Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW6898

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-05-2012
Datum publicatie
30-05-2012
Zaaknummer
201109875/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 april 2009 heeft het college [appellant] een bedrag van € 12.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 november 2007 tot de dag van uitbetaling, ter vergoeding van planschade toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201109875/1/A2.

Datum uitspraak: 30 mei 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Ruurlo, gemeente Berkelland (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant]),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 3 augustus 2011 in zaak nr. 09/1718 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Berkelland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 april 2009 heeft het college [appellant] een bedrag van € 12.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 november 2007 tot de dag van uitbetaling, ter vergoeding van planschade toegekend.

Bij besluit van 22 september 2009 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 augustus 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 september 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brieven van 28 en 29 september 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Bij onderscheiden brieven van 21 februari en 3 april 2012 hebben partijen toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht, om in het geding uitspraak te doen zonder zitting. Vervolgens heeft de Afdeling bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), zoals die bepaling tot 1 juli 2008 luidde, kennen burgemeester en wethouders een belanghebbende op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe voor zover blijkt dat hij ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd.

2.2. Voor de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding op de voet van artikel 49 van de WRO dient te worden onderzocht of de desbetreffende verzoeker als gevolg van een wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient de planologische maatregel waarvan gesteld wordt dat deze schade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het voordien geldende planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van deze regimes maximaal kan, onderscheidenlijk kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Slechts indien realisering van de maximale mogelijkheden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan daarin aanleiding worden gevonden om te oordelen dat van dit uitgangspunt afgeweken moet worden.

2.3. [appellant] is eigenaar van de woonboerderij op de percelen, plaatselijk bekend [locatie] te Ruurlo en kadastraal bekend gemeente Ruurlo, sectie […], nrs. […] en […] (hierna: de woning). Aan het verzoek om planschadevergoeding heeft hij ten grondslag gelegd dat de bestemming van nabij de woning gelegen gronden (hierna: het plangebied) bij het bestemmingsplan 'Everskamp' van 25 november 2004 (hierna: het nieuwe bestemmingsplan), dat op 4 april 2007 (hierna: de peildatum) in werking is getreden, is gewijzigd en dit tot schade in de vorm van waardevermindering van de woning heeft geleid.

2.4. Het college heeft het verzoek om planschadevergoeding voor advies voorgelegd aan Maandag Planschadeadvies (hierna: Maandag).

In een advies van 23 maart 2009 heeft Maandag een vergelijking tussen het nieuwe bestemmingsplan en het daaraan voorafgaande planologische regime gemaakt. In het advies is uiteengezet dat, samengevat weergegeven, de planologische wijziging een gering planologisch nadeel ten aanzien van de situering van de woning en het gebruik van het plangebied tot gevolg heeft, maar niet tot een voor [appellant] nadeliger situatie ten aanzien van zijn uitzicht en de privacy leidt. Maandag heeft daaruit, met verwijzing naar een taxatierapport van M.A. Rozeboom van 21 januari 2009, de conclusie getrokken dat de planologische wijziging tot een planologische verslechtering heeft geleid en de waarde van de woning hierdoor op de peildatum van € 620.000,00 naar € 607.500,00 is gedaald.

Het college heeft dit advies aan het besluit van 14 april 2009 ten grondslag gelegd.

2.5. [appellant] heeft in beroep een taxatierapport van J. Doest overgelegd. Volgens dit rapport is de onderhandse verkoopwaarde van de woning als gevolg van de planologische wijziging van € 720.000,00 naar € 698.000,00 gedaald en was de taxatie bedoeld om de planschade als gevolg van de realisering van een bedrijventerrein in het plangebied vast te stellen.

2.6. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, samengevat weergegeven, het taxatierapport van Doest niet aan de door Maandag getrokken conclusie kan afdoen. Daartoe voert hij aan dat, gezien de inhoud van het taxatierapport van Doest, concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van de door Rozeboom getaxeerde waarden van de woning naar voren zijn gebracht.

2.6.1. Indien uit een advies van een door een bestuursorgaan benoemde deskundige op objectieve en onpartijdige wijze blijkt welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, mag dat bestuursorgaan volgens vaste jurisprudentie (onder meer de uitspraak van 3 maart 2010 in zaak nr. 200905785/1/H2) bij het nemen van een besluit op een verzoek om vergoeding van planschade van dat advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan naar voren zijn gebracht.

2.6.2. Het advies van Maandag van 23 maart 2009, gelezen in samenhang met het taxatierapport van Rozeboom van 21 januari 2009, biedt op de wijze, als hiervoor bedoeld, inzicht in de feiten en omstandigheden die de conclusie kunnen dragen dat [appellant] door de planologische wijziging een planschade van € 12.500,00 heeft geleden. Daarbij is van belang dat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 2 november 2011 in zaak nr. 201007807/1/H2), inzichten van een taxateur in een geval als dit zijn gebaseerd op diens kennis en ervaring, zodat een nadere toelichting op die inzichten niet in alle gevallen kan worden verlangd.

Dat, zoals [appellant] stelt, een groot verschil bestaat tussen de door Rozeboom en Doest getaxeerde waarden van de woning en het taxatierapport van Rozeboom twee jaar na de planologische wijziging is opgemaakt en geen referentiekader vermeldt, betekent niet dat het college het advies van Maandag niet aan de besluitvorming ten grondslag had mogen leggen, omdat daaruit nog niet volgt dat de door Rozeboom getaxeerde waarden niet juist zijn. Voorts kan aan het taxatierapport van Doest niet de door [appellant] gewenste waarde worden toegekend, omdat dit rapport, anders dan dat van Rozeboom, niet van de door Maandag gemaakte vergelijking tussen het nieuwe bestemmingsplan en het daaraan voorafgaande planologische regime uitgaat en niet de waarden van de woning op de peildatum vermeldt.

Het betoog faalt.

2.7. [appellant] betoogt voorts dat ten onrechte geen betekenis is toegekend aan de waarde, als bedoeld in de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de WOZ-waarde), van de woning op 1 januari 2007, omdat uit het proces-verbaal van een zitting van het gerechtshof Arnhem van 1 december 2010 valt af te leiden dat de planologische wijziging in het plangebied bij de vaststelling van die waarde is betrokken.

2.7.1. Uit de door [appellant] overgelegde stukken valt niet af te leiden dat bij het vaststellen van de WOZ-waarde van de woning naar de waardepeildatum 1 januari 2007 acht is geslagen op de criteria die voor een verzoek om planschadevergoeding van belang zijn. In dit verband is voorts van belang dat het door [appellant] in de brief van 29 september 2011 bedoelde proces-verbaal niet is overgelegd. Derhalve treft het beroep op de indicatieve betekenis van de bepaling van de WOZ-waarde voor de hoogte van de planschadevergoeding geen doel.

Het betoog faalt.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Hazen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2012

452.