Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW6917

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-05-2012
Datum publicatie
30-05-2012
Zaaknummer
201109987/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Besluit waarbij het college onder meer appellante op straffe van een dwangsom heeft gelast het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van een pand te beëindigen en beëindigd te houden en de ontbrekende brandveiligheidsvoorzieningen aan te brengen. Vervolgens heeft het college bij brief geoordeeld dat appellante aan de last heeft voldaan. Ambtshalve overweegt de Afdeling dat de Rb. heeft miskend dat de brief slechts een besluit in de zin van art. 1:3 lid 1 Awb inhoudt, voor zover daarbij is beslist dat geen dwangsommen worden ingevorderd en niet voor zover daarin het oordeel is neergelegd dat aan de opgelegde last is voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201109987/1/A1.

Datum uitspraak: 30 mei 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid AB Midden Holland Vastgoed B.V, gevestigd te Rijsenhout,

gemeente Haarlemmermeer,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 augustus 2011 in zaak nr. 10/5631 in het geding tussen:

[wederpartijen]

en

het college van burgemeester en wethouders van Aalsmeer.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 april 2010 heeft het college AB Midden Holland op straffe van een dwangsom gelast het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van het pand op het perceel [locatie] te Aalsmeer (hierna: het perceel) voor kamerbewoning te beëindigen en beëindigd te houden en de ontbrekende brandveiligheidsvoorzieningen aan te brengen. Het heeft voorts geweigerd een besluit te nemen op het verzoek om handhavend tegen het bouwen zonder bouwvergunning op te treden.

Op 6 juli 2010 heeft het geoordeeld dat AB Midden Holland aan de last heeft voldaan.

Bij besluit van 12 oktober 2010 heeft het college het door [wederpartijen] tegen het besluit van 20 april 2010 gemaakte bezwaar ongegrond en het tegen het niet nemen van een besluit op het verzoek om handhavend optreden tegen het bouwen zonder bouwvergunning en tegen het besluit van 6 juli 2010 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 4 augustus 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [wederpartijen] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, voor zover het gemaakte bezwaar tegen de weigering een besluit te nemen handhavend op te treden tegen het bouwen zonder bouwvergunning en tegen het besluit van 6 juli 2010 daarbij niet-ontvankelijk is verklaard en dat laatste besluit vernietigd, voor zover daarbij is geoordeeld dat de strijdigheid met het bestemmingsplan is opgeheven. Voorts heeft zij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 12 oktober 2010 in stand gelaten, voor zover het besluit van 20 april 2010 daarbij is gehandhaafd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft AB Midden Holland bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 september 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 10 oktober 2011.

[wederpartijen] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 7 februari 2012 heeft het college een verzoek van [wederpartijen] om de dwangsom in te vorderen afgewezen.

[wederpartijen] hebben daartegen gronden van beroep ingediend.

AB Midden Holland heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 maart 2012, waar AB Midden Holland, vertegenwoordigd door P. van Bostelen, bijgestaan door mr. A.M. van de Laar, advocaat te Haarlem, en het college, vertegenwoordigd door J. van de Grootevheen, werkzaam in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn daar [wederpartijen], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door ir. W. Korenkamp en mr. C.B. de Jong, advocaat te Amsterdam, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ambtshalve wordt als volgt overwogen. De rechtbank heeft miskend dat de brief van 6 juli 2010 slechts een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht inhoudt, voor zover daarbij beslist is dat geen dwangsommen worden ingevorderd en niet voor zover daarin het oordeel is neergelegd dat aan de opgelegde last is voldaan. Nu de rechtbank echter terecht, zij het op andere gronden, tot de conclusie is gekomen dat het college het door [wederpartijen] tegen het besluit van 6 juli 2010 gemaakte bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, leidt dit niet tot vernietiging van dit onderdeel van de aangevallen uitspraak.

2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Uiterweg-Plasoevers 2005" en de daarbij behorende plankaart rust op het perceel de bestemming "Woondoeleinden niet gestapeld" met de nadere aanduiding "p".

Ingevolge artikel 8 van de planvoorschriften zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor:

a. woningen in niet-gestapelde vorm;

b. aan huis gebonden beroep of bedrijf;

c. tuinen, erven, parkeerplaatsen en paden;

d. water; met bijbehorende bouwwerken.

Waar dit op de plankaart als zodanig is aangegeven, zijn de gronden mede bestemd voor:

e. detailhandel, kantoor met baliefunctie en/of horeca, uitsluitend op de begane grond;

f. pension;

g. recreatiewoning.

Ingevolge artikel 35.1 van de planvoorschriften is het verboden de in dit plan begrepen gronden en de daarop voorkomende bouwwerken te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken voor een doel of op een wijze strijdig met de ter plaatse aangegeven bestemmingen.

2.3. AB Midden Holland betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er ten tijde van het besluit van 6 juli 2010 geen gewijzigde omstandigheden waren, op grond waarvan geoordeeld mocht worden dat het pand op het perceel als pension wordt gebruikt.

2.3.1. Dat betoog slaagt. Een pension doet dienst als een ruimte waar tegen vergoeding kost en inwoning kan worden verkregen. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat het college op grond van de in aanmerking genomen en op zichzelf niet, althans niet gemotiveerd betwiste omstandigheden ten onrechte heeft geoordeeld dat het pand als zodanig wordt gebruikt. Het college heeft bij zijn oordeel in aanmerking genomen dat ten tijde van dat besluit een toezichthouder was aangesteld die zich per 28 april 2010 als hoofdbewoner in de gemeentelijke basisadministratie heeft ingeschreven, de verblijfskosten met het salaris van de personen die in het pand verblijven worden verrekend, er een ontbijtservice is en de mogelijkheid bestaat om een warme maaltijd te nuttigen waarvan de kosten ook met het salaris verrekend worden. Ook heeft het college in aanmerking genomen dat in het pand een sanctielijst is opgehangen, zowel in het Nederlands als in het Pools en er een 24-uursservice bij calamiteiten is. Verder heeft het van belang geacht dat de personen in het pand, afgezien van de toezichthouder, daar tijdelijk in periodes van enkele weken tot enkele maanden verblijven en niet in de gemeentelijke basisadministratie zijn ingeschreven.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank daarbij het besluit van 6 juli 2010 heeft vernietigd, voor zover daarin is bepaald dat de strijdigheid met het bestemmingsplan is opgeheven doordat is geconstateerd dat het pand in gebruik is als pension. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door [wederpartijen] tegen het besluit van 12 oktober 2010 ingestelde beroep, voor zover gericht tegen het niet-ontvankelijk verklaren van het tegen het besluit van 6 juli 2010 gemaakte bezwaar, gegrond verklaren en dat bezwaar alsnog ongegrond verklaren.

2.5. [wederpartijen] betogen verder dat het college bij het besluit van 7 februari 2012 ten onrechte heeft geweigerd om de dwangsom in te vorderen. Hiertoe voeren zij aan dat het besluit van 6 juli 2010 onjuist is.

2.5.1. Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder 2.3.1 is overwogen, wordt overwogen dat dit betoog faalt. Het beroep tegen het besluit van 7 februari 2012 is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 augustus 2011 in zaak nr. 10/5631, voor zover zij het besluit van 6 juli 2010 heeft vernietigd, voor zover daarin is bepaald dat de strijdigheid met het bestemmingsplan is opgeheven doordat geconstateerd is dat het pand in gebruik is als pension;

III. bevestigt de uitspraak voor het overige;

IV. verklaart het door [wederpartijen] tegen het besluit van 6 juli 2010 gemaakte bezwaar ongegrond;

V. verklaart het beroep van [wederpartijen] tegen het besluit van 7 februari 2012 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. Heijninck, ambtenaar van staat.

w.g. Van Dijk w.g. Heijninck

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2012

552.