsmede nu ter zitting is gebleken dat het huidige naastgelegen zorgcentrum 12 m hoog is, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de in het plan voorziene bebouwing passend kan worden geacht in de omgeving.

2.4. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen betogen dat de in de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure) aanbevolen richtafstand van 30 m tussen woningen en een verpleeghuis in het onderhavige geval niet gewaarborgd is.

[appellant sub 1] stelt dat de afstand tussen zijn woning en de beoogde (zorg)woningen minder dan deze richtafstand bedraagt.

[appellant sub 2] en anderen voeren in dit verband aan dat de bestaande woningen op minder dan 30 m van het zorgcentrum staan. Verder wijzen zij er op dat ook de nieuw te bouwen zorgwoningen binnen 10 m van het zorgcentrum zullen worden gebouwd.

2.4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de (zorg)woningen niet gelijk te stellen zijn met een verpleeghuis, zodat het waarborgen van de in de VNG-brochure aanbevolen richtafstand tussen de (zorg)woningen en de bestaande woningen niet noodzakelijk is. Voorts betoogt de raad dat de bewoners van de voorziene (zorg)woningen meer geluidsoverlast moeten dulden dan bewoners van reguliere woningen.

2.4.2. In de VNG-brochure wordt een richtafstand van 30 m tussen een woning en een verpleeghuis aanbevolen vanuit het oogpunt van geluidhinder.

Wat betreft het betoog van [appellant sub 1] dat de (zorg)woningen als zodanig zijn aan te merken als verpleeghuis en dat derhalve, gelet op de nabijheid van hun woning aan [locatie] de aanbevolen afstand van 30 m niet wordt gehaald, overweegt de Afdeling dat de raad terecht heeft gesteld dat de beoogde (zorg)woningen niet als verpleeghuis in de zin van de VNG-brochure kunnen worden aangemerkt, zodat de in de VNG-brochure aanbevolen richtafstand in die situatie niet van toepassing is.

Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 2] en anderen dat de afstand tussen het zorgcentrum en de bestaande woningen minder dan 30 m bedraagt, overweegt de Afdeling dat het zorgcentrum alsmede de bestaande woningen geen onderdeel uitmaken van het plan en derhalve hier niet ter toets voorliggen. Overigens zijn de in de VNG-brochure opgenomen afstanden niet van toepassing op bestaande situaties.

Voor zover [appellant sub 2] en anderen betogen dat de voorziene (zorg)woningen binnen 30 m afstand van het zorgcentrum zullen worden gebouwd, overweegt de Afdeling als volgt. [appellant sub 2] en anderen hebben het juist dat de afstand van het zorgcentrum tot de voorziene (zorg)woningen minder dan 30 m bedraagt. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de voorziene (zorg)woningen, gelet op de combinatie met maatschappelijke voorzieningen ten behoeve van zorggerelateerd wonen, niet gelijk zijn te stellen met reguliere woningen en dat de bewoners daarvan juist baat hebben bij die voorzieningen in de nabijheid, zodat zij derhalve meer geluidsoverlast zullen dulden dan bewoners van reguliere woningen. Gelet hierop is de in de VNG-brochure aanbevolen richtafstand in deze situatie niet van toepassing.

2.5. [appellant sub 2] en anderen voeren aan dat alternatieven onvoldoende onderzocht zijn. [appellant sub 2] en anderen stellen dat er andere locaties bestaan die beter geschikt zijn voor zorgwoningen, waaronder een perceel dat aan de achterzijde van hun woningen is gelegen. In dit verband voeren zij aan dat het logistiek mogelijk is om op enige afstand van het zorgcentrum zorgwoningen te bouwen.

2.5.1. De Afdeling overweegt dat de raad bij de keuze van de bestemming een afweging dient te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beoordelingsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen.

De raad heeft in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat het uit oogpunt van efficiency vereist is dat de beoogde uitbreiding van het zorgcentrum door middel van (zorg)woningen in de directe omgeving van het zorgcentrum plaatsvindt. Niet gebleken is dat, afgezien van het plangebied, in de nabije omgeving van het zorgcentrum gronden beschikbaar zijn, waarop de bouw van zorgwoningen op korte termijn kan worden gerealiseerd. Gelet op het vorenstaande heeft de raad in redelijkheid het voorstel van [appellant sub 2] en anderen om de (zorg)woningen te bouwen op een perceel aan de achterzijde van hun woningen, die verder van het zorgcentrum verwijderd is dan de in geding zijnde gronden, en hun overige niet nader geconcretiseerde voorstellen kunnen afwijzen.

2.6. [appellant sub 2] en anderen betogen dat het plan in strijd is met de gemeentelijke "Structuurvisie 2000-2020" (hierna: de structuurvisie), aangezien hiermee de cultuurhistorische identiteit van het lint "oud"-Langedijk niet wordt versterkt.

2.6.1. In de structuurvisie is uiteengezet dat "het gezicht van Langedijk" herkenbaar moeten blijven. Cultuurhistorische waarden (lintbebouwing, "losse" bebouwing op strandwal, kleinschaligheid van de bebouwing, resten van het Rijk van de 1000 Eilanden) zullen behouden moeten worden. De gemeente streeft de versterking na van de cultuurhistorische identiteit van het lint "oud"-Langedijk (zie de Structuurvisiekaart).

Volgens de plantoelichting zijn de gronden in het plangebied thans niet in gebruik. De gronden zijn ingericht met grasland, met vooral in het oosten en zuiden verschillende bomen en struiken. Gelet hierop heeft de raad in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat ten gevolge van het plan geen bestaande cultuurhistorische waarden verloren gaan.

Voor zover [appellant sub 2] en anderen in dit verband betogen dat het plan de cultuurhistorische waarden van het lint "oud"-Langedijk niet verder versterkt, overweegt de Afdeling dat in de structuurvisie de versterking van de desbetreffende waarden slechts als streefbepaling is geformuleerd. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd is met de structuurvisie.

2.7. [appellant sub 1] vreest voor aantasting van zijn privacy, gelet op de voorziene hoogte van het complex, de positionering en het type woningen. In dit verband wijst [appellant sub 1] tevens op het feit dat zich elders aan de westelijke zijde van de Voorburggracht ruime kavels met vrijstaande woningen bevinden. [appellant sub 1] betoogt dat zijn privacy beter gewaarborgd is indien de oriëntatie van de ramen op de weg is gericht, in plaats van op zijn perceel.

2.7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan weliswaar een verdichting met woningen met zich brengt, maar dat dit niet zodanig is dat hiermee de privacy van [appellant sub 1] onaanvaardbaar wordt aangetast.

2.7.2. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de privacy van Groeneveld niet ernstig wordt aangetast. Hierbij betrekt de Afdeling dat de afstand tussen de voorziene bebouwing en de woning van [appellant sub 1] ongeveer 9 m bedraagt. Voorts neemt de Afdeling in aanmerking dat de maximale toegestane goot- en bouwhoogte van de voorziene bebouwing nabij de woning 6 onderscheidenlijk 8,5 m mag bedragen.

Voor zover [appellant sub 1] heeft gewezen op de oriëntatie van de ramen op zijn perceel, overweegt de Afdeling dat een dergelijke invulling van de toegekende bestemming in het plan niet is vastgelegd. Dit betreft een uitvoeringsaspect. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen.

2.8. [appellant sub 2] en anderen betogen dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd dat ten gevolge van het plan geen parkeerproblemen te verwachten zijn. Het parkeeronderzoek dat ten grondslag ligt aan het plan kan volgens hen hiervoor niet dienen, nu dit is verricht door medewerkers van Horizon en is verricht in de rustigste periode van het jaar. Parkeren is thans al een probleem en zal in de nieuwe situatie alleen maar lastiger worden, aldus [appellant sub 2] en anderen. [appellant sub 2] en anderen wijzen er op dat volgens de ASVV 2004 van het CROW (hierna: de CROW-richtlijn) in de nieuwe situatie 59 parkeerplaatsen noodzakelijk zijn.

2.8.1. De raad stelt zich op het standpunt dat uit parkeeronderzoek is gebleken dat de parkeerdruk in de bestaande situatie ongeveer 24 motorvoertuigen per uur is. Een grote toename van de parkeerdruk verwacht de raad niet, nu het aantal wooneenheden in de nieuwe situatie volgens hem niet wezenlijk zal toenemen. Gelet op voorgaande en op het feit dat in het bouw- en verbouwplan van Horizon is voorzien in 41 parkeerplaatsen, verwacht de raad geen parkeerproblemen in de nieuwe situatie.

2.8.2. De Afdeling stelt voorop dat de CROW-richtlijn indicatief is en dat afwijking daarvan in beginsel mogelijk is, met dien verstande dat dit dient te worden gemotiveerd.

Volgens de plantoelichting zijn in de nieuwe situatie na verbouw van het bestaande zorgcentrum en de bouw van 18 zorgwoningen op basis van de CROW-richtlijn 59 parkeerplaatsen nodig.

Ter zitting is gebleken dat er thans in de nabijheid van het zorgcentrum 28 openbare parkeerplaatsen aanwezig zijn. De raad heeft ter zitting onweersproken gesteld dat deze thans inefficient zijn ingericht en dat de gronden op korte termijn zodanig zullen worden heringericht, dat in totaal 41 parkeerplaatsen beschikbaar zullen zijn. Het plan voor de desbetreffende gronden staat dit toe.

Om inzicht te krijgen in de parkeerdruk is in augustus 2009 een parkeeronderzoek uitgevoerd. De resultaten daarvan zijn in bijlage 4 van de plantoelichting opgenomen. Uit de resultaten blijkt dat de parkeerdruk bij het zorgcentrum in de bestaande situatie ten hoogste 24 motorvoertuigen per uur is. In de nieuwe situatie zal volgens de plantoelichting het aantal zorg- of wooneenheden nagenoeg overeenkomstig de bestaande situatie zijn. Hierbij wordt gewezen op het feit dat het plan extra zorgwoningen mogelijk maakt, maar dat door de verbouwing van het bestaande zorgcentrum het aantal verpleegeenheden aldaar afneemt. Niet gebleken is dat dit onjuist is.

Niet aannemelijk is gemaakt dat de maand waarin het onderzoek is uitgevoerd zo zeer afwijkt van de gemiddelde situatie, dat de raad zich bij het nemen van het bestreden besluit om die reden hierop niet in redelijkheid heeft kunnen baseren. Nu de in kaart gebrachte parkeerbehoefte in de nieuwe situatie ruimschoots lager ligt dan de hoeveelheid parkeerplaatsen die ter beschikking zal worden gesteld en niet aannemelijk is gemaakt dat in de huidige situatie een structureel tekort aan parkeerplaatsen in de omgeving bestaat, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ten gevolge van het plan geen parkeerproblemen zijn te verwachten. De Afdeling acht gelet hierop voldoende gemotiveerd waarom in dit geval met een kleiner aantal parkeerplaatsen kan worden volstaan dan hetgeen op basis van de CROW-richtlijn wordt aanbevolen. De enkele omstandigheid dat het parkeeronderzoek is uitgevoerd door Horizon, maakt het voorgaande niet anders.

2.9. [appellant sub 2] en anderen zijn bevreesd dat de waardevolle bomen die op het voorterrein staan ten gevolge van het plan niet gehandhaafd kunnen worden.

2.9.1. De raad stelt zich op het standpunt dat in het beeldkwaliteitsplan als uitgangspunt de handhaving van waardevolle bomen is opgenomen en dat hieraan wordt voldaan.

2.9.2. In het beeldkwaliteitsplan is als stedenbouwkundige randvoorwaarde opgenomen: "waardevolle bomen handhaven". Tussen partijen is niet in geschil dat op het gedeelte van het perceel grenzend aan de Voorburggracht waardevolle bomen staan. Ter zitting is door de vertegenwoordiger van de raad toegezegd dat de bomen zullen worden behouden. De vrees van [appellant sub 2] en anderen is derhalve ongegrond.

2.10. [appellant sub 1] voert aan dat zijn perceel kadastraal bekend nr. 4255 ten onrechte deel uitmaakt van het plan.

2.10.1. Het perceel kadastraal bekend nr. 4255 maakt deel uit van het plan. In het plan is daaraan de bestemming "Groen" toegekend. Ter zitting heeft de raad te kennen gegeven dat het perceel ten onrechte deel uitmaakt van het plan. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat dit onderdeel betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het beroep van [appellant sub 1] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op het plandeel met de bestemming "Groen" wat betreft het perceel kadastraal bekend nr. 4255 dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Gelet hierop herleeft de voorheen geldende bestemmingsregeling voor de desbetreffende gronden en behoeft in dit geval geen nieuw bestemmingsplan hiervoor te worden vastgesteld.

2.11. In hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit, afgezien van het onderdeel genoemd in 2.10.1, anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 2] en anderen is geheel en het beroep van [appellant sub 1] is voor het overige ongegrond.

2.12. De raad dient op na te melden wijze in de proceskosten van [appellant sub 1] te worden veroordeeld.

Ten aanzien van [appellant sub 2] en anderen bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 1 A] en [appellante sub 1 B] gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Langedijk van 12 juli 2011, voor zover dat ziet op het plandeel met de bestemming "Groen" wat betreft het perceel kadastraal bekend nr. 4255;

III. verklaart het beroep van [appellant sub 2] en anderen geheel en het beroep van [appellant sub 1 A] en [appellante sub 1 B] voor het overige ongegrond;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Langedijk tot vergoeding van bij [appellant sub 1 A] en [appellante sub 1 B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

V. gelast dat de raad van de gemeente Langedijk aan [appellant sub 1 A] en [appellante sub 1 B]het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.H. Nienhuis, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Nienhuis

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2012

466-673.