Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2012:BW6896

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-05-2012
Datum publicatie
30-05-2012
Zaaknummer
201109554/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 april 2010 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast het illegale deel van het pand op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het pand) volledig af te breken en afgebroken te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201109554/1/A1.

Datum uitspraak: 30 mei 2012

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 18 juli 2011 in zaak nr. 11/427 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Nuenen, Gerwen en Nederwetten.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 april 2010 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast het illegale deel van het pand op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het pand) volledig af te breken en afgebroken te houden.

Bij besluit van 23 december 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het college heeft daarbij de last onder dwangsom omgezet in een last onder bestuurdwang en [appellant] gelast om voor 16 juni 2011 over te gaan tot verwijdering van 130 m² stalen dak, 130 m² betonvloer inclusief stalen spanten en alle overige vrijkomende materialen van het illegale deel van het pand.

Bij uitspraak van 18 juli 2011, verzonden op 21 juli 2011, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 augustus 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 21 november 2011.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 april 2012, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. R.L.J.J. Vereijken, en het college, vertegenwoordigd door M.J.A. Veendrick en N.A.J.P.F. Gerris, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 40, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet, zoals dat luidde ten tijde van belang, is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, aanhef en onder b, zoals dat luidde ten tijde van belang, is het verboden een bouwwerk, standplaats of deel daarvan dat is gebouwd zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning, in stand te laten, tenzij voor dat bouwen op grond van artikel 43 geen bouwvergunning is of was vereist.

2.2. Op 22 juli 1986 heeft het college aan de toenmalige eigenaar van het pand bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een bedrijfshal. [appellant] is sinds 17 juni 2003 eigenaar van het pand. Het college heeft op 27 oktober 2009 vastgesteld dat, voordat [appellant] het pand in eigendom verkreeg, aan de rechterzijde van het perceel een gedeelte aan het pand is gebouwd met een oppervlakte van 127,5 m² zonder dat daarvoor een bouwvergunning is verleend. Dit is thans niet meer in geschil. Voorts is niet in geschil dat [appellant] niet als overtreder van het in artikel 40, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet opgenomen verbod kan worden aangemerkt.

2.3. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college van handhavend optreden had behoren af te zien, omdat ten tijde van het besluit van 23 december 2010 concreet zicht op legalisatie bestond. Daartoe voert hij aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college de weigering om ontheffing op grond van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) te verlenen onvoldoende heeft gemotiveerd. Voorts voert hij aan dat het college van de beleidslijn dat om redenen van stedenbouwkundige aard geen ontheffing als bedoeld in artikel 7.5.4 van de planvoorschriften van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Eeneind" (hierna: het bestemmingsplan) wordt verleend voor het volledig bebouwen van percelen had moeten afwijken, omdat het illegale deel van het bouwwerk geen overlast veroorzaakt en verpaupering van het perceel tegengaat.

2.4.1. Ingevolge het bestemmingsplan rust op het perceel de bestemming: "Bedrijventerrein".

Ingevolge artikel 7.3.2, aanhef en onder b, van de planvoorschriften geldt voor gebouwen die op gronden met deze bestemming zijn gesitueerd een afstand tot de zijdelingse perceelsgrens van minimaal drie meter.

Ingevolge artikel 7.5.4 kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bepaalde in artikel 7.3.2, onder b, teneinde vrijstelling te verlenen van de minimale afstand tot de zijdelingse perceelsgrens aan één zijde van het bouwperceel.

2.4.2. Ter zitting is aan de hand van de bouwtekeningen van 22 juli 1986 geconstateerd dat een deel van het pand dat met bouwvergunning is gebouwd op de perceelsgrens staat. De rechtbank heeft op grond daarvan terecht overwogen dat een vrijstelling als bedoeld in artikel 7.5.4 van de planvoorschriften niet meer aan de orde kan zijn, omdat het bouwwerk daarmee op meer dan één zijde op de perceelsgrens zou komen te staan. Ook wanneer [appellant] zou worden gevolgd in zijn betoog dat door de aanwezigheid van de illegale bebouwing een voor alle partijen betere situatie is ontstaan, staat artikel 7.5.4 van de planvoorschriften derhalve aan verlening van vrijstelling in de weg.

2.4.3. Het college is niet bereid om ontheffing op grond van de Wro te verlenen teneinde het rechtergedeelte van het pand te legaliseren. Daartoe heeft het overwogen dat het in het in 2008 vastgestelde bestemmingsplan weergegeven beleid het huidige beleid van het college vormt. In het bestemmingsplan is bewust gekozen om aan bepaalde percelen een maximum bebouwingspercentage toe te kennen van 80% en van andere alleen de zijdelingse perceelsgrens als bouwgrens op te nemen. Om te voorkomen dat gehele percelen voor de volle 100% worden bebouwd, waarmee het stedenbouwkundig idee van het bestemmingsplan onderuit wordt gehaald, acht het college het niet verantwoord om planologisch medewerking te verlenen aan een ontheffing. Er bestaan geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het ter zake door het college ingenomen standpunt rechtens onhoudbaar is en de vereiste medewerking niet zal kunnen worden geweigerd. Gezien het vorenstaande heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat niet aannemelijk is gemaakt dat concreet zicht op legalisatie bestond.

Het betoog faalt.

2.5. [appellant] betoogt tevergeefs dat de rechtbank niet heeft onderkend dat handhavend optreden niet in een redelijke verhouding staat tot de daarmee te dienen belangen. Nu er geen sprake is van een concreet zicht op legalisatie en het, zonder daartoe verleende bouwvergunning, uitbreiden van een pand met een oppervlakte van 127,5 m², anders dan [appellant] betoogt, niet als een zeer geringe overtreding is te beschouwen, bestaat onvoldoende grond voor het oordeel dat handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden behoort te worden afgezien. Dat omwonenden geen hinder ondervinden van het illegale deel van het bouwwerk en dat de huidige situatie verpaupering van het perceel voorkomt, wat daar van zij, betekent evenmin dat het college de belangen van [appellant] zwaarder moest wegen dan het algemeen belang dat met handhaving is gediend.

2.6. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het handhavend optreden in strijd is met het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. Daartoe voert hij aan dat het college, hoewel het wist, althans had kunnen weten, dat het rechtergedeelte van het pand zonder daartoe verleende bouwvergunning was gebouwd, daartegen lange tijd niet handhavend heeft opgetreden.

2.6.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de enkele omstandigheid dat het college gedurende langere tijd niet handhavend is opgetreden, niet leidt tot het oordeel dat het college daardoor het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat niet meer handhavend zou worden opgetreden. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is nodig dat er aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. Dergelijk vertrouwen kan, anders dan [appellant] betoogt, niet worden ontleend aan aanslagen die in het kader van de Wet Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) zijn opgelegd. Het nemen van een besluit in het kader van de Wet WOZ geschiedt op basis van andere motieven dan het verlenen van een bouwvergunning. Evenmin mocht [appellant] er op grond van het bezoek van diverse medewerkers van de gemeente aan het pand en de activiteiten van de gemeente met betrekking tot de verbetering van de bereikbaarheid daarvan op vertrouwen dat het college tegen de overtreding niet handhavend zou optreden. Deze bezoeken en activiteiten hadden kennelijk niet het doel illegale bouwwerken op te sporen. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat het besluit van het college van 23 december 2010 om handhavend op te treden tegen de overtreding niet in strijd is met het vertrouwensbeginsel. Gelet op het vorenstaande bestaat evenmin aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat handhavend optreden in strijd is met de rechtszekerheid.

Het betoog faalt.

2.7. Nu het aan de overtreding ten grondslag gelegde feitencomplex en de strekking van de opgelegde last niet zijn gewijzigd en voorts uit het besluit van 23 december 2010 kan worden afgeleid dat het college uitsluitend tot kostenverhaal overgaat en derhalve niet tot invordering van reeds verbeurde dwangsommen, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien het beroep van [appellant], voor zover het de omzetting van de last onder dwangsom in een last onder bestuursdwang betreft, gegrond te verklaren.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Montagne

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2012

374-724.