Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW6941

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-05-2012
Datum publicatie
30-05-2012
Zaaknummer
201103534/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 februari 2011 heeft het college aan de stichting Stichting Ruitersport Het Dennenduin een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een manege aan de Zuidlaan 51 te Bentveld, gemeente Zandvoort. Dit besluit is op 11 februari 2011 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet geurhinder en veehouderij
Wet geurhinder en veehouderij 2
Wet geurhinder en veehouderij 4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2012/5684
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/3011
JOM 2012/605
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201103534/1/A4.

Datum uitspraak: 30 mei 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], beiden wonend te Bentveld, gemeente Zandvoort,

en

het college van burgemeester en wethouders van Zandvoort,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 februari 2011 heeft het college aan de stichting Stichting Ruitersport Het Dennenduin een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een manege aan de Zuidlaan 51 te Bentveld, gemeente Zandvoort. Dit besluit is op 11 februari 2011 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 maart 2011, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellanten] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 mei 2012, waar [appellant A] en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Dur en M.T.M. Diependaal, beiden werkzaam bij de Milieudienst IJmond, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de stichting, vertegenwoordigd door M.L.K. Bisschops, verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in art. 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat de aanvraag om vergunning voor de inwerkingtreding van de Wabo is ingediend. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

2.2. [appellanten] betogen dat het college er ten onrechte van uitgaat dat de paddocks geen onderdeel uitmaken van de inrichting. Zij stellen dat het gebruik van de paddocks onaanvaardbare stankhinder veroorzaakt. Zij zijn van mening dat het college ten onrechte geen voorschriften aan de vergunning heeft verbonden ter beperking van stankhinder en het voorkomen van bodemverontreiniging en ter bestrijding van ongedierte vanwege het gebruik van de paddocks.

2.2.1. Blijkens de overwegingen van het bestreden besluit gaat het college ervan uit dat de paddocks bij een inrichting behoren indien deze dermate intensief worden gebruikt dat ze als dierenverblijf moeten worden aangemerkt en tevens een kans bestaat dat het gebruik daarvan relevante geuremissie veroorzaakt. Het college verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2003, nr. 200205703/1. Nu volgens het college het gebruik van de paddocks niet intensief is en evenmin relevante geuremissie veroorzaakt, is het college van mening dat de paddocks geen onderdeel uitmaken van de inrichting, zodat aan het gebruik daarvan geen voorschriften kunnen worden verbonden.

2.2.2. Blijkens de tekening van de inrichting van 26 augustus 2010, die bij de aanvraag om vergunning behoort, is vergunning gevraagd voor een inrichting met een zestal paddocks. Bij het bestreden besluit heeft het college vergunning verleend op basis van de ingediende aanvraag. In onderdeel 2 van het dictum van het besluit is bepaald dat de aanvraag en de tekening van 26 augustus 2010 deel uitmaken van de vergunning. Uit het vorenstaande volgt dat de paddocks deel uitmaken van de inrichting waarvoor vergunning is verleend.

De door het college gestelde omstandigheden dat de paddocks niet intensief worden gebruikt en dat dat gebruik geen relevante geurhinder veroorzaakt, kunnen hieraan niet afdoen. Deze omstandigheden zijn, wat daarvan ook zij, niet van belang voor de vraag of de paddocks bij de inrichting behoren. Evenmin is van belang de uitspraak van 16 juli 2003, waarnaar het college verwijst. In die uitspraak is slechts overwogen dat de in die zaak aan de orde zijnde paddock niet kan worden aangemerkt als een natuurlijk of mechanisch geventileerde stal, wat bepalend was voor de afstandmeting volgens de destijds geldende Richtlijn stankhinder en veehouderij.

2.3. Nu het college heeft miskend dat de paddocks tot de inrichting behoren, is het standpunt van het college dat aan de vergunning geen voorschriften ten aanzien van de paddocks konden worden verbonden, onjuist. Het bestreden besluit berust op dit punt op een onjuiste uitleg van het systeem van de Wet milieubeheer.

De beroepsgrond slaagt.

2.4. [appellanten] betogen voorts dat niet wordt voldaan aan de afstandseisen die zijn gesteld in de Wet geurhinder en veehouderij. Zij stellen in dit verband dat in ieder geval paddock nr. 1, gelet op het intensief gebruik daarvan, als dierenverblijf in de zin van de Wet geurhinder en veehouderij moet worden aangemerkt en dat het college de grens van de bebouwde kom onjuist heeft vastgesteld.

2.4.1. Artikel 2, eerste lid, van de Wet geurhinder en veehouderij bepaalt dat het bevoegd gezag bij een beslissing inzake de vergunning voor het oprichten en veranderen van een veehouderij de geurhinder door de geurbelasting vanwege tot veehouderijen behorende dierenverblijven uitsluitend betrekt op de wijze als aangegeven krachtens de artikelen 3 tot en met 9.

2.4.2. Niet in geschil is dat het hier gaat om een inrichting waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld. Gelet hierop zijn de afstandsnormen van artikel 4, eerste lid, van de Wet geurhinder en veehouderij van toepassing, zodat een afstand van 100 m geldt indien het geurgevoelig object binnen de bebouwde kom is gelegen en een afstand van 50 m indien het object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Ingevolge artikel 4 van de Regeling geurhinder en veehouderij wordt deze afstand gemeten vanaf de buitenzijde van het geurgevoelig object tot het dichtstbijzijnde emissiepunt van een dierenverblijf, dan wel - indien het dierenverblijf niet overdekt is - tot het punt van de begrenzing van het onoverdekte dierenverblijf dat het dichtst bij het desbetreffende geurgevoelig object is gelegen. Een dierenverblijf is ingevolge artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij een al dan niet overdekte ruimte waarbinnen dieren worden gehouden.

2.4.3. Blijkens aanvullende informatie die vergunninghouder in het kader van de aanvraag om vergunning heeft verstrekt, wordt paddock nr. 1 gedurende de zomer gebruikt door 10 tot 15 pony's die daar in de ochtend-, avond- en nachtperiode verblijven. Gelet op dit gebruik dient paddock nr. 1 als dierenverblijf in de zin van de Wet geurhinder en veehouderij te worden aangemerkt. Daarbij merkt de Afdeling op dat deze paddock niet als uitloop van een stal kan worden aangemerkt.

De overige paddocks worden blijkens de aanvullende informatie door maximaal twee paarden gedurende maximaal anderhalf uur en alleen overdag gebruikt. Gelet hierop kunnen de overige paddocks niet als dierenverblijf in de zin van de Wet geurhinder en veehouderij worden aangemerkt.

2.4.4. Gezien het voorgaande moet de afstand worden gemeten vanaf het punt van de begrenzing van paddock nr. 1 dat het dichtst bij het geurgevoelig object is gelegen.

Volgens het college bevinden de dichtstbijgelegen objecten zich buiten de bebouwde kom, zodat een afstand van ten minste 50 m moet worden aangehouden. De Afdeling overweegt hierover dat volgens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet geurhinder en veehouderij (Kamerstukken II 2005-2006, 30 453, nr. 3, p. 17-18) de bebouwde kom een gebied is dat door aaneengesloten bebouwing overwegend een woon- en verblijffunctie heeft en waarin veel mensen per oppervlakte-eenheid ook daadwerkelijk wonen of verblijven. De grens van de bebouwde kom wordt niet bepaald door de wegenverkeerswetgeving, maar evenals in de ruimtelijke ordening door de aard van de omgeving. Binnen een bebouwde kom is de op korte afstand van elkaar gelegen bebouwing geconcentreerd tot een samenhangende structuur.

De desbetreffende woningen liggen aan de rand van een villawijk in een bosachtige omgeving. De bebouwing vormt een samenhangende structuur binnen deze wijk. Gelet hierop en op de aard van de omgeving dienen de desbetreffende woningen te worden aangemerkt als woningen gelegen binnen de bebouwde kom. Dit betekent dat ingevolge artikel 4, tweede lid, van de Wet geurhinder en veehouderij een afstand van 100 m moet worden aangehouden.

De woning die het dichtst bij paddock nr. 1 is gelegen is het landhuis aan de Duinrooslaan 11. Volgens [appellanten] moet worden gemeten vanaf de buitenmuur van het gebouw die het dichtst bij paddock nr. 1 is gelegen. Volgens het college dient de afstand te worden bepaald vanaf het woonverblijf van het gebouw omdat het gedeelte van het gebouw dat niet voor bewoning wordt gebruikt geen geurgevoelig object is. De afstand bedraagt in beide gevallen evenwel minder dan 100 m, zodat in beide gevallen niet aan artikel 4, eerste lid, van de Wet geurhinder en veehouderij wordt voldaan.

De conclusie is dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 4, eerste lid, van de Wet geurhinder en veehouderij.

De beroepsgrond slaagt.

2.5. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit moet worden vernietigd.

2.6. Ingevolge artikel 4, derde lid, van de Wet geurhinder en veehouderij wordt een vergunning, in afwijking van het eerste lid, niet geweigerd indien de afstand tussen de veehouderij en het geurgevoelig object niet afneemt en het aantal dieren van één of meer diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld niet toeneemt.

Het bestreden besluit voorziet in een toename van het aantal paarden, zodat vergunningverlening op grond van het derde lid niet mogelijk is. Gelet voorts op het eerste lid en op artikel 2, eerste lid, had het college de gevraagde vergunning moeten weigeren. De Afdeling zal dienovereenkomstig in de zaak voorzien.

2.7. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zandvoort van 10 februari 2011;

III. weigert de gevraagde vergunning;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Zandvoort aan [appellanten] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van der Maesen de Sombreff

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2012

190.