Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW6926

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-05-2012
Datum publicatie
30-05-2012
Zaaknummer
201104496/1/T1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 januari 2005 heeft het college aan [appellante sub 2] een schadevergoeding toegekend van € 232.497,00, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 18 augustus 2003 tot de dag van uitbetaling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
O&A 2012/61
ABkort 2012/202
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201104496/1/T1/A2.

Datum uitspraak: 30 mei 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 49, zesde lid, van de Wet op de Raad van State op de hoger beroepen van:

1. het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

2. [appellante sub 2 A] en [appellante sub 2 B], beiden gevestigd te Hardenberg, en [appellante sub 2 C], gevestigd te Krim, (hierna gezamenlijk in enkelvoud: [appellante sub 2]),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 9 maart 2011 in zaak nr. 08/420 in het geding tussen:

[appellante sub 2]

en

het college.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 januari 2005 heeft het college aan [appellante sub 2] een schadevergoeding toegekend van € 232.497,00, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 18 augustus 2003 tot de dag van uitbetaling.

Bij besluit van 29 januari 2008 heeft het college het door [appellante sub 2] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en een verzoek om vergoeding van proceskosten afgewezen.

Bij uitspraak van 9 maart 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellante sub 2] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 29 januari 2008 vernietigd, het besluit van 4 januari 2005 herroepen en bepaald dat het college aan [appellante sub 2] een schadevergoeding toekent van € 290.458,40, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 31 juli 2002 tot de dag van uitbetaling. Voorts heeft de rechtbank het college veroordeeld in de door [appellante sub 2] in bezwaar en beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 2.173,50. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 april 2011, en [appellante sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 april 2011, hoger beroepen ingesteld. Het college heeft het hoger beroep aangevuld bij brief van 28 juni 2011. [appellante sub 2] heeft dat gedaan bij brief van 30 juni 2011.

Het college en [appellante sub 2] hebben verweerschriften ingediend.

[appellante sub 2] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 december 2011, waar het college, vertegenwoordigd door M. Mastenbroek, werkzaam bij Gedeputeerde Staten, bijgestaan door mr. B.S. ten Kate, advocaat te Arnhem, en [appellante sub 2], vertegenwoordigd door haar [directeuren], bijgestaan door mr. J.H. Hermsen, advocaat te Apeldoorn, vergezeld van dhr. H. Neumann, zijn verschenen.

Bij brief van 15 december 2011 heeft de Afdeling partijen medegedeeld dat het onderzoek in de zaak is heropend.

Bij brief van 15 februari 2012 heeft de Afdeling partijen in de gelegenheid gesteld om te reageren op een deskundigenbericht dat de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: StAB) in zaak nr. 201100552/1/A2 heeft uitgebracht. Het college heeft bij brief van 9 maart gereageerd. [appellante sub 2] heeft dat bij brieven van 30 maart en 6 april 2012 gedaan.

Met toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gelaten, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 26 januari 1999 heeft het college het Procedurebesluit nadeelcompensatie inzake de verbetering van de N343 provinciale weg Oldenzaal-Slagharen, wegvak traverse Hardenberg en Rijksweg N34 Zwolle-Coevorden, wegvak Hardenberg (hierna: het Procedurebesluit) vastgesteld.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, voor zover thans van belang, kennen gedeputeerde staten degene die schade lijdt, of zal lijden, als gevolg van de door gedeputeerde staten opgedragen verbetering van de N343 provinciale weg Almelo-Slagharen, wegvak traverse Hardenberg en rijksweg N34 Zwolle-Coevorden, wegvak Hardenberg, op zijn verzoek een vergoeding toe, voor zover de schade redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, voor zover thans van belang, dient de commissie gedeputeerde staten van advies over de op het verzoek te nemen beslissing.

2.2. Het college heeft op 2 februari 1999 het voorstel tot verbetering van de N343 vastgesteld. Op grond van dit voorstel heeft een reconstructie plaatsgevonden van het kruispunt N343-N34, waarbij de voorheen gelijkvloerse kruising is verbouwd tot een ongelijkvloerse kruising en waarbij de N34 ter plaatse van de kruising door een tunnelbak loopt. Daarbij heeft tevens een aanpassing van de N343 plaatsgevonden waarbij deze is omgebouwd van een weg met 2x1 stroken naar een weg met 2x2 stroken. Daarnaast is ter hoogte van de bedrijfslocatie van [appellante sub 2] op de N343 een niet oversteekbare middengeleider aangebracht. De uitvoering van de wijziging van het kruispunt is gestart in januari 2000 en heeft geduurd tot en met mei 2002.

2.3. [appellante sub 2] exploiteert op een perceel aan de [locatie] te Hardenberg een tankstation met shop en wasstraat, een garagebedrijf en een showroom. [appellante sub 2] heeft op 31 juli 2002 een verzoek om nadeelcompensatie ingediend, omdat zij schade stelt te hebben geleden als gevolg van de verbetering van weggedeelten N343 en de N34 ter hoogte van Hardenberg.

2.4. Het college heeft het verzoek ter advisering voorgelegd aan de commissie, die op 29 november 2004 een rapport heeft uitgebracht. Het college heeft dit rapport aan het besluit van 4 januari 2005 ten grondslag gelegd.

Naar aanleiding van het door [appellante sub 2] gemaakte bezwaar en daarbij overgelegde rapport van vof DTZ Zadelhoff Taxaties heeft de commissie op 18 juni 2007 op verzoek van het college een nader rapport uitgebracht. Het college heeft dit rapport mede aan het besluit van 29 januari 2008 ten grondslag gelegd.

De rechtbank heeft de StAB als deskundige benoemd, die haar op 22 januari 2010 bericht heeft uitgebracht. De rechtbank heeft dit bericht mede aan de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegd.

Brandstoffen

2.5. [appellante sub 2] stelt dat als gevolg van de wegwerkzaamheden ten behoeve van de reconstructie derving van de brutomarge afzet van brandstoffen tijdens de periode van 1 april 2000 tot en met 31 december 2002 heeft plaatsgevonden. Daarnaast stelt [appellante sub 2] dat vanaf 1 januari 2003 als gevolg van de gewijzigde verkeerssituatie sprake is van derving van toekomstige brutomarge afzet van brandstoffen.

Het college heeft op advies van de commissie de schade voor de jaren 2000-2002 vastgesteld op € 109.536,00, de schade voor 2003 op € 33.826,00 en de schade door derving van de toekomstige brutomarge op brandstoffen op € 169.130,00.

2.6. [appellante sub 2] betoogt, met verwijzing naar een rapport van De Jong & Laan van 22 november 2011, dat de rechtbank de vaststelling van deze schadebedragen door het college ten onrechte heeft onderschreven, omdat het college bij de berekening ten onrechte uitgaat van de gemiddelde afzet in de jaren 1997-1999, waardoor voor wat betreft de toekomstige derving is uitgegaan van een te laag geprognosticeerde afzet. [appellante sub 2] stelt dat het jaar 1997 niet representatief was vanwege een forse accijnsverhoging. Bovendien is geen rekening gehouden met het feit dat het tankstation vanaf 1 november 1998 ook op zondagen is geopend. Daarnaast dient volgens [appellante sub 2] ook rekening te worden gehouden met de gemiste afzet die na het sluiten in mei 2000 van het tankstation nabij Coevorden zou zijn gerealiseerd. Verder blijkt uit de aangeleverde gegevens dat sprake is van een jaarlijkse stijging van de afzet van de brandstof.

2.7. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 18 juni 2008 in zaak nr. 200707715/1), en anders dan de rechtbank heeft overwogen, mag het college bij zijn besluit op een verzoek om nadeelcompensatie in beginsel van het advies van de deskundige uitgaan, indien uit dat advies op objectieve en onpartijdige wijze blijkt welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van dat advies naar voren zijn gebracht.

Indien de rechtbank aanleiding ziet om de StAB in te schakelen, dient de StAB haar visie te geven op die punten van het door het college aan zijn besluit ten grondslag gelegde deskundigenrapport, waarover bij de rechtbank kennelijk vragen zijn.

2.8. De StAB heeft de rechtbank bericht dat de commissie de gebruikelijke methode voor berekening van de schade heeft gehanteerd door van de gemiddelde afzet in de jaren 1997-1999 uit te gaan. Het schadebedrag voor de periode 2000 tot en met 2003 is gebaseerd op een vergelijking van de gerealiseerde afzet in die jaren en de gemiddelde afzet in de referentieperiode. Voorts acht de StAB het aanvaardbaar dat de commissie voor wat betreft toekomstige derving is uitgegaan van het jaar 2003.

De stelling van [appellante sub 2] dat de commissie heeft miskend dat het jaar 1997 niet zou mogen meetellen in de referentieperiode, omdat dit jaar niet representatief zou zijn, faalt. De StAB heeft geconstateerd dat de commissie een correctie heeft toegepast voor de periode juli tot en met november 1997 in verband met de accijnsverhoging per 1 juli 1997. Voorts heeft de commissie de zondagopenstelling van het tankstation bij haar advies in aanmerking genomen. Volgens de StAB heeft de commissie terecht gesteld dat de zondagopenstelling pas in november 1998 heeft plaatsgevonden, zodat deze factor het verschil in afzet tussen 1997 en 1998 niet kan verklaren.

De StAB heeft verder geconstateerd dat de commissie rekening heeft gehouden met de markttrend. De commissie heeft bij de berekening van de schade in de jaren 2000 tot en met 2003 rekening gehouden met een verschuiving van de aandelen benzine, diesel en LPG binnen de totale afzet van brandstoffen en heeft op basis van CBS gegevens een marktcorrectie toegepast.

De commissie heeft bij de vaststelling van de schade de mogelijke invloed van de sluiting in 2000 van een voormalig Shell-tankstation nabij de N34 te Coevorden en van de vestiging in 2003 van een Tango tankstation op het bedrijventerrein ten noordwesten van het kruispunt N34/343 buiten beschouwing gelaten. De StAB acht dit niet onjuist, omdat het externe omgevingsfactoren zijn waarvan er mogelijk meer zijn in positieve en negatieve zin, en waarvan de invloed moeilijk is in te schatten.

De StAB heeft geconcludeerd dat de commissie, rekening houdend met alle genoemde factoren, terecht en conform de gebruikelijke methode is uitgegaan van een gemiddelde afzet in de referentieperiode en niet van de stijgende lijn dan wel de prognoses waar [appellante sub 2] van uitgaat. Daarbij heeft de StAB in aanmerking genomen dat de komst van het onbemande tankstation Tango onderdeel uitmaakt van een markontwikkeling waarmee [appellante sub 2] in de periode vanaf 2000/2003 te maken heeft gekregen, waardoor de brandstofmarges voor exploitanten steeds krapper zijn geworden. Voorts heeft de StAB in aanmerking genomen dat sinds 2001 stagnatie in de economische ontwikkeling optrad die eveneens weerslag moet hebben gehad op de afzet.

De rechtbank heeft in het betoog van [appellante sub 2], het bericht van de StAB in aanmerking nemend, terecht geen concrete aanknopingspunten gezien voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het rapport van de commissie.

Het betoog faalt.

2.9. [appellante sub 2] voert aan dat de rechtbank heeft miskend dat de commissie de besparing van de variabele kosten onjuist heeft berekend, omdat de commissie die heeft gebaseerd op het gemiddelde van de jaren 1998 en 1999. [appellante sub 2] stelt dat variabele kosten tegen een variabel gegeven, in dit geval de verkochte liters, moeten worden afgezet en dat niet van absolute gegevens moet worden uitgegaan.

2.10. De commissie heeft gesteld dat de variabele kosten niet volledig afhankelijk zijn van de omzet in liters, nu de hoogte van de kosten van de benzineacties bijvoorbeeld ook wordt bepaald door het gedrag van de exploitant van een tankstation en mede afgestemd zal zijn op het gedrag van de exploitanten van andere, nabijgelegen tankstations. Gelet op deze overwegingen, die niet onbegrijpelijk zijn, en waarin de StAB zich ook kan vinden, heeft de rechtbank in het betoog van [appellante sub 2] terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de commissie er ten onrechte voor heeft gekozen om het gemiddelde van de variabele kosten in de referentieperiode 1998-1999 als uitgangspunt te nemen.

Het betoog faalt.

Shop

2.11. [appellante sub 2] stelt dat als gevolg van de wegwerkzaamheden ten behoeve van de reconstructie derving van de brutomarge omzet van de shop tijdens de periode van 1 april 2000 tot en met 31 december 2002 heeft plaatsgevonden. Daarnaast stelt zij dat vanaf 1 januari 2003 als gevolg van de gewijzigde verkeerssituatie sprake is van derving van de toekomstige brutomarge omzet van de shop.

Het college heeft, in navolging van de commissie, de schade voor 2000-2002 vastgesteld op € 38.560,00, de schade voor 2003 op € 9.887,00 en de schade door derving van de toekomstige brutomarge op de shopomzet op € 49.435,00.

2.12. [appellante sub 2] betoogt, met verwijzing naar een rapport van De Jong & Laan van 22 november 2011, dat de rechtbank heeft miskend dat de commissie de schade als gevolg van de omzetdaling van de shop te laag heeft vastgesteld. Dit lage schadebedrag vloeit volgens hem voort uit het feit dat de commissie de geschatte derving van de brandstoffen op onjuiste wijze heeft berekend. Aangezien derving van de brutomarge op de omzet van de shop door de commissie is gerelateerd aan het aantal gederfde liters, kan [appellante sub 2] zich om die reden ook niet verenigen met de berekening van derving van de brutomarge op de omzet van de shop.

2.13. Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.8. is overwogen, bestaat geen grond voor het oordeel dat de commissie de geschatte derving van de brutomarge op de brandstoffen ten onrechte heeft gebaseerd op de gemiddelde afzet in liter brandstof in de referentieperiode 1997-1999. Nu ook de StAB heeft geconcludeerd dat de berekeningen van de commissie ter zake van de brutomarge omzet van de shop haar niet onredelijk voorkomen, biedt het betoog van [appellante sub 2] geen concreet aanknopingspunt voor twijfel aan de juistheid van het advies van de commissie.

Het betoog faalt.

Wasstraat

2.14. [appellante sub 2] stelt dat als gevolg van de wegwerkzaamheden ten behoeve van de reconstructie derving van de brutomarge inkomsten uit het gebruik van de wasstraat tijdens de periode van 1 april 2000 tot en met 31 december 2002 heeft plaatsgevonden. Verder stelt zij dat vanaf 1 januari 2003 als gevolg van de gewijzigde verkeerssituatie sprake is van derving van toekomstige brutomarge inkomsten van de wasstraat.

Het college heeft zich op advies van de commissie op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is geworden dat schade is of zal ontstaan door derving van brutomarge inkomsten uit de wasstraat.

2.15. [appellante sub 2] voert aan dat de rechtbank het standpunt van het college ten onrechte heeft onderschreven. [appellante sub 2] stelt dat de commissie heeft miskend dat er wel degelijk sprake is van omzetderving en wijst op een daling van het aantal wassingen dat heeft plaatsgevonden. Uitgaande van een jaarlijkse stijging van het aantal personenauto's in de periode 1997-2003, de sluiting van een tweetal wasserijen en de realisatie van de woonwijk Marslanden, zou volgens [appellante sub 2] daarentegen stijging van het aantal wassingen voor de hand hebben gelegen. Dat die stijging achterwege is gebleven, is volgens [appellante sub 2] te wijten aan de verminderde bereikbaarheid en zichtbaarheid vanaf de N34, waardoor het aantal klanten van het tankstation is afgenomen. [appellante sub 2] wijst in dit verband nog op het rapport van De Jong & Laan van 22 november 2011.

2.16. De commissie heeft haar standpunt dat er wat betreft de wasstraat geen derving van de brutomarge als gevolg van de werkzaamheden dan wel reconstructie heeft plaatsgevonden, gemotiveerd met een verwijzing naar de winst- en verliesrekeningen van 1998 tot en met 2001. Hieruit heeft de commissie afgeleid dat zowel de netto omzet van de wasstraat als de bruto marge in de jaren 2000 en 2001 zijn gestegen ten opzichte van de referentieperiode. Nu in de schadeperiode derhalve geen daling maar een stijging van de omzet heeft plaatsgevonden, is ook niet aannemelijk dat in de periode daarna toekomstige derving als gevolg van de reconstructie heeft plaatsgevonden.

De StAB kan zich hierin vinden en heeft voorts toegelicht dat de relatie tussen de afzet in liters brandstof en de omzet van de wasstraat niet sterk is, omdat het verkeer op het provinciale wegennet doorgaans nauwelijks gebruik maakt van de gelegenheid om naast een tankbeurt ook de auto te laten wassen. De wasstraat is voor de vaste klantenkring, die zich volgens de StAB in Hardenberg bevindt, nog steeds goed te bereiken, hetgeen ook blijkt uit de stijging van de omzet in de periode van de werkzaamheden en de reconstructie. In 2000, het jaar dat de werkzaamheden zijn begonnen, was het aantal wassingen zelfs hoger dan in de voorgaande jaren 1998 en 1999. Dit zou verklaard kunnen worden door de sluiting van de wasserij Reinders/Autodrome die in dat jaar heeft plaatsgevonden. Dit verklaart echter niet waarom in 1999, toen dat bedrijf nog niet was gesloten en de werkzaamheden nog niet waren begonnen, het aantal wassingen ten opzichte van 1998 is afgenomen. Deze daling is ook niet in overeenstemming met de door [appellante sub 2] gebruikte prognoses, gebaseerd op de stijging van het aantal personenauto's in Nederland, omtrent het aantal wassingen dat gerealiseerd had kunnen worden, aldus de StAB. De rechtbank heeft in het betoog van [appellante sub 2] terecht geen concreet aanknopingspunt gezien voor twijfel aan de juistheid van het advies van de commissie.

Het betoog faalt.

Garagebedrijf

2.17. [appellante sub 2] stelt dat als gevolg van de wegwerkzaamheden ten behoeve van de reconstructie derving van de brutomarge inkomsten uit het gebruik van het garagebedrijf tijdens de periode van 1 april 2000 tot en met 31 december 2002 heeft plaatsgevonden. Daarnaast stelt zij dat vanaf 1 januari 2003 als gevolg van de gewijzigde verkeerssituatie sprake is van derving van toekomstige brutomarge inkomsten van het gebruik van het garagebedrijf.

Het college heeft zich in navolging van het advies van de commissie op het standpunt gesteld dat niet is aangetoond dat in de periode van de werkzaamheden schade is opgetreden door derving van genoemde brutomarge. Om die reden sluit het college ook derving van de toekomstige brutomarge uit.

2.18. [appellante sub 2] voert aan dat de rechtbank, door dit standpunt te volgen, heeft miskend dat wel omzetderving is opgetreden. Zij stelt, met verwijzing naar het rapport van De Jong & Laan van 22 november 2011, dat de verkoopmogelijkheden van auto's door de sterk verminderde zichtlocatie negatief zijn beïnvloed.

2.19. De commissie heeft haar standpunt dat wat betreft het garagebedrijf geen derving van brutomarge heeft plaatsgevonden, gemotiveerd met een verwijzing naar de winst- en verliesrekeningen van 1998 tot en met 2001 en naar informatie over het aantal door [appellante sub 2] verkochte nieuwe en gebruikte auto's en naar informatie van BOVAG-RAI over de landelijke cijfers daaromtrent. De commissie heeft gesteld dat blijkens de informatie van BOVAG-RAI bij [appellante sub 2] in 2000 en 2001 een grotere afname van nieuwe auto's laat zien dan landelijk bij Mitsubishi het geval was. Ook de verkoop van gebruikte auto's heeft zich in 2001 en 2002 bij [appellante sub 2] relatief beter ontwikkeld dan bij vergelijkbare bedrijven, aldus de commissie. De StAB kan zich vinden in het standpunt van de commissie dat de verminderde zichtbaarheid er aldus niet toe heeft geleid dat er in die jaren minder klanten zijn gekomen. Een indicatie dat de verminderde zichtlocatie geen gevolgen heeft gehad, kan volgens de StAB ook worden afgeleid uit het feit dat de omzet van de werkplaats van de garage in de onderzochte jaren is gestegen. De rechtbank heeft in het betoog van [appellante sub 2] daarom terecht geen grond voor twijfel aan de juistheid van het advies van de commissie gezien.

Het betoog faalt.

Herinvesteringskosten - aanpassingen terrein

2.20. [appellante sub 2] stelt als gevolg van de werkzaamheden dan wel de reconstructie genoodzaakt te zijn geweest haar terrein anders in te richten. De herinvesteringkosten die in dat verband zijn gemaakt, moeten volgens [appellante sub 2] worden toegerekend aan de reconstructie van het kruispunt en dienen dan ook te worden vergoed.

2.21. Anders dan [appellante sub 2] aanvoert, heeft het college zich op advies van de commissie op het standpunt kunnen stellen dat de gemaakte kosten voor rekening van [appellante sub 2] behoren te blijven. [appellante sub 2] stelt dat een nieuw in/uitrit nodig was in verband met de realisatie van de middengeleider op de Haardijk ter hoogte van het tankstation. Er bestaat evenwel geen rechtstreeks causaal verband tussen de realisering van de ongelijkvloerse uitvoering en de herinrichting van het terrein. De aanleg van de middengeleider was ook mogelijk zonder aanpassing van het kruispunt, nu in de oude situatie sprake was van een gelijkvloerse kruising van drukke provinciale wegen en het tankstation van [appellante sub 2] op korte afstand van dit kruispunt is gelegen.

Het betoog faalt.

Gebruik pand Varwijk - rente verlies showroom

2.22. [appellante sub 2] stelt dat zij een deel van het pand Varwijk niet als showroom heeft kunnen gebruiken in de periode 1998-2000 en dat de schade die zij hierdoor heeft geleden voor vergoeding in aanmerking komt.

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de gestelde schade niet voor vergoeding in aanmerking komt.

2.23. [appellante sub 2] voert aan dat de rechtbank, door dit standpunt te volgen, heeft miskend dat zij het pand ten behoeve van showroomdoeleinden heeft aangekocht, maar vanwege uitlatingen van de kant van de provincie in eerste instantie niet heeft verbouwd. Hierdoor was het gebouw enige tijd niet geschikt als showroom en heeft zij renteverlies geleden.

2.24. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de gestelde schade niet voor vergoeding in aanmerking komt. Eventuele vermogensschade was voorzienbaar omdat [appellante sub 2] vanaf 1995 bekend was met het voornemen van de provincie om het kruispunt nabij hun bedrijfsvestiging te gaan reconstrueren en de aankoop van het pand op 17 november 1997 heeft plaatsgevonden. Voorts kan eventuele schade die als gevolg van het niet direct verbouwen tot showroom kan zijn opgetreden, zoals de StAB terecht stelt, niet worden toegeschreven aan de werkzaamheden en de reconstructie. Deze schade is veeleer, zoals [appellante sub 2] zelf heeft gesteld, het gevolg van een waarschuwing van de provincie.

Het betoog faalt.

Kapitalisatiefactor

2.25. Het college heeft zich op advies van de commissie op het standpunt gesteld dat bij de vaststelling van toekomstige inkomensschade kapitalisatiefactor 6 moet worden toegepast.

De rechtbank heeft, in navolging van de StAB, overwogen dat de commissie bij de toepassing van de kapitalisatiefactor is uitgegaan van een schadeperiode van acht jaar en aldus feitelijk kapitalisatiefactor 7 heeft toegepast, een factor die in de onteigeningspraktijk wordt gehanteerd voor huurders en ook overeenkomt met de sterkte van het recht van [appellante sub 2], omdat hij weliswaar eigenaar is van het tankstation en de ondergrond, maar voor de toelevering van brandstoffen afhankelijk is van contracten met derden. Dat kan volgens de StAB worden afgeleid uit het feit dat [appellante sub 2] min of meer gedwongen akkoord is gegaan met voor hem minder voordelige leveringscontracten.

2.26. [appellante sub 2] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college bij de berekening van de inkomensschade kapitalisatiefactor 10 had moeten toepassen. Daartoe stelt zij dat haar positie moet worden gelijkgesteld met die van een eigenaar, nu zij zowel eigenaar is van de ondergrond van het tankstation als van de bij het tankstation behorende opstallen en installaties. In reactie op het bericht van de StAB in zaak nr. 201100552/1/A2, waarin de StAB toepassing van kapitalisatiefactor 7 adviseert, stelt zij dat haar positie niet vergelijkbaar is met die van de eigenaar van een tankstation in de genoemde zaak, omdat in dat geval de Staat eigenaar is van de ondergrond van het tankstation en de ondernemer huurder is van deze gronden op basis van een privaatrechtelijke vergunning. Voorts heeft de tijdelijkheid van haar leveringscontracten geen invloed op de continuïteit van het bedrijf. Daarbij komt dat het college in navolging van de StAB op geen enkele wijze heeft onderbouwd dat sprake zou zijn van beëindiging van een leveringsovereenkomst en dat dit bovendien ook hoogst onwaarschijnlijk is.

2.27. Anders dan in zaak nr. 201100552/1/A2, zie de uitspraak van de Afdeling van 16 mei 2012, kan in dit geval toepassing factor 7 niet worden gebaseerd op het feit dat [appellante sub 2] de ondergrond van het benzinestation huurt en derhalve over een minder sterk recht beschikt, omdat [appellante sub 2] eigenaar is van de ondergrond, alsmede van de opstallen en installaties, die zich daarop bevinden. [appellante sub 2] betoogt voorts terecht dat toepassing van een voor een eigenaar gebruikelijk lagere kapitalisatiefactor niet kan worden gebaseerd op de afhankelijkheid van met oliemaatschappijen gesloten leveringscontracten. Bij een eventuele beëindiging van die contracten zal elke redelijk handelende ondernemer contracten met andere, nieuwe leveranciers sluiten. In zoverre is er evenmin grond om aan te nemen dat die omstandigheid leidt tot een beperking van de duur van het gebruiksrecht. In dit geval dient derhalve de voor een eigenaar gebruikelijke kapitalisatiefactor 10 te worden toegepast voor de berekening van de omvang van de inkomensschade. Dit laat onverlet dat alleen onevenredige schade die voortvloeit uit de verbetering van weggedeelten N343 en N34 ter hoogte van Hardenberg voor vergoeding in aanmerking komt, zoals blijkt uit hetgeen onder 'normaal maatschappelijk risico' wordt overwogen.

Het betoog slaagt.

2.28. De Afdeling zal hieronder bepalen dat het college in een nieuw te nemen beslissing op bezwaar de omvang van de door [appellante sub 2] geleden inkomensschade opnieuw met toepassing van factor 10 dient vast te stellen.

Normaal ondernemersrisico

2.29. Het college heeft zich in navolging van de commissie op het standpunt gesteld dat de nadelige gevolgen en belemmeringen van tijdelijk wegonderhoud in beginsel voor rekening van [appellante sub 2] behoren te blijven. Omdat in het onderhavige geval de onderneming van [appellante sub 2] gedurende langere periode gehinderd is door wegwerkzaamheden en bovendien na afronding van de werkzaamheden de verkeerssituatie ter plaatse is gewijzigd, is het college van oordeel dat een vergoeding van schade gerechtvaardigd is, waarbij een aftrek van 40% wegens normaal ondernemersrisico dient plaats te vinden.

2.30. De rechtbank heeft in navolging van de StAB overwogen dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in dit geval een aftrek op de tegemoetkoming van 40% wegens normaal ondernemersrisico in de rede ligt. De rechtbank heeft na vernietiging van het besluit van 29 januari 2008 zelf in de zaak voorzien en, voor zover hier van belang, bij de berekening van de schade in navolging van het bericht van de StAB een minder hoge aftrek van 30% wegens normaal ondernemersrisico toegepast.

2.31. Het college voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten om de gehanteerde aftrek van 40% marginaal te toetsen.

[appellante sub 2] betoogt dat de rechtbank, na vernietiging van het besluit van 29 januari 2008, ten onrechte in navolging van de StAB een minder hoge aftrek van 30% heeft toegepast. [appellante sub 2] voert aan dat de aanleg van een tunnelbak niet was te wachten, temeer niet nu het college ten aanzien van het eerstvolgende kruispunt bij Witte Paal heeft gekozen voor een rotonde. Bovendien wist het college volgens [appellante sub 2] al vóór aanvang van de werkzaamheden dat de werkelijk te verwachten toename van de verkeersintensiteit de aanleg van de tunnelbak niet kon rechtvaardigen.

2.32. In dit geval is sprake van een verzoek om nadeelcompensatie, waarbij alleen aanspraak is op vergoeding van onevenredige, dat wil zeggen buiten het normaal ondernemrsrisico vallende schade. Hoe groot het normaal ondernemersrisico is, moet worden bepaald met inachtneming van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval. Van belang kunnen hierbij onder meer zijn de aard van de overheidshandeling en de aard en de omvang van de toegebrachte schade. Naarmate een bestuursorgaan een hoger percentage als normaal ondernemersrisico op de tegemoetkoming in mindering brengt, geldt dat er zwaardere eisen aan de motivering worden gesteld.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 14 juli 2004 in zaak nr. 200306296/1), geldt als uitgangspunt dat het treffen van een verkeersmaatregel als een normale maatschappelijke ontwikkeling moet worden beschouwd, waarmee eenieder kan worden geconfronteerd en waarvan de nadelige gevolgen in beginsel voor rekening van de daardoor getroffenen mogen worden gelaten. Dit neemt niet weg dat zich feiten en omstandigheden kunnen voordoen waardoor een individueel belang ten gevolge van een dergelijke maatregel zodanig zwaar wordt getroffen, dat het uit die maatregel voortvloeiende nadeel redelijkerwijs niet ten laste van betrokkene dient te blijven.

2.33. Het college heeft op advies van de commissie een aftrek van 40% wegens normaal ondernemersrisico gehanteerd, hetgeen als hoog moet worden aangemerkt. Aan de hantering van dat percentage is ten grondslag gelegd dat het exploiteren van een tankstation aan een provinciale weg met zich brengt dat rekening gehouden moet worden met de omstandigheid dat de bereikbaarheid zo nu en dan minder is vanwege wegonderhoud. Voorts stelt het college dat sprake is van normaal weghoud dat [appellante sub 2] ook voordeel oplevert, dat het bedrijf gedurende de werkzaamheden steeds bereikbaar geweest, dat de omzet ook beïnvloed moet zijn voor de naburige vestiging van een Tango-station en dat de schade slechts het gevolg is van feitelijke wegwerkzaamheden.

[appellante sub 2] heeft de aan de gehanteerde aftrek ten grondslag gelegde motivering in beroep bestreden. De rechtbank heeft hierop aanleiding gezien om de juistheid van deze aftrek ter toetsing voor te leggen aan de StAB. Anders dan het college aanvoert, bestaat geen grond voor het oordeel dat de StAB de motivering van de gehanteerde aftrek slechts marginaal mocht toetsen.

2.34. De StAB heeft de rechtbank bericht dat [appellante sub 2] terecht aanvoert dat de reconstructie niet als normaal wegonderhoud kan worden aangemerkt, nu de situatie ter plaatse van het kruispunt ingrijpend is gewijzigd en het college bovendien aanleiding heeft gezien om het Procedurebesluit vast te stellen. Voorts stelt de StAB dat de aanwezigheid van het tankstation Tango vanaf 2003, zoals [appellante sub 2] terecht stelt, niet dient te worden betrokken bij de vraag welk ondernemersrisico moet worden aangehouden. Verder kan de StAB, evenals [appellante sub 2], het door de commissie gestelde argument dat de schade niet het gevolg is van een verkeersbesluit, maar van feitelijke werkzaamheden, niet volgen.

Gelet op het bericht van de StAB aan de rechtbank, waarin de Afdeling zich kan vinden, moet worden geoordeeld dat het college, in navolging van de commissie, de gehanteerde aftrek van 40% wegens normaal ondernemersrisico niet voldoende toereikend heeft gemotiveerd en deze hoge aftrek daarom niet in redelijkheid heeft mogen hanteren. De Afdeling merkt in dit verband op dat de mogelijke gevolgen van de vestiging van het tankstation Tango op de omzet, wat daarvan ook zij, losstaan van de vraag in hoeverre de gevolgen van de onderhavige reconstructie al dan niet buiten het normale ondernemersrisico vallen. De rechtbank heeft het besluit van 29 januari 2008 terecht wegens een motiveringsgebrek vernietigd.

2.35. De StAB heeft de rechtbank tevens bericht dat sprake is van een onderneming waarvan de exploitatiemogelijkheden in het bijzonder die van het tankstation, in hoge mate bepaald worden door de aanwezigheid van infrastructuur en het gebruik mogen maken van deze infrastructuur. Die onderneming dient er rekening mee te houden dat door de overheid maatregelen aan de infrastructuur worden genomen. Voorts lag in de rede dat de gelijkvloerse kruising uit een oogpunt van verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid op den duur niet meer zou voldoen. De stelling van [appellante sub 2] dat de reconstructie is uitgevoerd op basis van onjuiste verkeersprognoses, wat daarvan verder ook zij, kan dat niet anders maken. De reconstructie is niet alleen op basis van verkeersprognoses uitgevoerd, maar ook met het oog op een veilige verkeersafwikkeling. Gezien de autonome groei van het autoverkeer en het feit dat sprake was van een gelijkvloerse kruising van provinciale wegen nabij een bebouwde kom, lag een reconstructie in de lijn der verwachtingen. Verder is niet ongebruikelijk dat ten behoeve van de verkeersveiligheid bij een druk kruispunt met verkeerslichten middengeleiders worden aangebracht. Deze maatregelen hadden ook zonder de reconstructie kunnen worden genomen. De wijze waarop de af- en opritten aan de noordzijde van de N34 zijn gerealiseerd waren in veel mindere mate te verwachten. Door deze wijze van uitvoering zijn de af- en opritten op grotere afstand van het bedrijf komen te liggen dan wanneer ze op dezelfde wijze zouden zijn aangelegd als de af- en opritten aan de zuidzijde van de N34, aldus de StAB.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de StAB aldus voldoende gemotiveerd aangegeven waarom zij op basis van haar kennis en ervaring van oordeel is dat in dit geval een aftrek van een minder hoog percentage van 30% wegens normaal ondernemersrisico in de rede ligt. Er is geen grond voor het oordeel dat de rechtbank, na vernietiging van het besluit van 29 januari 2008, ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid om met toepassing van deze aftrek, die de Afdeling in dit geval niet kennelijk onredelijk acht, zelf in de zaak te voorzien.

De betogen van [appellante sub 2] en het college falen.

Vermogensschade

2.36. [appellante sub 2] stelt naast inkomensschade ook schade te hebben geleden als gevolg van de waardedaling van haar onroerende zaken door de reconstructie. [appellante sub 2] heeft ter motivering daarvan in de bezwaarfase een rapport van vof DTZ Zadelhoff Taxaties overgelegd. Daarin is de waardevermindering van het tankstation inclusief wasstraat vastgesteld op € 1.060.000,00, de waardevermindering van het garagebedrijf op € 50.000,00.

Het college heeft dit rapport aan de commissie voorgelegd, die op 18 juni 2007 een nader rapport heeft uitgebracht. De commissie heeft geen aanleiding gezien om naast vergoeding van inkomensschade een vergoeding voor eventuele waardedaling van het tankstation toe te kennen, omdat met de vergoeding van de inkomensschade naar haar oordeel alle schade, derhalve ook eventuele vermogensschade, is vergoed. De commissie heeft op basis van de door vof DTZ Zadelhoff Taxaties gebruikte methode een gecorrigeerde berekening van de vermogensschade gemaakt. De aldus berekende vermogensschade is weliswaar groter dan de aanvankelijk berekende inkomensschade, maar het verschil tussen de berekeningen is volgens de commissie niet zodanig groot dat een aanvullende schadevergoeding in de rede ligt. Het college heeft dit nadere advies mede aan het besluit van 29 januari 2008 ten grondslag gelegd.

De StAB heeft de rechtbank desgevraagd bericht dat zij zich kan vinden in de berekeningen van de commissie. De waarde van een tankstation hangt in hoge mate af van de exploitatiemogelijkheden daarvan en deze worden weer grotendeels bepaald door de locatie. Derhalve ligt het in de rede, gelijk de commissie heeft gedaan, eerst de omvang van de inkomensschade te beoordelen. Bij de bepaling van de hoogte van de te vergoeden vermogensschade dient vervolgens te worden bezien in hoeverre vermogensschade die op de peildatum is ontstaan niet reeds is verdisconteerd in de gekapitaliseerde inkomensvergoeding. Pas als blijkt dat dit niet of niet geheel het geval is, kan het deel dat niet verdisconteerd, worden aangemerkt als vermogensschade. Deze dient naast inkomensschade voor vergoeding in aanmerking te komen. Anders dan het college acht de StAB het redelijk om het verschil tussen de beide berekeningen, te weten een bedrag van € 26.851,00, voor vergoeding in aanmerking te laten komen. Daarop moet volgens de StAB nog wel een aftrek vanwege normaal ondernemersrisico worden toegepast.

De rechtbank heeft in navolging van de StAB bepaald dat het college aan Mastbroek voormeld bedrag, met een aftrek vanwege normaal ondernemersrisico, aanvullend dient te vergoeden.

2.37. [appellante sub 2] voert aan dat de rechtbank, na vernietiging van het besluit van 29 januari 2008, de te vergoeden schade te laag heeft vastgesteld en verwijst daartoe naar het rapport van vof DTZ Zadelhoff Taxaties en naar een reactie van mr. J.J. van de Gouw van 19 april 2010 op het bericht van de StAB.

2.38. Voor zover [appellante sub 2] betoogt dat de waardevermindering van het pand Varwijk (showroom II) niet voorzienbaar was, omdat op het moment van aankoop van het pand Varwijk niet bekend was dat het college zou kiezen voor de "zware variant" van een tunnelbakaanleg, slaagt dit niet. Zoals de Afdeling ook eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 27 december 2006 in zaak nr. 200605120/1 is voor het aannemen van risicoaanvaarding niet vereist dat verwezenlijking van de schadeveroorzakende overheidsmaatregel volledig en onherroepelijk vast staat. Evenmin is vereist dat de schadeveroorzakende maatregel in detail is uitgewerkt of dat de omvang van de nadelige gevolgen in nauwkeurigheid kan worden bepaald. Beslissend is of op het moment van de aankoop van het pand de mogelijkheid van de schadeveroorzakende overheidsmaatregel zodanig kenbaar was, dat hiermee bij de beslissing tot aankoop rekening kon worden gehouden.

[appellante sub 2] betoogt eveneens tevergeefs dat de rechtbank een te laag bedrag aan vermogenschade heeft vastgesteld, omdat geen vergoeding is toegekend voor de waardedaling van de wasstraat en het garagebedrijf. Onder 'wasstraat' en ''garage' is overwogen dat de rechtbank terecht het standpunt van de college heeft onderschreven dat [appellante sub 2] inzake de wasstraat en het garagebedrijf geen omzetschade heeft geleden. De rechtbank heeft derhalve eveneens terecht overwogen dat het college zich met juistheid op het standpunt heeft gesteld dat nu niet is gebleken van een omzetdaling, het evenmin aannemelijk is dat als gevolg van de reconstructie vermogensschade is opgetreden, aangezien de marktwaarde van deze onroerende zaken afhankelijk is van de omzet en de winst die kunnen worden behaald met de bedrijfsuitoefening.

Voor zover [appellante sub 2] stelt dat de rechtbank een te laag bedrag ten aanzien van de gestelde waardevermindering van het tankstation en de shop heeft toegekend, is het volgende van belang. De Afdeling onderschrijft het uitgangspunt in het advies van de StAB dat bij de bepaling van de hoogte van de vermogensschade dient te worden bezien in hoeverre de vermogensschade die op de peildatum is ontstaan niet reeds is verdisconteerd in de gekapitaliseerde inkomensvergoeding. Alleen het deel dat daarin niet is verdisconteerd komt, onder een aftrek vanwege normaal maatschappelijk risico, voor vergoeding in aanmerking. Het rapport van vof DTZ Zadelhoff Taxaties hanteert ten onrechte het uitgangspunt dat eerst moet worden beoordeeld of sprake is van vermogensschade en indien sprake is van waardevermindering vervolgens de rente daarover in mindering moet worden gebracht over de jaarlijks terugkerende inkomensschade. Evenmin wordt daarin uitgegaan van een aftrek vanwege normaal maatschappelijk risico. In zoverre biedt de reactie van mr. J.J. Gouw op het bericht van de StAB evenmin grond voor twijfel aan de juistheid van de door de commissie gemaakte berekeningen.

Onder 'kapitalisatiefactor' is overwogen dat het college bij de bepaling van de omvang van de inkomensschade kapitalisatiefactor 10 dient toe te passen. Nu de vraag of sprake is van te vergoeden vermogensschade in dit geval onlosmakelijk is verbonden met de omvang van de inkomensschade, dient het college eveneens opnieuw te bezien in hoeverre de vermogensschade die op de peildatum is ontstaan niet reeds is verdisconteerd in de aldus gekapitaliseerde inkomensvergoeding.

Beperking schade

2.39. [appellante sub 2] stelt kosten te hebben gemaakt om de schade te beperken. Daaronder vallen volgens [appellante sub 2] ook de kosten die zij heeft gemaakt in de bezwaarprocedure inzake het besluit tot opheffing van de uitrit op de N343.

2.40. De rechtbank heeft het betoog van [appellante sub 2], dat het college ten onrechte niet de kosten voor rechtsbijstand die in de bezwaarprocedure inzake het besluit tot opheffing van de uitrit op de N343 zijn gemaakt heeft vergoed, terecht niet gevolgd. Zoals de Afdeling in een uitspraak van 25 juli 2009 in zaak nr. 200802256/1/M1 heeft overwogen, moet uit de strekking van artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht worden afgeleid dat de in dit artikel opgenomen regeling een exclusief kader vormt voor vergoeding door het bestuursorgaan van kosten die verband houden met de behandeling van het bezwaar. Voor vergoeding van deze kosten via een verzoek om een zuiver schadebesluit is dan ook geen plaats. Het college heeft het verzoek in zoverre terecht afgewezen.

Het betoog faalt.

Kosten advisering

2.41. Bij besluit van 29 januari 2008 heeft het college op advies van de commissie het standpunt gehandhaafd dat een vergoeding van € 2.500,00 voor het inroepen van een accountant voor het aanleveren van gegevens voorafgaand aan het primaire besluit in dit geval redelijk kan worden geacht.

De rechtbank heeft overwogen dat het college ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om tot een hogere vergoeding over te gaan en heeft, na vernietiging van het besluit van 29 januari 2008, bepaald dat een vergoeding van € 5.000,00 redelijk is.

2.42. Het college voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten om de vastgestelde hoogte van de vergoeding voor deskundigenbijstand marginaal te toetsen.

[appellante sub 2] voert aan dat de rechtbank, na vernietiging van het besluit van 29 januari 2008, de vergoeding te laag heeft vastgesteld, omdat dit bedrag, gelet op de werkelijk gemaakte kosten, niet redelijk is. Dit geldt volgens [appellante sub 2] temeer, nu het college heeft toegezegd dat de kosten voor rechtsbijstand en deskundigenbijstand volledig worden vergoed.

2.43. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 augustus 1997, AB 1998, 37) moeten, indien bij de schadevaststelling in het kader van nadeelcompensatie zowel het inroepen van rechts- dan wel deskundigenbijstand als de kosten daarvan redelijk zijn te achten, deze kosten deel kunnen uitmaken van de te vergoeden schade.

Niet in geschil is dat het inroepen van deskundigenbijstand voorafgaand aan het primaire besluit in dit geval redelijk is te achten.

Anders dan het college aanvoert, heeft de rechtbank de door het college vastgestelde kostenvergoeding terecht niet redelijk geacht. Daartoe is van belang dat de StAB de rechtbank heeft bericht dat uit het advies van de commissie kan worden afgeleid dat de accountant de commissie in staat heeft gesteld om het onderzoek op efficiënte wijze te voeren en daartoe niet slechts gegevens heeft aangeleverd, zoals het college heeft gesteld. Het college heeft niet gemotiveerd aangegeven waarom een vergoeding van € 2.500,00 desondanks redelijk is te achten. Anders dan het college betoogt vormt het te vergoeden bedrag aan deskundige kosten voor de vaststelling van de omvang van schade een onderdeel van de te vergoeden schade en wordt als zodanig niet marginaal getoetst.

De Afdeling is voorts van oordeel dat de door de rechtbank vastgestelde vergoeding op € 5.000,00 in dit geval redelijk is te achten. Voor de stelling van [appellante sub 2] dat het college heeft toegezegd dat de kosten van rechtsbijstand- en deskundigenbijstand volledig worden vergoed, bieden de stukken geen concrete aanknopingspunten.

De betogen van het college en [appellante sub 2] falen.

2.44. [appellante sub 2] betoogt tot slot terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten om een vergoeding voor de kosten van deskundigenbijstand van vof DTZ Zadelhoff Taxaties toe te kennen. De rechtbank heeft het besluit van 29 januari 2008 vernietigd, het primaire besluit herroepen en, voor zover thans van belang, het college met toepassing van artikel 8:75 in samenhang gelezen met artikel 7:15, tweede lid, van de Awb onder meer veroordeeld tot vergoeding van de door [appellante sub 2] in bezwaar gemaakte proceskosten, te weten voor het indienen van het bezwaarschrift en het verschijnen op de hoorzitting. De rechtbank heeft geen vergoeding voor de kosten van deskundigenbijstand van vof DTZ Zadelhoff Taxaties toegekend, waarom [appellante sub 2] in de bezwaarfase had verzocht.

Kosten van een deskundige kunnen worden geacht redelijkerwijs te zijn gemaakt als bedoeld in artikel 7:15 van de Awb wanneer degene die deze deskundige heeft ingeroepen, gezien de feiten en omstandigheden zoals die bestonden ten tijde van de inroeping, ervan mocht uitgaan dat de deskundige een relevante bijdrage zou leveren aan een voor hem gunstige beantwoording van een voor de uitkomst van het bezwaar mogelijk relevante vraag. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellante sub 2] daarvan mogen uitgaan. [appellante sub 2] heeft het rapport van vof DTZ Zadelhoff Taxaties in de bezwaarfase ingebracht ter bestrijding van het standpunt van het college dat met de vergoeding van de inkomensschade alle schade is vergoed, ook eventuele schade door waardedaling van het tankstation.

Volgens een door [appellante sub 2] overgelegde factuur van 10 november 2006 heeft vof DTZ Zadelhoff Taxaties 59 uren besteed aan dit rapport. Dit aantal uren komt de Afdeling niet onredelijk voor. Het college dient daarom een bedrag van € 2.950,00 (59 x € 50,00) voor vergoeding van in bezwaar gemaakte deskundigenkosten in de nieuw te nemen beslissing op bezwaar toe te kennen.

Conclusie

2.45. De slotsom is dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college afdoende heeft gemotiveerd dat bij de berekening van de inkomensschade kapitalisatiefactor 7 mocht worden toegepast. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte de door het college aan [appellante sub 2] te vergoeden vermogensschade heeft vastgesteld op € 26.851,00 en ten onrechte nagelaten het college te veroordelen tot vergoeding van de kosten voor deskundigenbijstand door vof DTZ Zadelhoff Taxaties.

De Afdeling ziet in het belang van een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding om de minister op de voet van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State op te dragen het gebrek in het besluit op bezwaar van 29 januari 2008 te herstellen. Het college dient de omvang van de door [appellante sub 2] geleden inkomensschade opnieuw met toepassing van factor 10 vast te stellen. Het college dient de aldus berekende inkomensschade te vergoeden waarbij een aftrek van 30% wegens normaal ondernemersrisico dient plaats te vinden. Het college dient vervolgens te bezien in hoeverre de vermogensschade die op de peildatum is ontstaan niet reeds is verdisconteerd in de aldus gekapitaliseerde inkomensvergoeding. Indien blijkt dat dit niet of niet geheel het geval is, dient het deel dat niet is verdisconteerd, te worden aangemerkt als vermogensschade die naast inkomensschade voor vergoeding in aanmerking komt. Daarop dient een aftrek van 30% wegens normaal ondernemersrisico te worden toegepast. Tot slot dient het college een bedrag van € 2.950,00 (59 x € 50,00) voor vergoeding van in bezwaar gemaakte deskundigenkosten te vergoeden.

2.46. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding onderscheidenlijk verschuldigdheid van het betaalde griffierecht.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

draagt het college van gedeputeerde staten van Overijssel op om binnen 10 weken weken na de verzending van deze tussenuitspraak opnieuw op het bezwaar van de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid [appellante sub 2 A] en [appellante sub 2 B] te beslissen met inachtneming van hetgeen in 2.45 is overwogen en het nieuwe besluit aan de Afdeling toe te zenden.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen en mr. A. Hammerstein, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Planken

Voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2012

299.